Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10446

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
10/960049-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van gewoontewitwassen van 12,5 miljoen euro en voorhanden hebben vuurwapen van cat. III. Verdachte beheerde en bewaakte gedurende enkele maanden een groot geldbedrag. Hij werd aangestuurd door een onbekend gebleven derde. Vrijspraak van ruim 1 kilo cocaïne en een vuurwapen met 215 stuks munitie. Eis: 72 maanden. Straf: 42 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960049-20

Datum uitspraak: 18 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 november 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 4 november 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. van den Brand heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering feit 1

Standpunt verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte niet de eigenaar is van het geld en de andere goederen (wapens, munitie, drugs en PGP-telefoon) in de woning aan de [adres delict] te [plaats delict] . De verdachte was evenmin de gebruiker van de PGP-telefoon. Hij heeft geen wetenschap gehad van het geld, de cocaïne en de wapens. Voorts had hij niet de beschikkingsmacht over het geld en de cocaïne. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd.

Beoordeling

In deze zaak staat op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 1 mei 2020 is in een vergborgen ruimte in de keuken van het appartement [adres delict] te [plaats delict] een geldbedrag aangetroffen van ruim 12,5 miljoen euro. Dit geld was op een specifieke wijze ingepakt. In de woning is verder een professionele geldtelmachine aangetroffen, waarvan is gebleken dat die in de periode februari 2020 tot eind april 2020 intensief is gebruikt. In de verborgen ruimte zijn verder aangetroffen: een briefje met, naar later bleek, de ontgrendelcode van een PGP-telefoon, een vuurwapen met een grote hoeveelheid munitie en een hoeveelheid cocaïne. Op diverse plaatsen in de woning zijn briefjes aangetroffen met aanduidingen die ook voorkomen op de verpakking van de aangetroffen pakketten geld. In de enige in gebruik zijnde slaapkamer zijn op een nachtkastje naast het bed twee telefoons aangetroffen. De ene telefoon, een Iphone 5c, behoort toe aan de verdachte. De andere telefoon betreft een zgn. PGP-telefoon. In deze PGP telefoon is berichtenverkeer van enkele dagen voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte aangetroffen, inclusief daarmee samenhangende foto’s. In die telefoon is ook een financieel (totaal)overzicht aangetroffen dat op de nodige punten overeenkomt met elementen uit het berichtenverkeer en met de inhoud van de in de woning én in de PGP-telefoon aangetroffen briefjes. In een lade van een salontafel is een geladen vuurwapen aangetroffen en in een doosje een geldbedrag van € 3.250,- De verdachte verbleef al enkele maanden in de woning in [plaats delict] ; daarvoor verbleef hij in een woning te Utrecht.

De centrale vraag in dit dossier is: is de verdachte de gebruiker van de PGP-telefoon?

De rechtbank stelt vast dat de PGP-telefoon aan een oplader is aangetroffen naast een telefoon van de verdachte. Uit nader onderzoek van de politie blijkt dat beide telefoons op dezelfde dag begin februari 2020 aanstralen op dezelfde zendmast in Utrecht en dat diezelfde dag ook doen op de zendmast in de onmiddellijke omgeving van de woning [adres delict] te [plaats delict] . De verdachte heeft via zijn Iphone 5c telefoon bericht dat hij, kort gezegd, goed geld verdiende met wat hij deed, maar dat hij niet kon vertellen waar hij was en wat hij voor werk deed.

Uit de inhoud van het berichtenverkeer in de PGP-telefoon blijkt dat er tot enkele uren voor de inval nog met die telefoon is gecommuniceerd over het door de politie aangetroffen geldbedrag. Door diezelfde PGP-gebruiker zijn zo blijkt ook uit het berichtenverkeer, handelingen verricht die neerkomen op het ontvangen en verstrekken van aanzienlijke geldbedragen. Tot op detailniveau blijken de in de woning aangetroffen briefjes en de inhoud van het berichtenverkeer in de PGP-telefoon overeen te komen. De ontgrendelcode bleek voor een belangrijk deel te bestaan uit de geboortedatum van de verdachte. De rechtbank ziet ook dit laatste als een aanwijzing dat hij de gebruiker is.

Daarnaast blijkt uit het overzicht in de telefoon dat er zeer grote bedragen zijn gebracht en ook zeer grote bedragen zijn opgehaald in de periode dat ook de geldtelmachine (intensief) is gebruikt.

Verder blijkt dat een persoon aangeduid als “ [schuilnaam persoon 1] ” per week een bedrag van € 750,- kreeg. De gebruiker van de PGP-telefoon sluit dat eenmaal kort met de kennelijke opdrachtgever of controleur (NN, in het dossier bekend als [schuilnaam persoon 3] ). Uit het totaaloverzicht leidt de rechtbank af dat op die dag “ [schuilnaam persoon 1] ” een bedrag van 750 euro heeft ontvangen.

Bij dit alles merkt de rechtbank nog op dat PGP-telefoons worden gebruikt om vertrouwelijk te kunnen communiceren tussen personen die elkaar als gesprekspartner toelaten. Daarbij past niet dat een reguliere gebruiker een dergelijk toestel achterlaat bij een derde; zeker niet indien dit een derde is die van niets zou weten.

Uit een ander gesprek blijkt dat “ [schuilnaam persoon 2] “ de woning wil verlaten en tijdelijk een ander vraagt om in de woning te verblijven. Dat rijmt met de verklaring van de verdachte dat hij nagenoeg altijd in de woning moest blijven.

De verdachte heeft zich gedurende het vooronderzoek in essentie op zijn zwijgrecht beroepen. Pas gedurende de inhoudelijke behandeling heeft de verdachte op vragen antwoord gegeven. De inhoud van die antwoorden is echter niet toetsbaar en vindt geen enkele steun in de rest van het dossier. Deze combinatie maakt dat de inhoud van de antwoorden niet geloofwaardig is.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker is van de PGP-telefoon. Uit de inhoud van de daarin aangetroffen berichten en foto’s blijkt ondubbelzinnig dat hij, mogelijk binnen door “ [schuilnaam persoon 3] “ gegeven kaders, geldbedragen verstrekte aan anderen en rekening en verantwoording daarover aflegde aan die “ [schuilnaam persoon 3] ”. De verdachte is de persoon die in de startinformatie is aangeduid als “ [schuilnaam verdachte] ”.

De verdachte heeft aldus handelend gedurende enkele maanden zeer grote geldbedragen (in de orde van grootte overeenkomend met) het uiteindelijk aangetroffen geldbedrag van 12.579.380,- in vereniging met anderen, voorhanden gehad terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dit geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Daartoe is mede redengevend dat het geld op uiterst professionele wijze werd verpakt en verborgen in een woning, terwijl in die woning ook twee vuurwapens met een bijbehorende aanzienlijke hoeveelheid munitie zijn aangetroffen en ruim een kilo cocaïne.

De rechtbank zal thans overgaan tot het bespreken van de feiten 2 en 3.

4.2

Bewijswaardering en vrijspraak feiten 2 en 3

Standpunt officier van justitie feiten 2 en 3

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze feiten (het voorhanden hebben van wapens en munitie en het voorhanden hebben van cocaïne) bewezen kunnen worden verklaard. De verdachte verbleef in de woning om het daar aanwezige geld te bewaken. Hij telde het geld en had toegang tot de verborgen ruimte, waar dit geld, een wapen, munitie en cocaïne werden bewaard. De goederen bevonden zich dus in de machtssfeer van de verdachte.

Beoordeling

De rechtbank heeft hiervoor het nodige overwogen over het verblijf van de verdachte in de woning en zijn rol en wetenschap met betrekking tot het in de verborgen ruimte aangetroffen geldbedrag. De verdachte had als bewaker en beheerder/kassier van het geld toegang tot de verborgen ruimte, waar hij ook foto’s heeft gemaakt van het geld, zoals die zijn aangetroffen op zijn PGP-telefoon. In die verborgen ruimte werd tevens een vuurwapen, munitie en cocaïne aangetroffen. Op deze goederen, die verpakt waren in tassen, zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op de verdachte. Evenmin volgt uit de beschrijving van de wijze waarop de goederen zijn aangetroffen dat degene die toegang had tot de verborgen ruimte daarmee ook vanzelf wetenschap moet hebben gehad van het vuurwapen met de munitie en de cocaïne. Daarmee blijft er enige, maar net genoeg, twijfel mogelijk over de wetenschap van de verdachte. Het voorhanden hebben van het vuurwapen Glock 17 Gen 4 met een patroonmagazijn en munitie acht de rechtbank om die reden niet wettig en overtuigend bewezen. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken. Voor de hoeveelheid cocaïne geldt in essentie hetzelfde. De verdachte wordt daarom ook vrijgesproken van feit 3.

Dit ligt anders voor het vuurwapen dat is aangetroffen in de lade van de salontafel in de woonkamer van de woning (onderdeel van feit 2). Dit betreft een halfgeladen pistool van het merk Glock (houder met patronen in het pistool).

Voor een bewoner van een woning geldt dat hij in beginsel wetenschap heeft van en beschikkingsmacht heeft over de goederen die zich in de woning bevinden.

Verdachte verbleef nagenoeg permanent in de woning. Naar het oordeel van de rechtbank was de verdachte ingehuurd om de in de woning grote geldbedragen te beheren en te bewaken. Het wapen lag voor gebruik gereed in een lade van de salontafel die de verdachte gebruikte om aan te eten, zoals blijkt uit de foto’s in het dossier. Bij de taak en rol van de verdachte past een halfgeladen pistool, uit het directe zicht, maar binnen handbereik in die niet afgesloten lade van een salontafel. Daarmee lag het wapen op een zodanige plaats in de woning dat verdachte als bewoner van de woning wetenschap van de aanwezigheid van en beschikkingsmacht over dat vuurwapen met munitie heeft gehad. Daarmee kan bewezen worden dat verdachte dit vuurwapen met munitie opzettelijk voorhanden heeft gehad.

4.3

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 4 februari 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats delict] ,

tezamen en in vereniging met anderen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders,

a)van een voorwerp, te weten van een geldbedrag van (in totaal) circa EUR 12.579.380=, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats verborgen

terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders wist(en), dat bovenomschreven geldbedrag onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf

en/of

b)een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal) circa EUR 12.579.380=, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en/of overgedragen en/of van dit geldbedrag gebruik gemaakt,

terwijl hij verdachte en/of één of meer van zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven geldbedrag onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

2.

in de periode van 4 februari 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats delict] ,

één wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder l van de Wet wapens en munitie,

te weten één vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Glock 17 Gen 5, van het kaliber 9x19 mm met een daarbij passend patroonmagazijn en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 Categorie III van de Wet wapens en munitie behorend bij voornoemd pistool, voorhanden heeft gehad

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1

Medeplegen van gewoontewitwassen

Feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering straffen

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. Hij verbleef in een woning in [plaats delict] en fungeerde daar tegen betaling als bewaker van een zeer grote som geld van ruim 12,5 miljoen euro. Daarbij had hij de beschikking over een vuurwapen met munitie. De verdachte telde geld en verstrekte, binnen door een derde “ [schuilnaam persoon 3] ” aangegeven kaders, ook geldbedragen aan anderen. Hij heeft zich willens en wetens ingelaten met deze strafbare feiten, terwijl hij wist dat het om grote geldbedragen ging die van misdrijf afkomstig waren. Daarnaast heeft gewoontewitwassen maatschappelijk een groot ontwrichtend effect. Het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in het financieel-economisch verkeer wordt aangetast. Gewoontewitwassen geeft, zoals in deze zaak, criminelen de kans om de grote hoeveelheden illegaal geld veilig te laten circuleren of om te zetten in legaal bruikbaar geld.

Het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie is op zichzelf al een ernstig strafbaar feit. Niet zelden leidt het voorhanden hebben van een vuurwapen ook tot het daadwerkelijk gebruik ervan, met alle gevolgen vandien. Ook leidt de aanwezigheid van (geladen) vuurwapens maatschappelijk tot gevoelens van onrust en onveiligheid.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op een rapport van Het Leger des Heils, afdeling reclassering, van 24 juli 2020 over de verdachte. Daaruit wordt afgeleid dat er geen zinvolle aanknopingspunten zijn voor een voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf.

Alleen al op gewoontewitwassen van 12,5 miljoen euro dient te worden gereageerd met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Dit heeft tot doel om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan dergelijke feiten schuldig te maken en om genoegdoening te bieden aan de maatschappij maar ook om potentiële wetsovertreders af te schrikken om eveneens soortgelijke strafbare feiten te plegen. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder nog te bespreken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de op de beslaglijst (bijlage III) genoemde goederen

onder de nummers 1a, 1b, 2, 3, 5 tot en met 13, 15, 16, 18 tot en met 40, 47 tot en met 50 verbeurd te verklaren, de nummers 41 tot en met 46, 49 en 51 te onttrekken aan het verkeer en de nummers 14 en 17 terug te geven aan de verdachte.

8.3

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich voor de beslagbeslissingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Beoordeling

De onder de nummers 1a, 1b, 2, 3, 5 tot en met 13, 15, 16, 18 tot en met 40, 47, 48 en 50 in beslag genomen goederen zullen verbeurd worden verklaard.

Het onder 1 bewezen feit is met behulp van deze voorwerpen begaan.

De onder de nummers 41 tot en met 46, nummer 49, en 51 in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens, een patroonhouder, munitie en (een tas met) (hard)drugs (cocaïne) is in strijd met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de onder de nummers 14 en 17 in beslag genomen goederen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart de nummers 1a, 1b, 2, 3, 5 tot en met 13, 15, 16, 18 tot en met 40, 47 tot en met 50 verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:

- verklaart de nummers 41 tot en met 46, 49 en 51 onttrokken aan het verkeer:

- gelast de teruggave van de nummers 14 en 17 aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en A.A. Kalk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats delict] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen,

immers heeft hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededaders,

a)van een voorwerp, te weten van een geldbedrag van (in totaal) circa EUR 12.579.380=, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen

en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit geldbedrag is, en/of verborgen en/of verhuld wie dit voorwerp voorhanden heeft;

terwijl hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

en/of

b)een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal) circa EUR 12.579.380=, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of van dit geldbedrag gebruik gemaakt,

terwijl hij verdachte en/of één of meer van zijn mededaders wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond a en b en 420ter/420 quater Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 februari 2020 tot en met 1 mei 2020 te [plaats delict] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

één of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder l van de Wet wapens en munitie,

te weten één of meer vuurwapens in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Glock 17 Gen 5, van het kaliber 9x19 mm met een daarbij passend patroonmagazijn en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 Categorie III van de Wet wapens en munitie behorend bij voornoemd(e) pisto(o)l(en), te weten (ongeveer) 215 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm, althans een hoeveelheid munitie, voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 1 mei 2020 in [plaats delict] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1190 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet