Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10445

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
C/10/594850 / HA ZA 20-378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leningsovereenkomst gesloten vóór 1 januari 2017; verbruikleen; Kribbenbijter-criterium; artikel 158 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/594850 / HA ZA 20-378

Vonnis van 11 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. J.M.L.G. de Jong te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.A. Visser te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident (843a Rv) van 19 augustus 2020 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken4 november 2020;

  • -

    de brief van mr. Visser van 2 september 2020 met producties;

  • -

    de fax van mr. De Jong van 7 september 2020 met producties;

  • -

    de brief van mr. De Jong van 14 september 2020 met producties;

  • -

    de brief van mr. Visser van 15 september 2020 met een productie;

  • -

    de akte van [gedaagde] van 17 september 2020 met producties;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Visser;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 september 2020;

  • -

    de brief van mr. Visser van 30 september 2020 met opmerkingen over het proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. De Jong van 2 oktober 2020 met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] heeft een kopie overgelegd van een overeenkomst van geldlening (productie 1 bij dagvaarding, hierna: de leningsovereenkomst) De tekst van deze overeenkomst luidt als volgt:

“Rotterdam 31-03-2015

In deze overeenkomst wordt met kredietgever en kredietnemer bedoeld:

Kredietgever

Voorletter(S) en naam: [eiser]

Adres: […]

Geboortedatum: […]

Identiteit (Rijbewijsnummer): […]

Kredietnemer

Voorletters(S) en naam: [gedaagde]

Adres: […]

Geboortedatum: […]

Identiteit (Rijbewijsnummer): […]

[eiser] neemt waar als kredietgever, namens twee broers gevestigd in Suriname de heer [naam persoon 1] en [naam persoon 2] en is gemachtigd om rechtsgeldige stappen te ondernemen bij het niet nakomen van de betalingsplicht door de kredietnemer.

De kredietgever en kredietnemer verklaren te zijn overeengekomen:

  1. Kredietgever heeft aan de kredietnemer een lening van € 100.000,- (honderdduizend euro’s) versterkt per 31 maart 2015

  2. Kredietnemer investeert het geleende bedrag van € 100,000,- in zijn bedrijf [naam bedrijf] ( [afkorting naam bedrijf] ).

  3. Het geïnvesteerde bedrag moet € 2.000,- per maand opleveren welke op de eerste dag van de maand aan de kredietgever betaald moet worden. Dat is 2% rente per maand op basis van € 100.000,-

De aangegane leningvan €100.000,- (honderdduizend euro's), zal door de kredietgever, bij in gebreke blijven van de kredietnemer, direct worden opgeëist indien:

  1. Kredietnemer in gebreke blijft van het bedrag van € 2000,- op de eerste dag van elke maand te betalen.

  2. Kredietgever, [naam persoon 1] en [naam persoon 2] het geleend bedrag voor zijn eigen gebruik nodig zal hebben met in acht neming van een opzegtermijn van 2 maanden.

  3. Een der partijen komt te overleiden.

Aldus met wederzijdse instemming en naar waarheid opgemaakt.

Kredietgever, Kredietnemer,

[eiser] [gedaagde] ”

2.2.

[gedaagde] heeft de originele leningsovereenkomst laten onderzoeken door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO). Bij voormeld vonnis in het 843a Rv-incident is [gedaagde] veroordeeld de observaties van het NFO in het geding te brengen. [gedaagde] heeft aan dat vonnis voldaan door een e-mail van 23 april 2020, 17:15 uur, en een e-mail van 23 april 2020, 17:19 uur, beide van ing. [naam forensisch deskundige] (hierna: [naam forensisch deskundige] ), forensische deskundige van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (NFO), te overleggen.

2.3.

In de e-mail van 23 april 2020, 17:15 uur, schrijft [naam forensisch deskundige] onder meer aan [gedaagde] :

Op uw verzoek heeft het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau schriftvergelijkend en document-technisch onderzoek verricht naar de vraag of het al dan niet aannemelijk is te achten dat de hieronder gemonteerde handtekening door dhr. [gedaagde] op het betwiste document is geplaatst.

[…]

Bij de vergelijking tussen de betwiste handtekening en de vergelijkingshandtekeningen van dhr. [gedaagde] zijn zowel op het niveau van de algemene schriftkenmerken alsmede op het niveau van de microkenmerken diverse schriftkundige overeenkomsten vastgesteld.

[…]

“In het kader van het document-technisch onderzoek is met behulp van microscopie vastgesteld dat de betwiste handtekening niet op het litigieuze document is gemonteerd door toepassing van listige kunstgrepen, zoals knippen, plakken, printen, fotokopiëren, fotoshoppen, scannen, bewerken met een fotobewerkingsprogramma en dergelijke.

[…]

Op basis van het uitgevoerde onderzoek aan de hand van het beschikbaar gestelde materiaal dient te worden geconcludeerd dat er geen grond voor twijfel bestaat met betrekking tot de authenticiteit van de betwiste handtekening. De betwiste handtekening dient op grond van de verkregen onderzoeksresultaten met een hoge mate van waarschijnlijkheid te worden aangemerkt als een echte handtekening van de heer [gedaagde] . Indicatoren die op het tegendeel (zouden kunnen) duiden zijn in het ter beschikking gestelde materiaal niet aangetroffen.”

2.4.

In de e-mail van 23 april 2020, 17:19 uur, schrijft [naam forensisch deskundige] onder meer aan [gedaagde] :

Vraag: Was de geprinte tekst al reeds op het litigieuze document aanwezig op het moment dat de handtekening is geplaatst?

Antwoord: Bij bestudering van het betwiste document ten kantore van uw wederpartij te Rotterdam is gebleken dat de te onderzoeken handtekening geen contact maakt met de geprinte tekst. De gestelde onderzoeksvraag kan enkel middels document-technisch onderzoek worden beantwoord indien de inkt van de pen en de inkt/toner van de printer met elkaar contact maken. Dit is echter in de onderhavige casus niet het geval. Voorgaande leidt ertoe dat vanuit document-technisch oogpunt niet kan worden uitgesloten dat de te onderzoeken handtekening op een blanco, dus leeg, A4-papier is geplaatst.”

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 208.000,--, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarden tot aan die der voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de beslagkosten.

3.2.

[eiser] grondt zijn vordering op nakoming van de leningsoverenkomst. [eiser] heeft een bedrag van € 100.000,- aan [gedaagde] geleend. [gedaagde] zou € 2.000,- per maand rente betalen, voor het eerst op 30 april 2015. [gedaagde] heeft zes maal € 2.000,- betaald. Daarna hebben geen betalingen meer plaatsgevonden. Daardoor is de lening direct opeisbaar. Vanwege de overeengekomen rente is € 108.000 opeisbaar.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] voert daartoe het volgende aan. Wanneer [eiser] waarneemt voor [naam persoon 1] en [naam persoon 2] , geldt dat [eiser] niet zelf enige vordering geldend kan doen maken. [naam persoon 1] en [naam persoon 2] kwalificeren als kredietgevers zodat [eiser] niet bevoegd is deze vordering in te stellen. [gedaagde] betwist dat hij de leningsovereenkomst heeft ondertekend. Mocht al blijken dat de handtekening van hem afkomstig is, dan moet deze handtekening op onjuiste cq. valselijke wijze zijn verkregen. [gedaagde] betwist € 100.000 van [eiser] te hebben ontvangen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

[eiser] vordert nakoming van de leningsovereenkomst. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat zijn handtekening op de leningsovereenkomst staat. De aanvankelijke betwisting daarvan wordt daarom als ingetrokken beschouwd. [gedaagde] heeft zijn overige verweren gehandhaafd. Deze verweren worden hierna besproken.

[eiser] bevoegd om vordering in te stellen?

4.2.

[gedaagde] voert aan dat [eiser] geen vordering uit hoofde van de leningsovereenkomst geldend kan maken omdat [eiser] , gelet op de formulering in de overeenkomst, waarneemt voor zijn twee broers, [naam persoon 1] en [naam persoon 2] . [gedaagde] verwijst naar de volgende zinsnede in de leningsovereenkomst:

“ [eiser] neemt waar als kredietgever, namens twee broers gevestigd in Suriname, de heer [naam persoon 1] en [naam persoon 2] .”

4.3.

[eiser] stelt dat hij als kredietgever staat vermeld in de leningsovereenkomst. Hij is de overeenkomst dus op eigen naam aangegaan. Zijn broers hadden het bedrag van € 100.000 aan hem in bewaring gegeven en hem toestemming gegeven dit aan [gedaagde] uit te lenen onder de voorwaarde dat [eiser] jegens hen zou instaan voor de terugbetaling door [gedaagde] .

4.4.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkander hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. (HR 11-03-1977, ECLI:NL:PHR:1977:AC1877 (Kribbenbijter)).

4.5.

Partijen hebben omtrent hun verklaringen en gedragingen voorafgaand aan en bij het sluiten van de overeenkomst en de vraag wat zij daaruit hebben afgeleid en mochten afleiden, geen feiten gesteld. De rechtbank zal de in 4.4 genoemde vraag derhalve dienen te beantwoorden aan de hand van de tekst van de overeenkomst en hetgeen partijen daaruit mochten afleiden. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] of [gedaagde] over bijzondere rechtskennis beschikt of zich bij het aangaan van de overeenkomst heeft laten bijstaan door iemand die over zodanige kennis beschikt. Dit betekent dat het bij de vaststelling van wat partijen uit de tekst van de overeenkomst mochten afleiden niet zo zeer aankomt op de juridische betekenis van de gebruikte woorden, als wel op de betekenis daarvan in het spraakgebruik.

4.6.

Volgens Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal betekent “waarnemen”: “als vervanger optreden (voor)”. Aannemelijk is derhalve dat partijen met de zinsnede “ [eiser] neemt waar als kredietgever, namens twee broers” hebben bedoeld dat [eiser] als vervanger optreedt van zijn twee broers. Partijen kunnen hierbij hetzij optreden door [eiser] in eigen naam, hetzij optreden in naam van de twee broers voor ogen hebben gehad.

4.7.

Omdat in de overeenkomst wordt gesproken over waarnemen “als kredietgever”, en niet over waarnemen als gemachtigde, gaat de rechtbank er vanuit dat partijen bedoeld hebben dat [eiser] zou optreden in eigen naam. Dit strookt met de opzet van de overeenkomst als een overeenkomst tussen twee partijen; de kredietgever ( [eiser] ) en de kredietnemer ( [gedaagde] ). Dit laat onverlet dat [eiser] mogelijk heeft gehandeld voor rekening van zijn twee broers.

4.8.

Indien [eiser] heeft gehandeld in eigen naam maar voor rekening van zijn twee broers, is sprake van middellijke vertegenwoordiging. [eiser] is dan partij bij de overeenkomst maar de baten en lasten van de overeenkomst komen voor rekening van de twee broers. Dit strookt met de verklaring van [eiser] dat hij het uitgeleende geld voor zijn broers in bewaring had.

4.9.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat [eiser] de leningsovereenkomst in eigen naam is aangegaan. Indien het hierna te bespreken verweer van [gedaagde] , dat zijn handtekening op de leningsovereenkomst valselijk is verkregen, faalt, kan [eiser] derhalve in eigen naam een vordering uit hoofde van de overeenkomst tegen [gedaagde] geldend maken.

Handtekening op valselijke wijze verkregen?

4.10.

[gedaagde] heeft zijn stelling dat zijn handtekening op onjuiste c.q. valselijke wijze is verkregen in zijn conclusie van antwoord niet feitelijk onderbouwd. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat zijn handtekening “op de een of andere manier” buiten zijn medeweten op de overeenkomst is gekomen. Die stelling is niet feitelijk uitgewerkt. Voor zover [gedaagde] bedoelt dat de tekst van de overeenkomst later boven zijn handtekening is geplaatst, geldt dat [naam forensisch deskundige] (zie de hierboven in 2.4 genoemde e-mail) die vraag niet kan beantwoorden omdat de handtekening geen contact maakt met de geprinte tekst. Daardoor kan het vanuit document-technisch oogpunt niet worden uitgesloten. [gedaagde] heeft echter niet gesteld dat [eiser] kon beschikken over een blanco papier met de handtekening van [gedaagde] . Integendeel, ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat [eiser] geregeld bij hem op kantoor kwam maar dat er nooit een blanco papier met zijn handtekening op zijn bureau lag en dat hij niet weet hoe [eiser] aan zijn handtekening is gekomen. Bij die stand van zaken zijn er onvoldoende feitelijke aanknopingspunten om [gedaagde] tot bewijs van dit verweer toe te laten.

4.11.

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat zijn handtekening door middel van knippen en plakken onder de overeenkomst terecht is gekomen, geldt dat dit evenmin is onderbouwd. Uit de in 2.3 genoemde e-mail van [naam forensisch deskundige] , blijkt dat met behulp van microscopie is vastgesteld dat de handtekening niet op het document is gemonteerd door toepassing van listige kunstgrepen, zoals knippen, plakken, printen, fotokopiëren, fotoshoppen, scannen, bewerken met een fotobewerkingsprogramma en dergelijke. Dit verweer faalt dus. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat de handtekening van [gedaagde] buiten medeweten van [gedaagde] op de overeenkomst is terechtgekomen. Het ter zitting aan de orde gekomen feit dat [eiser] de data onder beide handtekeningen heeft geschreven en de spelfout in de voornaam van [gedaagde] (die overigens ook voorkomt in zijn antwoordakte in incident en conclusie van antwoord) leiden niet tot een andere conclusie. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de overeenkomst door [gedaagde] is ondertekend.

Overeenkomst van geldlening tot stand gekomen?

4.12.

De leningsovereenkomst dateert van vóór 1 januari 2017. Daarom wordt de leningsovereenkomst ingevolge artikel 200 Overgangswet NBW beoordeeld naar het recht van vóór 1 januari 2017. De leningsovereenkomst kwalificeert als een overeenkomst van verbruikleen als bedoeld in artikel 7A:1791 (oud) BW. Dat is een reële overeenkomst. Dat betekent dat voor totstandkoming van de overeenkomst wilsovereenstemming alleen niet voldoende is. De overeenkomst komt pas tot stand indien en zodra het geld in de macht van de geldnemer is gekomen. Zolang de geldnemer de gelden niet in zijn macht heeft, is onder het vóór 1 januari 2017 geldende recht geen sprake van een overeenkomst van geldlening (HR 30-09-2016; ECLI:NL:HR:2016:2228).

4.13.

[gedaagde] betwist dat [eiser] een bedrag van € 100.000,-- aan hem ter beschikking heeft gesteld. Indien de geleende som niet daadwerkelijk aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld, dan is – gelet op hetgeen onder 4.12 is overwogen – van een leningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] geen sprake. Op [eiser] , die zich beroept op de rechtsgevolgen van de leningsovereenkomst, rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van zijn stelling dat de leningsovereenkomst tot stand is gekomen doordat het bedrag van € 100.000,-- in de macht van [gedaagde] is gekomen.

4.14.

[eiser] stelt dat hij het geld op 31 maart 2015 in zijn woning contant aan [gedaagde] heeft overhandigd. Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde] zes keer een bedrag van € 2.000,-- aan rente heeft betaald. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft [eiser] schriftelijke verklaringen van hemzelf, zijn zoon en de echtgenote van zijn zoon overgelegd en correspondentie via WhatsApp met [gedaagde] waarin onder meer het volgende staat vermeld (de rechtbank begrijpt dat [eiser] hierin wordt aangeduid als “ [naam 1] ” en [gedaagde] als “ [naam 2] ”):

“01-10-2019 19:58 - [naam 1] : Overdag was ik aan het werk daarom antwoord ik nu pas jij moet mij nog €105 duizenden betalen wat jij geleend heb en dan praat ik niet over afgesproken rente van 2% per maand dat jij al twee jaar niet betaald heb zolang jij mijn 105 duizenden euro's niet terugbetaald heb ben ik genoodzaakt om jou te bellen en zien daarna niet méér.

24-10-2019 21:20 - [naam 1] : Het is al bijna eind van de maand wanneer krijg ik mijn geld ik heb het heel erg hard nodig jij had beloofd eigenlijk begin van deze maand te betalen

24-10-2019 21:34 - [naam 2] : Door jouw vloek gaat het zowel financieel als lichamelijk slecht. Zodra ik beetje bovenop ben, zal ik [naam persoon 3] wat geven.

24-10-2019 21:36 - [naam 1] : Ik meld je alvast als deze maand niet betaald ga ik stappen ondernemen

24-10-2019 21:39 - [naam 2] : Ok prima

24-10-2019 21:41 - [naam 2] : Ik kan deze niks doen. Als je stappen wil ondernemen, moet je doen. Ik ben die kaolo bedreigingen van je zat. Je moet niet denken dat jij alleen iets kan doen. Ik kan ook veel

24-10-2019 22:00 - [naam 1] : Op moment dat jij geld van mij nodig had was ik goed voor jou maar nu dat je terug moet betalen ben ik slecht voor jou geworden ik wil geen ruzie betaal mijn geld terug en dan zijn wij op een goede manier klaar

24-10-2019 22:01 - [naam 2] : Nu app je normaal. Ik ga je je geld betalen. Dat heb ik altijd gezegd. Alleen nu heb ik moeilijk.”

4.15.

De advocaat van [eiser] heeft voorts ter zitting gesteld dat de woorden “is aangegaan” in de overeenkomst erop duiden dat bij het tekenen van de overeenkomst het geld al was overgegaan.

4.16.

[gedaagde] betwist dat hij op 31 maart 2015 in de woning van [eiser] is geweest en betwist dat [eiser] een bedrag van € 100.000,-- aan hem heeft overhandigd. [gedaagde] betwist ook dat hij enig bedrag aan rente heeft betaald. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij het WhatsApp-bericht van [eiser] waarin wordt gesproken over “€ 105 duizenden” niet goed heeft gelezen en dat hij dacht dat het ging om een bedrag van € 150,-- dat hij aan [eiser] verschuldigd is. Ter onderbouwing van zijn verweer dat het bedrag van

€ 100.000,-- niet aan hem ter beschikking is gesteld, heeft [gedaagde] schriftelijke verklaringen van hemzelf en zijn echtgenote overgelegd, alsmede zijn aangiften inkomstenbelasting over 2016, 2017 en 2018 waaruit volgens [gedaagde] blijkt dat hij consequent een uitstekend resultaat behaalt en dat hij dus geen enkele liquiditeitsbehoefte heeft die de ontvangst de lening aannemelijk zou maken.

4.17.

Met betrekking tot de vraag of het bewijs dat de gestelde leningsovereenkomst tot stand is gekomen met de thans overgelegde stukken is geleverd, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte zoals de leningsovereenkomst in beginsel dwingend bewijs op van een daarin opgenomen verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen. In artikel 1 van de overeenkomst hebben partijen opgenomen: “Kredietgever heeft aan de kredietnemer een lening van €100.000,- (honderdduizend euro's) versterkt (de rechtbank neemt aan dat hier is bedoeld: “verstrekt) per 31 maart 2015”. Een voor de hand liggende uitleg van deze bepaling is dat partijen hier, mede met het oog op de ingangsdatum van de overeengekomen rente, hebben vastgelegd dat [eiser] per 31 maart 2015 het bedrag van de lening aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat artikel 1 van de overeenkomst (mede) bedoeld is als een verklaring van [gedaagde] dat hij het bedrag van € 100.000,-- op 31 maart 2015 in ontvangst heeft genomen. De leningsovereenkomst levert ingevolge artikel 157 lid 2 Rv in beginsel dwingend bewijs op van deze verklaring. Dit is slechts anders indien de uitzondering van artikel 158 Rv zich voordoet.

4.18.

Ingevolge artikel 158 Rv levert een onderhandse akte waarin slechts verbintenissen van één partij zijn aangegaan of vastgelegd, voor zover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, geen dwingend bewijs op tegen een partij indien die partij (i) de verbintenissen niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan en (ii) de akte niet geheel met de hand heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt.

4.19.

Zoals in 4.12 overwogen, kwalificeert de overeenkomst als een overeenkomst van verbruikleen als bedoeld in artikel 7A:1791 (oud) BW. Een dergelijke overeenkomst vormt een eenzijdige overeenkomst die alleen verbintenissen ten laste van de lener schept: de overeenkomst komt tot stand doordat de uitlener de zaak aan de lener overdraagt. De overeenkomst moet derhalve worden beoordeeld als een eenzijdige overeenkomst als bedoeld in artikel 158 Rv.

4.20.

Gesteld noch gebleken is dat het aangaan van leningen als geldnemer tot de normale bedrijfsuitoefening van [gedaagde] behoorde. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] de leningsovereenkomst niet is aangegaan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 158 Rv.

4.21.

De leningsovereenkomst is door [gedaagde] niet geheel met de hand geschreven en is evenmin voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt.

4.22.

Uit het voorgaande volgt dat de uitzondering van artikel 158 Rv zich voordoet en dat de leningsovereenkomst derhalve geen dwingend bewijs oplevert ten aanzien van de daarin opgenomen verklaring van [gedaagde] . De leningsovereenkomst heeft echter wel vrije bewijskracht ten aanzien van die verklaring en levert een begin van bewijs voor de stelling van [eiser] dat het bedrag van € 100.000,-- per 31 maart 2015 aan [gedaagde] is verstrekt.

4.23.

Ook de door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten wijzen in die richting. Uit die berichten blijkt dat [gedaagde] erkent een bedrag schuldig te zijn aan [eiser] en dat hij niet in staat is dat bedrag terug te betalen. In het licht van de stelling van [gedaagde] dat zijn onderneming consequent een uitstekend resultaat behaalt, ligt het niet voor de hand dat het hier om een bedrag van € 150,-- ging, zoals [gedaagde] ter zitting heeft verklaard.

4.24.

De door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaringen van hemzelf en van zijn zoon en schoondochter kunnen naar het oordeel van de rechtbank slechts beperkt gewicht in de schaal leggen. Deze verklaringen zijn door betrokkenen niet tijdens een verhoor onder ede afgelegd. [eiser] zelf is uiteraard partij in dit geding waardoor zijn verklaring, indien deze als getuige onder ede wordt afgelegd, hooguit als aanvulling op onvolledig bewijs kan dienen. [naam persoon 4] en [naam persoon 5] zijn familieleden van [eiser] die, gezien hun relatie met [eiser] , mogelijk een persoonlijk belang hebben bij hun verklaring. De schriftelijke verklaring van [naam persoon 5] is niet concreet ten aanzien van het bedrag dat door [eiser] aan [gedaagde] is overhandigd. De schriftelijke verklaring van [naam persoon 4] is concreet op dat punt maar strookt op het punt van de rentebetalingen niet met de door [eiser] als productie 2 bij dagvaarding overgelegde renteberekening.

4.25.

Aan de twee schriftelijke verklaringen die door [gedaagde] als tegenbewijs in het geding zijn gebracht, kan eveneens slechts beperkt gewicht worden toegekend. Deze verklaringen zijn namelijk evenmin tijdens een verhoor onder ede afgelegd en zijn ook afkomstig van een partij, [gedaagde] , en een familielid, te weten de echtgenote van die partij die, gezien haar relatie met die partij, mogelijk een persoonlijk belang heeft bij haar verklaring. Naast deze twee verklaringen heeft [gedaagde] zijn aangiften inkomstenbelasting over 2016, 2017 en 2018 overgelegd. Deze aangiften kunnen echter niet dienen als tegenbewijs tegen de stelling dat [gedaagde] het volgens de leningsovereenkomst geleende bedrag in ontvangst heeft genomen, omdat bepaald niet ondenkbaar is dat bij een positief bedrijfsresultaat vreemd vermogen wordt aangetrokken, bijvoorbeeld voor het doen van investeringen waarvoor voldoende eigen vermogen ontbreekt.

4.26.

Gelet op de (tekst van de) leningsovereenkomst, de door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten en de ongeloofwaardigheid van de door [gedaagde] gegeven verklaring voor die WhatsApp-berichten, acht de rechtbank voorshands bewezen dat [eiser] het volgens de leningsovereenkomst geleende bedrag van € 100.000,-- - zoals [eiser] stelt - op 31 maart 2015 in zijn woning contant aan [gedaagde] heeft overhandigd. De door [gedaagde] in het geding gebrachte verklaringen doen hieraan, gelet op het beperkte gewicht dat aan die verklaringen kan worden toegekend, niet af. Daarmee is eveneens voorshands bewezen dat onder het toepasselijke, vóór 1 januari 2017 geldende recht een overeenkomst in de vorm van de leningsovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank zal [gedaagde] toelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen deze voorshands bewezen geachte stelling.

4.27.

Voor het leveren van tegenbewijs door [gedaagde] is voldoende dat [gedaagde] het vermoeden dat volgt uit hetgeen onder 4.26 is overwogen ontzenuwt. Indien [gedaagde] hierin slaagt, dan is het aan [eiser] om alsnog te bewijzen dat hij het bedrag van € 100.000,- op 31 maart 2015 in zijn woning contant aan [gedaagde] heeft overhandigd. Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat de rechtbank niet eerst het tegenbewijs zal evalueren en dan pas een bewijsopdracht zal geven aan [eiser] ; eventuele aanvullende bewijsvoering aan de zijde van [eiser] dient in het kader van de reactie van [eiser] op de bewijslevering door [gedaagde] plaats te vinden, zodat te horen getuigen bij gelegenheid van de contra-enquête dienen te worden voorgebracht.

4.28.

Indien [gedaagde] slaagt in het tegenbewijs, zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Indien [gedaagde] daar niet in slaagt, komt de vraag aan de orde of naast de vordering tot terugbetaling van de geleende hoofdsom ook de vordering tot betaling van

€ 108.000,-- aan rente toewijsbaar is.

Rente

4.29.

Dat het door [eiser] gevorderde bedrag aan rente door [gedaagde] niet aan [eiser] betaald is, staat tussen partijen vast. [gedaagde] heeft echter aangevoerd dat een rentelast van 2% per maand lachwekkend is en zou kwalificeren als een indicatie voor het feit dat [gedaagde] niet bonus mentis is. Voor zover [gedaagde] hiermee bedoelt te stellen dat de rente van 2% per maand enige bij wet gestelde grens te boven gaat, overweegt de rechtbank als volgt.

4.30.

Artikel 7:76 lid 2 BW bevat een bepaling omtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding bij kredietverlening aan consumenten. Deze bepaling is echter pas op 1 januari 2017, derhalve na de ondertekening van de leningsovereenkomst, opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en is derhalve, ingevolge artikel 200 Overgangswet NBW, niet van toepassing op de leningsovereenkomst. Bovendien zou [gedaagde] blijkens de leningsovereenkomst het geleende bedrag in zijn bedrijf [naam bedrijf] ( [afkorting naam bedrijf] ) investeren. [gedaagde] heeft bij de ondertekening van de leningsovereenkomst derhalve niet als consument als bedoeld in artikel 7:57 BW gehandeld en ook om die reden is artikel 7:76 lid 2 BW niet op de leningsovereenkomst van toepassing.

4.31.

Ten tijde van de ondertekening van de kredietovereenkomst was artikel 35 lid 1 van de Wet op het consumptief geldkrediet (“Wck”) van kracht. Dit artikel bevatte, evenals het huidige artikel 7:76 lid 2 BW, een bepaling omtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding. Echter, de grens waarboven de Wck niet geldt, lag toen op € 40.000,--. Dit betekent dat ook artikel 35 lid 1 Wck (oud) niet op de leningsovereenkomst van toepassing is. De rente van 2% per maand zoals vastgelegd in de leningsovereenkomst gaat derhalve geen bij wet gestelde grens te boven. De vordering van [eiser] tot betaling van achterstallige rente is daarom toewijsbaar en zal, nu [gedaagde] daartegen geen ander verweer heeft gevoerd, worden toegewezen indien [gedaagde] niet slaagt in het tegenbewijs.

4.32.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [gedaagde] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [eiser] het volgens de leningsovereenkomst geleende bedrag van

€ 100.000,-- op 31 maart 2015 in de woning van [eiser] contant aan [gedaagde] heeft overhandigd;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 november 2020 voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [gedaagde] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde] , indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden januari 2021 tot en met april 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. W.A.M. Schellekens in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens en in het openbaar uitgesproken op door mr C. Bouwman, rolrechter, op 11 november 2020.

1573/3310