Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10349

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
8127306
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

382 Rv, toepassing reductieregeling statuten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8127306 \ CV EXPL 19-46224

uitspraak: 6 november 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , zaakdoende te [plaats] ,

2. [eiser 2 in conventie / verweerder 2 in reconventie] , en

3. [eiser 3 in conventie / verweerder 3 in reconventie] ,

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

vennoten van gedaagde sub 1,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

gemachtigde: mr. J.J. Faber te Austerlitz, gemeente Zeist,

tegen

de vereniging

Vereniging van Gebruikers Alexandrium III,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: Van Houwelingen & Partners Gerechtsdeurwaarders en Incasso te Vlaardingen.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] , [eiser 2 in conventie / verweerder 2 in reconventie] , [eiser 3 in conventie / verweerder 3 in reconventie] en VGA. Eisers in conventie worden hierna tezamen aangeduid als eisers.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 14 oktober 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met een productie;

  • -

    het tussenvonnis van 8 januari 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald, die niet heeft plaatsgevonden als gevolg van de coronamaatregelen;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] exploiteert een winkel, en huurt daartoe een winkelruimte, in het winkelcomplex Alexandrium III. [eiser 2 in conventie / verweerder 2 in reconventie] en [eiser 3 in conventie / verweerder 3 in reconventie] zijn vennoten van [eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] . Krachtens de huurovereenkomst is [eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] , net als elke appartementseigenaar en ieder die in het winkelcentrum een winkel exploiteert, lid van VGA.

2.2.

VGA stelt zich krachtens haar statuten tot doel het behartigen van belangen van degenen die eigenaar, vruchtgebruiker, huurder en/of feitelijk gebruiker zijn van de in Alexandrium III gelegen winkelruimten en parkeerfaciliteiten.

2.3.

De financiering van de activiteiten van VGA vindt plaats door bijdragen van de leden. Jaarlijks wordt door de algemene vergadering een begroting opgesteld waarin de totaal benodigde contributie voor het komende boekjaar wordt opgenomen. Deze totaal benodigde contributie wordt krachtens artikel 8.2. van de statuten omgeslagen over de leden van VGA op basis van het door ieder lid in gebruik zijnde verhuurbaar vloeroppervlak.

2.4.

In artikel 8.2. is een reductieregeling opgenomen, die (voor zover relevant) als volgt is omschreven:

“(…) Indien na afloop van een boekjaar blijkt dat een lid in het desbetreffende boekjaar een zodanig bedrag aan de vereniging heeft afgedragen als bijdrage aan de hiervoor vermelde reclamekosten dat dit meer beloopt dan twee vijf/tiende procent (2,5%) van de door hem in “Alexandrium III” gegenereerde omzet (zijnde de omzet inclusief Belasting Toegevoegde Waarde) dan wordt het meerdere boven die twee vijf/tiende procent (2,5%) op de bijdrage van dat lid in mindering gebracht in het volgende begrotingsjaar.

Een lid dat met een beroep op het vorenstaande om reductie verzoekt dient bij de begrotingsbehandeling, bij brief te richten aan het bestuur, aan te kondigen dat een beroep op de reductiemogelijkheid zal worden gedaan, waarna een controle volgt van de twee vijf/tiende procent-clausule over de gefactureerde omzet (als bedoeld in de vorige zin), welke herleid wordt tot de omzet inclusief Belasting Toegevoegde Waarde waarvoor de twee vijf/tiende procent-clausule, als hiervoor bedoeld, toepasselijk is, door een door de vereniging aan te stellen accountant, van de jaarstukken over het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft. Voor een beroep op de reductie is de medewerking aan de controle verreist. De reductie kan pas worden uitgevoerd wanneer deze toetsing is afgerond. Totdat de toetsing is uitgevoerd is het lid overeenkomstig het besluit van de algemene vergadering verplicht tot de volledige contributiebijdrage. (…)

2.5.

Op 23 juli 2018 heeft VGA bij dagvaarding een procedure aangespannen tegen [eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] , [eiser 2 in conventie / verweerder 2 in reconventie] en [eiser 3 in conventie / verweerder 3 in reconventie] . In die procedure stelde VGA dat [eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] een betalingsachterstand in de contributie had laten ontstaan van € 23.738,17, berekend tot en met april 2018.

2.6.

Op 14 januari 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden in de onder 2.5 bedoelde procedure. In het proces-verbaal van die comparitie is opgenomen dat partijen een regeling hebben getroffen. In deze regeling, die door beide partijen is ondertekend, is, voor zover nu relevant, het volgende overeengekomen:

“1. Partij [eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] betaalt partij Vereniging van Gebruikers Alexandrium III te Rotterdam een bedrag van € 34.000,-- dit betreft de achterstand in bijdragen tot en met december 2018 en de proceskosten en incassokosten.

(…)

3. Partijen verklaren dat zij na voornoemde betaling ter zake van het onderhavige geschil niets meer van elkaar te vorderen hebben.

(…)

5. Partijen vragen doorhaling van de procedure.”

2.7.

Op 8 mei 2019 is namens VGA een brief gezonden aan [eiser 1 in conventie / verweerder 1 in reconventie] waarin, voor zover van belang, wordt vermeld:

“Eerder heeft u het verzoek gedaan om in aanmerking te komen voor een verlaging van de promotiebijdrage. Per mail van 10 april jl. heeft u via uw accountant bij ons uw omzetgegevens over het afgelopen boekjaar 2018 aangeleverd en hebben wij dit verder in behandeling genomen. Hierbij wordt in het belang van de ondernemer beoordeeld of de bijdrage in een juiste verhouding is ten opzichte van de gerealiseerde omzet.

(…)

Uw gecorrigeerde bijdrage voor 2019 wordt daarmee € 4.988,31 + € 5.346,39 =

€ 10.334,70 per jaar, een korting van € 11.666,58. Deze korting zal gelijkelijk worden verdeeld over de nog resterende te factureren maanden van het lopende jaar.

Aan de korting worden echter wel de volgende voorwaarden gesteld:

- de bijdrage over 2017, 2018 en reeds ontvangen termijnen over 2019 blijven ongewijzigd en moeten volledig worden voldaan (desnoods middels betalingsregeling);

- de door uw accountant aangeleverde omzetgegevens volledig in orde zijn;

- de korting geldt alleen voor het lopende boekjaar 2019;

- de gecorrigeerde bijdrage moet na het ontvangen van de factuur binnen de daarvoor gestelde termijn worden voldaan. Het niet nakomen van de betalingsafspraken heeft tot gevolg dat de korting wordt teruggedraaid en de oorspronkelijke bijdrage van toepassing blijft;

- de omzetgegevens over 2019 moeten in Q1 – 2020 opnieuw worden aangeleverd bij het bestuur;

- aan de verleende korting over 2019 kunnen geen rechten worden ontleend voor de daarop volgende jaren.

3. Het geschil

3.1.

Eisers hebben in conventie bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 14 januari 2019 te herroepen, in dier voege dat de verplichting van eisers om VGA het (restant-)bedrag te betalen teniet worde gedaan, het e.e.a. een bedrag van € 25.000,- niet te boven gaand. Subsidiair vorderen zij VGA te veroordelen om aan eisers te betalen een bedrag van € 21.590,- zijnde de berekende korting over de boekjaren 2016 en 2017. Een en ander met veroordeling van VGA in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan hun vordering hebben eisers (samengevat) het volgende ten grondslag gelegd. Ten tijde van de comparitie van partijen in de eerdere procedure tussen partijen waren eisers niet op de hoogte van reductieregeling, omdat zij niet over de statuten beschikten. Die statuten hebben zij pas in mei 2019 ontvangen. Over de jaren 2016 en 2017 komt [eiser 1] in aanmerking voor een reductie van € 21.590,- en ook in 2018 komen zij in aanmerking voor reductie. Het vonnis is daarom tot stand gekomen op basis van onjuiste informatie.

3.3.

VGA heeft de vordering van eisers betwist en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De statuten van VGA zijn geplaatst op een intranetportaal waarop alle belangrijke documenten van de vereniging staan. Ook eisers hebben hiertoe toegang. Zij zijn ook op het bestaan van dit portaal gewezen. Eisers kunnen niet met terugwerkende kracht een reductie krijgen. Uit de statuten blijkt dat dit slechts kan worden aangevraagd ten aanzien van het jaar voorafgaand aan de begrotingsbehandeling.

3.4.

VGA vordert in reconventie dat eisers worden veroordeeld tot betaling van de achterstand in de bijdrage ad € 24.939,98 en voert hiertoe het volgende aan. Eisers hebben de bijdrage vanaf januari 2019 niet volledig betaald. De bijdrage bedraagt € 2.218,46 per maand, zodat zij berekend tot en met januari 2020 een bedrag van € 28.839,98 verschuldigd zijn geworden. Eisers hebben in totaal echter slechts een bedrag van € 3.900,- betaald, waardoor de achterstand € 24.939,98 bedraagt.

3.5.

Eisers betwisten de reconventionele vordering van VGA en voeren daartoe het volgende aan. Het is merkwaardig dat VGA aanspraak maakt op de volledige bijdrage, hoewel eisers de reductieregeling hebben ingeroepen. Bovendien zijn grote bedragen kwijtgescholden vanwege de coronacrisis en is de bijdrage over 2019 op de laatste ledenvergadering te hoog gebleken. Eisers beroepen zich ter zake op compensatie.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

Eisers vorderen herroeping van het vonnis van 14 januari 2019. Het processtuk van 14 januari 2019 betreft echter geen vonnis, maar een proces-verbaal waarin is vastgelegd welke regeling partijen hebben getroffen. Partijen hebben in de regeling doorhaling van de procedure gevraagd hetgeen die kantonrechter ook heeft gedaan, zodat in dat betreffende geschil, conform de wens van partijen, geen vonnis is gewezen. Herroeping van een vonnis ex artikel 382 Rv is dan ook niet aan de orde. De primaire vordering van eisers wordt bij gebreke van een grondslag daarom afgewezen.

4.2.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering van eisers, te weten de vordering tot betaling van VGA aan hen van € 21.590,-, zijnde de door eisers berekende korting over de jaren 2016 en 2017, wordt het volgende overwogen. Partijen zijn op de comparitie van partijen in de eerdere procedure overeengekomen dat [eiser 1] ten aanzien van de bijdragen tot en met december 2018 (en proceskosten en incassokosten) nog een bedrag van € 34.000,- verschuldigd is. Partijen hebben elkaar verder over en weer finale kwijting verleend ten aanzien van dat geschil. Eisers zijn dan ook gehouden die overeenkomst na te komen. Te meer omdat zij ter zitting werden bijgestaan door een professioneel gemachtigde, zodat er van mocht worden uitgegaan dat zij deugdelijk waren geïnformeerd over de gegrondheid en rechtmatigheid van de betreffende vordering. Het had op de weg van eisers gelegen om de statuten destijds, indien zij daar niet reeds over beschikten, op te vragen bij VGA, maar hiervan is niets gebleken. Nu gesteld nog gebleken is dat de op de comparitie van partijen getroffen overeenkomst is ontbonden of vernietigd, of dat partijen anders zijn overeengekomen, zijn eisers gebonden aan deze overeenkomst. Op grond hiervan kan de subsidiaire vordering (tot betaling van een ander bedrag) niet worden toegewezen.

4.3.

Voor zover gedaagden met hun subsidiaire vordering met terugwerkende kracht een beroep hebben willen doen op de reductieregeling is voor toewijzing van de vordering ook geen plaats. Uit de reductieregeling volgt immers dat slechts een beroep kan worden gedaan op de reductieregeling bij de begrotingsbehandeling van het daaropvolgende jaar. Eisers kunnen dus niet met terugwerkende kracht voor eerdere jaren een beroep doen op deze reductieregeling. Ook bij deze lezing van de subsidiaire vordering is voor toewijzing dus geen plaats. Nog daar gelaten dat er op grond van de statuten nooit recht op uitbetaling van teveel betaalde bijdrage bestaat, maar eventueel teveel betaalde bijdrage in mindering strekt op de te betalen bijdrage in het volgende begrotingsjaar (indien een beroep is gedaan op de reductieregeling).

4.4.

Als de in het ongelijk gestelde partij worden eisers veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VGA vastgesteld op € 960,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 480,-).

in reconventie

4.5.

VGA vordert in reconventie betaling van € 24.939,98 aan achterstallige bijdragen, berekend vanaf januari 2019 tot en met januari 2020. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

4.6.

Door VGA is niet betwist dat zij [verweerder 1] bij brief van 8 mei 2019 heeft gemeld dat [verweerder 1] over 2019 een gecorrigeerde bijdrage verschuldigd is van € 10.334,70 per jaar, zoals door eisers bij dagvaarding aangevoerd. VGA stelt dat zij desalniettemin aanspraak maakt op de gehele bijdrage omdat [verweerder 1] niet heeft voldaan aan de gestelde voorwaarden. [verweerder 1] heeft dit betwist en aangevoerd dat de gegevens van haar accountant niet zijn betwist. VGA heeft daarop haar vordering niet nader onderbouwd door te specificeren aan welke voorwaarden niet is voldaan. Op grond van het voorgaande staat in deze procedure slechts vast dat [verweerder 1] over 2019 een jaarbijdrage van € 10.334,70 verschuldigd is.

4.7.

VGA betrekt verder ook januari 2020 in haar vordering en vordert over deze maand dezelfde contributie als over 2019. Zij heeft hiertoe echter onvoldoende gesteld. In haar latere aktes stelt zij immers dat voor 2020 een nieuwe begroting is vastgesteld. Het had op haar weg gelegen om te onderbouwen dat [verweerder 1] over 2020 dezelfde maandbijdrage als 2019 verschuldigd is. De vordering van VGA met betrekking tot januari 2020 wordt daarom afgewezen.

4.8.

Op grond van het voorgaande dient beoordeeld te worden of [verweerder 1] de (gecorrigeerde) jaarbijdrage over 2019 van € 10.334,70 (nog) verschuldigd is. Door eisers is niet betwist dat zij ten aanzien van deze bijdrage ‘slechts’ een bedrag van in totaal € 3.900,- hebben voldaan. Derhalve kan in beginsel de vordering van VGA worden toegewezen tot een bedrag van € 6.434,70.

4.9.

Eisers hebben bij conclusie van antwoord in reconventie nog aangevoerd dat grote bedragen zijn kwijtgescholden vanwege de coronacrisis en dat de bijdrage over 2019 te hoog is gebleken. Dit verweer is door VGA gemotiveerd betwist en daarop niet nader onderbouwd door eisers. Als onvoldoende gemotiveerd betwist wordt de reconventionele vordering daarom toegewezen tot een bedrag van € 6.434,70.

4.10.

Aangezien beide partijen voor een gedeelte in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vorderingen van eisers af;

veroordeelt eisers in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VGA vastgesteld op € 960,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

veroordeelt eisers tot betaling aan VGA van een bedrag van € 6.434,70 aan contributie over het jaar 2019;

compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394