Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10264

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
C/10/594132 / FA RK 20-2228
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De man verzoekt dat hij met het eenhoofdig gezag wordt belast, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn en nihilstelling van de kinderbijdrage. De vrouw is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De man doet zijn verzoeken met het oog op het realiseren van omgang tussen hem en de minderjarige. De vrouw weigert, ondanks eerder bepaalde dwangsommen, uitvoering te geven aan de zorgregeling. Rechterlijke uitspraken zijn voor de vrouw geen reden om het contact tot stand te laten komen, zodat als uiterste redmiddel wijziging van het ouderlijk gezag moet worden ingezet. De rechtbank weegt mee dat de man heeft verklaard dat hij omgang tussen de vrouw en de minderjarige zal laten plaatsvinden, onderzoek heeft gedaan naar een school voor de minderjarige en dat zijn familie bereid is om de minderjarige op te vangen wanneer dat nodig is. Omdat het verzoek tot eenhoofdig gezag zal worden toegewezen, wordt, bij gebrek aan belang, het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0294
FJR 2021/43.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/594132 / FA RK 20-2228

Beschikking van 11 november 2020 betreffende het ouderlijk gezag en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [postcode man] [woonplaats man] , [adres man] ,

advocaat mr. F. Özdemir-Sahin te Amsterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende op een geheim adres,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 31 maart 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op

3 november 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. G. Cekic namens mr. F. Özdemir-Sahin;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Het huwelijk van partijen is op 16 januari 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 november 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2016 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Bij voornoemde beschikking van 14 november 2018 is bepaald dat zal worden toegewerkt naar een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), waarbij de minderjarige één weekend per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen bij de man zal verblijven, waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige weer naar de vrouw terugbrengt. Tevens is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal voldoen een bedrag van € 146,- per maand.

2.5.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2019 is de vrouw, bij verstek, veroordeeld tot nakoming van de tussen partijen afgesproken zorgregeling, namelijk dat de man en de minderjarige iedere woensdag contact met elkaar zullen hebben tussen 13:00 en 15:00 uur, op straffe van een dwangsom van
€ 250,- per keer dat de vrouw in gebreke blijft tot een maximum van € 5.000,- is bereikt.

2.6.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2020 is de vrouw veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling, zoals bepaald bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2018, in die zin dat de opbouw zal zijn als volgt:

- de minderjarige zal op 7, 14, 21 en 28 maart 2020 van 11:00 tot 17:00 uur bij de man verblijven;

- de minderjarige zal van 11 tot 12 april 2020 en van 25 tot 26 april 2020 van zaterdag 10:00 tot zondag 10:00 uur bij de man verblijven;

- de minderjarige zal vanaf 9 mei 2020 eens per veertien dagen van zaterdag 10:00 tot zondag 17:00 uur bij de man verblijven;

waarbij vanaf het moment dat de minderjarige bij de man gaat overnachten, de vrouw de minderjarige bij de man zal brengen en de man de minderjarige bij de vrouw terug zal brengen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat de vrouw in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

3. De beoordeling

3.1.

Gezag

3.1.1.

De man verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan hem toekomt.

3.1.2.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

3.1.3.

De man stelt onweersproken dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag. Ook stelt de man onweersproken dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Gelet daarop ligt het verzoek in beginsel voor toewijzing gereed. Er zijn voor de rechtbank geen redenen om – ambtshalve oordelend – van dat beginsel af te wijken. De rechtbank wijst in dit verband op het advies dat de raad geeft tijdens de mondelinge behandeling. Volgens de raad is het in het belang van de minderjarige dat zij met beide ouders regelmatig contact heeft en dat, gelet op de weigerachtige houding van de vrouw om mee te werken aan een zorgregeling, het in het belang van de minderjarige is de man alleen met het ouderlijk gezag over haar te belasten. Dit is een begrijpelijk advies. Hoewel er al vaker een zorgregeling tussen de man en de minderjarige is afgesproken en door de rechtbank is vastgesteld, wordt die, ook na het tot tweemaal toe opleggen van dwangsommen, door toedoen van de vrouw niet nagekomen. Ook tijdens deze mondelinge behandeling verschijnt de vrouw niet. Volgens de man zijn gerechtelijke uitspraken voor de vrouw geen reden om contact tussen de man en de minderjarige tot stand te laten komen. De man onderbouwt zijn stelling met productie 14; een e-mail waarin de vrouw aangeeft dat zij ‘niet schrikt van boetes of uitspraken van de rechter’. De vrouw verwijst in deze e-mail bovendien naar ‘de uitspraken van de rechter boven ons’, waarmee zij niet de Nederlandse rechtspraak bedoelt. Inmiddels is de vrouw niet meer bereikbaar voor de man op de hem bekende vaste verblijfplaats van de vrouw. Ogenschijnlijk is dit een extra poging van de vrouw om omgang tussen de man en de minderjarige onmogelijk te maken.

Daartegenover stelt de man gemotiveerd dat hij ook bij eenhoofdig gezag, nog steeds omgang tussen de vrouw en minderjarige zal laten plaatsvinden.

Daarnaast heeft de man verklaard dat hij al onderzoek heeft gedaan naar een school voor de minderjarige bij hem in de buurt en dat zijn familie bereid is de minderjarige op te vangen wanneer dat nodig is. Er is dus niet gebleken van de situatie dat de ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt door eenhoofdig gezag bij de man en daarop volgend, een wijziging van zijn hoofdverblijfplaats.

Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

3.2.

Verblijfplaats

3.2.1.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn.

Omdat in deze beschikking zal worden bepaald dat de man met het eenhoofdig gezag over de minderjarige wordt belast, heeft de man geen toestemming van de vrouw of vervangende toestemming van de rechtbank meer nodig om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te wijzigen. De man heeft hierdoor geen belang meer bij zijn verzoek zodat het verzoek wordt afgewezen.

3.3.

Onderhoudsbijdrage

3.3.1.

De man verzoekt wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2018, in die zin, dat de in die beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 oktober 2019 wordt bepaald op nihil.

Omdat de man met ingang van deze beschikking het eenhoofdig gezag over de minderjarige zal uitoefenen en om die reden de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal bepalen, zal het verzoek tot nihilstelling worden toegewezen.

De man verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat hij zich erin kan vinden als de ingangsdatum van de nihilstelling wordt bepaald op de datum van deze beschikking en dus zonder verplichting van de vrouw om eerder betaalde bedragen terug te betalen, omdat hij erop vertrouwt dat de vrouw de al betaalde kinderbijdragen ten goede heeft laten komen aan de minderjarige.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2016 te [geboorteplaats minderjarige] , voortaan aan de man toekomt;

4.2.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2018 in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 11 november 2020 wordt bepaald op nihil;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A.C. van Dijk op

11 november 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.