Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10240

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
10/165881-19 / vorderingen TUL VV: 10/176620-17 + 10/660007-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag/zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/165881-19

Parketnummers vorderingen TUL VV: 10/176620-17 + 10/660007-18

Datum uitspraak: 13 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde (poging doodslag);

  • -

    partiële vrijspraak van het ten laste gelegde medeplegen en het dichtknijpen/-drukken van de keel van de aangever;

  • -

    bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging zware mishandeling);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek van voorarrest, waarvan 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een contact- en locatieverbod vanwege de aangever;

  • -

    afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 10/176620-17 en 10/660007-18.

4. Waardering van het bewijs

Standpunt officier van justitie

Bewezen kan worden dat de verdachte een poging heeft gedaan om aangever [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een stok in het gezicht te slaan. De aangever heeft dat immers verklaard en die verklaring wordt ondersteund door het letsel dat hij heeft opgelopen, van het ontstaan van welk letsel een forensisch arts bovendien (uit de geboden alternatieven) als meest waarschijnlijke verklaring heeft aangemerkt het slaan met een stok.

Beoordeling

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag, het ten laste gelegde medeplegen en het dichtknijpen/-drukken van de keel niet kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vraag of bewezen kan worden dat de verdachte een poging heeft gedaan om aangever [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een stok in het gezicht te slaan, overweegt de rechtbank als volgt.

Op 26 mei 2019 waren de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] aanwezig in de woning van [naam slachtoffer] . Zij hebben daar gezamenlijk cocaïne gebruikt. Op enig moment is onenigheid ontstaan tussen [naam slachtoffer] aan de ene kant en de verdachte en [naam medeverdachte] aan de andere kant, wat ertoe heeft geleid dat [naam slachtoffer] letsel heeft opgelopen in zijn gezicht, bestaande uit (oppervlakkige) schaafwonden, bloeduitstortingen en scheurverwondingen. Bovendien is ter plaatse een afgebroken (wandel)stok met bloed op het uiteinde aangetroffen.

[naam slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat de verdachte en [naam medeverdachte] zijn telefoon hadden afgepakt, wat voor hem aanleiding was om de deur van de woning op slot te draaien en zijn telefoon terug te eisen, en dat [naam medeverdachte] hem vervolgens met een mes heeft bedreigd en dat beide verdachten hem daarna meermalen met hun vuisten en een stok op zijn hoofd en lichaam hebben geslagen.

De verklaringen van de verdachte en [naam medeverdachte] komen er kort gezegd op neer dat [naam slachtoffer] ‘doorsloeg’, dat hij de overgebleven drugs afpakte, de deur op slot draaide en dreigend met een stok in zijn handen terug de woonkamer in kwam. [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij in een daarop ontstane worsteling – na een door [naam slachtoffer] verijdelde poging om de woning via het balkon te verlaten – [naam slachtoffer] tweemaal uit zelfverdediging met een vuist in het gezicht heeft geslagen. De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens die worsteling tussen [naam slachtoffer] en [naam medeverdachte] heeft geprobeerd de stok uit de handen van [naam slachtoffer] te krijgen en dat die stok daarbij in tweeën is gebroken, waarbij een uiteinde van de stok vermoedelijk in het gezicht van [naam slachtoffer] terecht is gekomen.

In zijn tweede verklaring heeft [naam slachtoffer] toegegeven dat hij voorafgaand aan het incident drugs van de tafel had gepakt en in zijn zak had gestopt en dat hij vervolgens als eerste de stok in zijn handen heeft genomen.

De rechtbank kan op grond van de (op relevante onderdelen) inconsistente verklaringen van [naam slachtoffer] , afgezet tegen de min of meer gelijkluidende en niet onaannemelijke verklaringen van de verdachte en [naam medeverdachte] , met onvoldoende mate van zekerheid conclusies trekken over het ontstaan van het letsel van [naam slachtoffer] en – indien en voor zover dat letsel door toedoen van de verdachte is ontstaan – over het opzet dat de verdachte op het toebrengen daarvan heeft gehad. De door de officier van justitie aangehaalde conclusie van de forensisch arts doet daar, mede vanwege de relatief geringe bewijskracht die de arts zelf aan haar bevindingen toekent, niet aan af.

Conclusie

Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5. Vordering benadeelde partij

[naam slachtoffer] heeft zich ter zake van het ten laste gelegde feit als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.000,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 15,00 aan proceskosten.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding dus geen inhoudelijke beslissing genomen.

6. Vorderingen tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 29 november 2017 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van – kort gezegd - poging tot diefstal door middel van braak veroordeeld voor zover van belang tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 13 december 2017.

Bij vonnis van 13 april 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van – kort gezegd – diefstal door middel van braak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan een gedeelte groot 131 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De proeftijd is ingegaan op 1 mei 2018.

Beide vorderingen tot tenuitvoerlegging zullen worden afgewezen omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

7. Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 29 november 2017 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 13 april 2018 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Boer, voorzitter,

en mrs. V.M. de Winkel en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 november 2020.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 mei 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- die [naam slachtoffer] meermalen met een (wandel)stok en/of een knuppel op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug, althans tegen het lichaam heeft geslagen en/of

- de keel van die [naam slachtoffer] heeft dicht geknepen/gedrukt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.