Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10234

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
10/741063-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag.

Bewezenverklaring voortgezette handeling van poging tot zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Tijdens het uitgaan in het centrum van Rotterdam zijn drie mannen zonder enige aanleiding in het gezicht geslagen door twee daders, van wie één de verdachte. De verdachte heeft ook aan één van de mannen een ‘high kick’ tegen het hoofd gegeven.

Veroordeling tot een gevangenisstraf van acht maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741063-19

Datum uitspraak: 11 november 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte]

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht, Kerkeplaat 25, 3313 LC Dordrecht,

raadsman mr. A.J.M. Vélu, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Blanken heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde, wat betreft eerstgenoemd feit met uitzondering van het ten laste gelegde medeplegen;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 11 maart 2020 alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 30 november 2019 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

eenmaal op/tegen het hoofd van voornoemde [naam slachtoffer 1] heeft geschopt of getrapt

(terwijl voornoemde [naam slachtoffer 1] weer was opgestaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 30 november 2019 te Rotterdam,

op de openbare weg, te weten op het Stadhuisplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 3] ,

welk geweld bestond uit het meerdere malen, althans eenmaal, in het

gezicht en/of op het hoofd van voornoemde

[naam slachtoffer 2] en voornoemde [naam slachtoffer 1] en voornoemde [naam slachtoffer 3]

slaan en/of stompen, terwijl het door hem, verdachte, gepleegde geweld

enig lichamelijk letsel (te weten een snee in de neus en een zwelling

van de neus) voor voornoemde [naam slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de voortgezette handeling van

(feit 1 impliciet subsidiair):

poging tot zware mishandeling;

en

(feit 2):

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Tijdens het uitgaan in het centrum van Rotterdam zijn drie mannen zonder enige aanleiding in het gezicht geslagen door twee daders, van wie één de verdachte. Eén van de slachtoffers heeft daardoor letsel aan zijn neus opgelopen en een ander kwam daardoor ten val. Daarna heeft de verdachte het laatstgenoemde slachtoffer, terwijl deze net was opgestaan na de val, een zogenaamde ‘high kick’ tegen het hoofd gegeven waardoor dit slachtoffer opnieuw ten val kwam. Dat het slachtoffer niet ernstig gewond is geraakt is een min of meer gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte te danken is. Feiten als deze veroorzaken ernstige gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, in de eerste plaats bij de betrokken slachtoffers. De verdachte was tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol en drugs en heeft nota bene zelf de confrontatie gezocht door in het voorbijgaan één van de slachtoffers aan te stoten. Nadat deze hem daarop aansprak is het bovengenoemde totaal onnodige en zinloze geweld toegepast. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

12 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk met geweld gepaard gaand strafbaar feit, waarvoor hij tot ongeveer anderhalve maand voor het huidige feit een gevangenisstraf heeft uitgezeten.

7.2.2.

Rapporten

Het Leger des Heils, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 maart 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is bij de betrokkene sprake van een delictpatroon aangaande gewelds- en vermogensdelicten. Hij heeft een verstandelijke beperking. Daarnaast zijn er vermoedens van persoonlijkheidsproblematiek en worstelt hij al jaren met sombere gedachten. Hij komt tijdens het gesprek in de penitentiaire inrichting oprecht over als hij vertelt te willen veranderen, echter komt er niets terecht van zijn voornemens op het moment dat hij uit detentie is. Er is sprake van onmacht bij betrokkene. Hij lijkt zichzelf te overschatten met het gevolg dat dingen hem niet lukken en hij vervolgens in een negatieve spiraal terecht komt, waardoor hij terugvalt in middelengebruik omdat hij zich somber voelt door het falen en de problemen die op zijn pad komen. Het risico op een misdrijf met schade voor personen is groot omdat de betrokkene eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten en de onderhavige strafzaak ook een geweldsdelict betreft. Om deze hoge kans op recidive te verminderen, is verdere diagnostiek noodzakelijk met daarop volgend behandeling gericht op onder andere agressie/emotieregulatie en middelenproblematiek (cannabis, alcohol en gokken). Daarnaast is hulp op praktisch gebied zoals het vinden van huisvesting, dagbesteding en financiën geïndiceerd. De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht vanwege het grote risico op een misdrijf met schade voor personen.

In de e-mail van 27 oktober 2020 geeft de reclassering aan reclasseringstoezicht zeer wenselijk te achten daar de verdachte hulp nodig heeft op vrijwel alle levensgebieden om zijn leven weer op de rit te krijgen. De reclassering acht een alcohol- en drugsverbod niet haalbaar.

De rechtbank heeft hierop acht geslagen.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de

rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Omdat er, gezien de problematiek waarmee de verdachte kampt en het daardoor terugvallen in middelengebruik in combinatie met zijn strafrechtelijk verleden, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden, inhoudende een meldplicht, het deelnemen aan een gedragsinterventie, een ambulante behandelverplichting en het meewerken aan diagnostiek, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 56, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. de veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie Leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik waarbij de reclassering bepaalt welke training het precies wordt en de betrokkene zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

  2. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van en zich laten begeleiden met praktische zaken als wonen, werken en financiën door Stichting Ontmoeting te Rotterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start zodra er plaats is en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding. De veroordeelde geeft inzicht in zijn financiën en werkt mee aan aflossingsregelingen;

  3. de veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en laat zich behandelen door Forensische Polikliniek Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plaats is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal zich binnen drie dagen na heden melden bij Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, Abraham van Stolkweg 140 te Rotterdam en medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.A. Baggerman, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en K. Versteeg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 november 2020.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

meerdere malen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen het

hoofd van voornoemde [naam slachtoffer 1] heeft geschopt en/of heeft getrapt

(terwijl voornoemde [naam slachtoffer 1] op de grond lag en/of (vervolgens) weer

was opgestaan), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

2.

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Rotterdam,

op of aan de openbare weg, te weten op/aan het Stadhuisplein, in elk geval op

of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 3] ,

welk geweld bestond uit het meerdere malen, althans eenmaal, in/op/tegen het

gezicht en/of op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam van voornoemde

[naam slachtoffer 2] en/of voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of voornoemde [naam slachtoffer 3]

slaan en/of stompen, terwijl het door hem, verdachte, gepleegde geweld

enig lichamelijk letsel (te weten een snee in de neus(brug) en/of een zwelling

van de neus) voor voornoemde [naam slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad.