Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:10114

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
C/10/584964 / HA ZA 19-1002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap tussen ex-partners. Polis op beider naam, hypothecaire geldlening ook maar woning alleen op naam man. Van wie zijn de polis, de inboedel en de auto?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/584964 / HA ZA 19-1002

Vonnis van 4 november 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. Turner te 's-Gravendeel.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende akte tot wijziging / vermeerdering van eis,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    de overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben circa 22 jaar een affectieve relatie gehad en zij hebben samengewoond in de periode 1 januari 2002 tot en met mei 2018. Uit deze relatie is een thans nog minderjarige zoon geboren, die ten tijde van de dagvaarding 8 jaar oud was.

2.2.

Partijen hebben een (notariële) samenlevingsovereenkomst gesloten op 20 oktober 2008. Daarin wordt de man aangeduid als comparant 1 en de vrouw als comparant 2.

2.3.

In de samenlevingsovereenkomst staat onder meer (onderstreping van zinnen door de rechtbank):

doel-

Artikel 1

Met deze overeenkomst willen partijen onder meer regelen:

1. a. de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

b. de gemeenschappelijke goederen;

c. de gemeenschappelijke woning;

d. de pensioentoekenning.

2. Partijen beschouwen deze regeling mede als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.

Zij komen overeen deze natuurlijke verbintenis hierbij om te zetten in een rechtens afdwingbare.

[..]

GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

1. […].

2. […] Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Onder inkomen wordt verstaan het besteedbaar inkomen, verminderd met de daarover verschuldigde belastingen, premies sociale verzekeringen, andere wettelijke inhoudingen of heffingen, alsmede de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen.

3. Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van het inkomen, of zoveel meer als partijen wensen, wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.

4. Indien slechts één van de partijen inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

5. […]

Artikel 4

1. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen onder meer gerekend de huurtermijnen betreffende de door partijen tezamen bewoonde woning, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering, de kosten van gezamenlijke vakanties en de kosten van medische verzorging.

2. Premies van levens-, ongevallen en overlijdensrisicoverzekering (daaronder het risicodeel van een gemengde verzekering begrepen) vallen niet onder de kosten van de huishouding. De begunstigde partij dient tevens verzekeringnemer te zijn van een dergelijke verzekering en indien dat niet het geval is, wordt de begunstigde partij geacht verzekeringnemer te zijn.

Deze begunstigde partij draagt de deswege verschuldigde of betaalde premies of koopsommen.”

GEMEENSCHAPPELIJKE BANK- EN/OF GIROREKENINGEN

Artikel 5

De saldi op eventuele gemeenschappelijke bank- en/of girorekeningen zullen partijen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren.

GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING

Artikel 6

1. Indien te eniger tijd door partijen een gemeenschappelijk te bewonen woning wordt gehuurd, verplichten zij zich jegens elkaar eraan mede te werken dat de huurovereenkomst wordt aangegaan door hen beiden als huurders.

2. Indien partijen gezamenlijk wonen in een door één van hen gehuurde woning, is de huurder verplicht de verhuurder te vragen ermee in te stemmen, dat de ander mede-huurder wordt, op de wijze als bedoeld in artikel 7:267 lid 1 Burgerlijk Wetboek. De huurder is verplicht de nodige medewerking te verlenen.

3. Indien partijen gezamenlijk wonen in een woning welke één van hen toebehoort, heeft deze geen recht op vergoeding door de andere partij behoudens het in artikel 4 lid 3bepaalde.

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/ of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal geen rente dragen”

- na artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst:

AANBRENGSTEN EN MEDE-EIGENDOM VAN INBOEDEL

De inboedel (in de zin van artikel 3:5 Burgerlijk Wetboek), aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding, behoort geheel toe aan de comparant sub 1.

leder blijft eigenaar van de kleding, sieraden en overige persoonlijke goederen, welke hij of zij in gebruik heeft of welke tot zijn of haar persoonlijk gebruik bestemd zijn, alsmede van alle goederen waarvan partijen hebben vastgelegd of zullen vastleggen, dat zij privé-eigendom blijven van één van hen.”

2.4.

Aan de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst ging vooraf een brief van de notaris aan partijen van 10 oktober 2008 met als bijlagen het concept van de samenlevingsovereenkomst en een toelichting bij dit concept. De toelichting luidt, wat betreft het onderdeel ‘premies’ op de (na te melden) polis, als volgt:

“Artikel 4. Kosten Huishouding

Artikel 4.1.

[…]

Artikel 4.2.

Als op de polis is vermeld dat de begunstigde (degene die uiteindelijk de uitkering krijgt) de premie is verschuldigd, dan wordt voorkomen dat over de verzekeringsuitkering successierecht moet worden betaald.”

2.5.

De man is alleen eigenaar van de woning aan het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] , gemeente Hoeksche Waard (hierna: de woning). De woning is op 19 september 2018 getaxeerd op een waarde van € 255.000. Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk jegens (voorheen) de Fortis Bank N.V voor een aflossingsvrije hypothecaire geldlening van € 274.000, welke lening is aangegaan ter financiering van de aanschaf van de woning door de man. De vrouw heeft zich mede hoofdelijk verbonden voor deze schuld omdat daardoor een hogere geldlening kon worden verkregen.

2.6.

Aan de hypothecaire geldlening is een polis van spaarhypotheekverzekering gekoppeld bij de ASR Levensverzekering N.,V. (voorheen Fortis Bank) onder nummer [nummer polis] . Op de polis staat: “Beide verzekeringnemers treden op voor een onverdeeld gelijk aandeel in de verzekering.” De polis had eind 2018 een waarde van € 54.003,75. De uitkering onder de polis is verpand aan de bank.

2.7.

Partijen zijn in mei 2018 gescheiden gaan leven. Op 5 november 2018 heeft de man aan de vrouw medegedeeld dat hij voortzetting/ hervatting van de samenleving niet meer ziet zitten en daarbij aan de vrouw verzocht de samenlevingsovereenkomst af te wikkelen.

3. De vordering en het verweer

3.1.

De vrouw vordert na eisvermeerdering, bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a.1 Toe te delen aan de man, onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt

ontslagen uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld die rust op de onroerende zaak [adres] ( [postcode] )

[woonplaats] , de rechten uit de levensverzekering, gesloten bij de ASR Levensverzekering N.V. (voorheen) Fortis Bank, onder polisnummer [nummer polis] , onder de gehoudenheid om aan de vrouw te betalen de helft van de waarde van de polis nummer [nummer polis] op het tijdstip van feitelijke verdeling.

a.2 De man te veroordelen om alle door de verzekeringsmaatschappij in verband met

deze levering verlangde stukken te ondertekenen.

b. De man te veroordelen aan de vrouw te betalen, binnen 7 dagen na betekening van het vonnis in deze zaak, een bedrag € 7.500,00 ten titel van overbedeling inboedelgoederen.

c. De man te veroordelen aan de vrouw af te geven haar volledig administratie, waaronder in ieder geval belastingdocumenten, oude paspoorten, diploma’s, correspondentie en kleding, sieraden en overig persoonlijke goederen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, en de man te veroordelen om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag of gedeelte van de dag dat de man verwijtbaar weigert aan de hierboven omschreven afgifteverplichting te voldoen.

d. De man te veroordelen ex artikel 843a RV tot inzageverplichting in bepaalde bescheiden meer specifiek de transactieoverzichten van de gemeenschappelijke en/of bankrekening ABN AMRO vanaf 1 mei 2017 tot en met december 2018.

e. De man te veroordelen aan de vrouw te betalen, binnen 7 dagen na betekening van het vonnis in deze zaak, de helft van het saldo op de en/of bankrekening per 5 november 2018 of per enige datum welke uw rechtbank juist acht.

f. De man te veroordelen aan de vrouw te betalen, binnen 7 dagen na betekening van het vonnis in deze zaak, een bedrag € 3.000,00 ten titel van overbedeling personenauto.

g. Primair te bepalen dat de man de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening bij de (voorheen) Fortis Bank ad totaal € 274.000,00 als eigen schuld op zich neemt en aflost, dat de man zich er voor inspant dat de (voorheen) Fortis Bank de vrouw ontslaat uit de hoofdelijke verplichtingen ter zake deze hypotheekschuld, en dat de man de (notariële) kosten daaraan verbonden geheel voor zijn rekening neemt, bij gebreke waarvan:

Subsidiair te verklaren voor recht dat de man jegens de vrouw bij uitsluiting (intern) draagplichtig is voor al hetgeen partijen uit hoofde van de hypothecaire geldlening ter verkrijging van de woning aan het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] , gemeente Hoeksche Waard aan de (voorheen) Fortis Bank verschuldigd zijn.

h. kosten rechtens.

3.2.

De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

4. De beoordeling

4.1.

De rechtbank staat de eisvermeerdering van de vrouw toe. Deze vermeerdering is eenvoudig van aard en niet in strijd met de goede procesorde. Dit oordeel geldt temeer nu de man geen bezwaar maakt tegen de eisvermeerdering.

4.2.

De rechtbank neemt geen kennis van de producties die de man (pas) bij conclusie van dupliek heeft overgelegd. De vrouw heeft niet kunnen reageren op die producties, zodat anders hoor en wederhoor zou worden geschonden.

4.3.

Voor zover partijen gemeenschappelijk eigenaar zijn van enig goed, zijn zij deelgenoten. Indien de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. (HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631).

4.4.

Bij de beoordeling plaatst de rechtbank het volgende voorop. In de relatie van partijen was, in ieder geval vanaf de geboorte van de zoon van partijen, sprake van een min of meer traditioneel rollenpatroon, waarbij de vrouw in hoofdzaak de zorg voor het kind van partijen en het huishouden had en de man voor het grootste deel van het inkomen zorgde. De vrouw had zelf ook wel enig inkomen maar dat was, in haar eigen woorden, slechts een ‘gering inkomen’ (conclusie van repliek, randnummer 32). Dit zal meewegen bij de beoordeling of partijen gezamenlijk inboedelgoederen en een auto gekocht hebben. De vrouw stelt altijd ervaren te hebben dat partijen gezamenlijk bezittingen kochten en dat hun bezit ook van hen beiden was. Het gaat er echter niet zozeer om wat de vrouw ervaren heeft, maar veeleer of bepaalde goederen door partijen gezamenlijk zijn gekocht (en aan hen samen zijn geleverd) en zo nee, of de vrouw niet toch het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat zij mede-eigenaar werd van de gekochte goederen. Ongetrouwd samenwonen schept niet zonder meer een gemeenschap van goederen.

vordering a polis ASR Levensverzekering N.V.

4.5.

Standpunt vrouw: de polis is gemeenschappelijk eigendom dus de vrouw heeft recht op de helft van de waarde, berekend naar de (PM vast te stellen) waarde op het moment van verdeling. De polis zelf moet aan de man worden toegedeeld, op voorwaarde dat de vrouw eerst wordt ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De vrouw beroept zich op artikel 6 lid 4 samenlevingsvoorwaarden en op ongerechtvaardigde verrijking. De premies op de polis zijn voldaan van de en-/of rekening. Volgens de samenlevingsovereenkomst behoort het saldo op deze rekening aan ieder van partijen voor de helft toe. De vrouw trekt hieruit de conclusie dat zij dus heeft meebetaald aan de premies.

4.6.

Standpunt man: de polis is geen gemeenschappelijk eigendom. Alleen de man is eigenaar, dus de vrouw heeft geen recht op de helft van de waarde. De man erkent dat de vrouw op de polis als mede-verzekeringnemer wordt aangemerkt. Dat is slechts om fiscale redenen geschied, op advies van de notaris in 2008 ter gelegenheid van het opstellen van de notariële samenlevingsovereenkomst. De notaris lichtte destijds artikel 4.2 bij het ontwerp van de samenlevingsovereenkomst toe met: “Als op de polis is

vermeld dat de begunstigde de premie is verschuldigd, dan wordt voorkomen dat over

de verzekeringsuitkering successierecht moet worden betaald”.

De vrouw heeft nooit meebetaald aan de premies.

4.7.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat hier om uitleg van de samenlevingsovereenkomst. Daarin staat, net als in de polis zelf, dat de vrouw mede-verzekeringnemer is. Volgens de man betekent dit niet dat de vrouw recht heeft op de helft van de waarde van de polis maar volgens de vrouw wel.

Bij de beoordeling geldt als toetsingskader: de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen (vgl. HR 12 januari 2001, NJ 2001,199).

4.8.

De rechtbank zal de vordering van de vrouw toewijzen. De notaris heeft voorgesteld om de polis mede op naam van de vrouw te stellen en de man heeft daarmee kennelijk ingestemd. De vrouw heeft daaruit, zo nodig stilzwijgend, mogen begrijpen, dat zij mede-eigenaar werd van de polis, althans heeft de vrouw daartoe het gerechtvaardigd vertrouwen mogen hebben. Aldus is tussen partijen sprake van wilsovereenstemming dat de vrouw mede-eigenaar werd van de polis. Ook weegt mee dat de polis is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening, dat de vrouw heeft meegetekend voor deze hypothecaire geldlening, dat de reden daarvan was de verkrijging van een hogere lening en dit terwijl de vrouw niet de mede-eigenaar werd van de woning.

Aan het oordeel draagt verder bij dat in artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst is vastgelegd dat partijen het sluiten van deze overeenkomst beschouwen als omzetting van een dringende verplichting van moraal en fatsoen in een rechtens afdwingbare verbintenis. Daar spreekt een verzorgingsgedachte uit. Het standpunt van de vrouw is in lijn met deze verzorgingsgedachte, het standpunt van de man niet. Aan het oordeel doet niet af dat tijdens de samenwoning de man als enige de premies zou hebben betaald (hetgeen de vrouw overigens betwist). Dit neemt het gerechtvaardigde vertrouwen van de vrouw nog niet weg. Dat vertrouwen was immers al eerder tot stand gekomen, namelijk toen partijen de samenlevingsovereenkomst sloten. Aan het oordeel doet evenmin af dat het advies van de notaris om de polis op beider naam te zetten, is gegeven om fiscale redenen. Een dergelijk advies sluit op zich nog niet uit dat de vrouw het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat zij mede-eigenaar werd van de polis.

4.9.

De rechtbank zal de polis aan de man toedelen en de man veroordelen om aan de vrouw de helft van de waarde van de polis te vergoeden. De rechtbank zal in dit geval als waardepeildatum voor de polis hanteren, het moment waarop de samenleving tussen partijen formeel is beëindigd, 5 november 2018. De man heeft na het uiteengaan van partijen als enige de premies voldaan. Het is niet en redelijk en billijk dat de vrouw zou meedelen in de waardestijging van de polis die de man als enige heeft bewerkstelligd in de periode na het uiteengaan van partijen. De rechtbank zal de man veroordelen om aan de vrouw de helft van de waarde van de polis op de datum 5 november 2018 te betalen. De rechtbank gaat ervan uit dat, nu beide partijen op de polis staan, ieder van partijen zelfstandig aan de verzekeraar kan vragen wat die waarde is. De rechtbank zal zekerheidshalve bepalen dat onderhavig vonnis zo nodig in de plaats treedt van de rechtshandelingen die de wederpartij (wellicht) moet verrichten om deze waarde op te kunnen vragen bij de verzekeraar.

4.10.

Aan deze toedeling zal niet de voorwaarde worden verbonden dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De rechtbank ziet geen gegronde reden om aan toedeling van de polis aan de man deze voorwaarde te verbinden.

vordering b € 7.500,00 overbedeling inboedelgoederen

4.11.

Standpunt vrouw: de man is overbedeeld bij de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel. De vrouw heeft recht op een vergoeding. De samenlevings-overeenkomst bepaalt weliswaar dat de inboedel van alleen de man is maar die bepaling ziet alleen op de inboedel die de man aanbracht toen partijen gingen samenwonen, en niet op nadien aangeschafte inboedel, die dus gemeenschappelijk eigendom is van partijen.

De vrouw heeft geen goed overzicht van de inboedel. Er is sprake geweest van geweld in de relatie en van een politie-interventie. De vrouw heeft niet kunnen terugkeren in de woning om een inventarisatie van de inboedel te maken. De vrouw onderbouwt haar vordering als volgt: “In ieder geval kan de vrouw zich herinneren dat er drie jaar geleden een loungeset voor in de tuin is aangekocht ad ca € 2.400,00 en twee jaar geleden een lederen hoekbank ad ca € 3.000,00. Daarnaast is er nog een totale inboedel tussen partijen te waarderen en verdelen. Al met al schat de vrouw de waarde van de inboedel in de woning op € 15.000,00, zodat aan haar nog toekomt ca € 7.500,00. Aangezien de man alle inboedelgoederen heeft behouden dient hij de vrouw ter zake dit bedrag (€ 7.500,00) te betalen.”

4.12.

Standpunt man: de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat alle inboedel van alleen de man is dus de vrouw heeft geen vordering. De man beroept zich op producties waaruit blijkt dat hij degene is geweest die (als enige) de loungeset en het bankstel heeft gekocht, zijnde de facturen van de aankoop van het bankstel bij Den Bommel en afschriften van zijn bankrekening bij de Rabobank waarop de betalingen van de aankoop van het bankstel, te weten een aanbetaling ad € 790,- op 10 maart 2017 en het restant ad € 2.360 op 10 juni 2017, vermeld staan. Op deze afschriften van de bankrekening van de man staat voorts de betaling van de loungeset vermeld.

De man erkent dat er één incident is geweest waarbij de politie er aan te pas moest komen, maar volgens de man was dat incident (mede) de schuld van de vrouw omdat zij hem aanviel met een stuk hout en tegen zijn operatiewond trapte. De man heeft ervoor gekozen om geen aangifte te doen tegen de vrouw.

4.13.

De rechtbank zal de vordering van de vrouw afwijzen. Op zich is niet onverdedigbaar de stelling van de vrouw dat het beding dat de inboedel alleen aan de man toebehoort slechts ziet op de inboedel die de man al had toen partijen gingen samenwonen. Dat betekent echter nog niet dat de nadien aangeschafte inboedel per definitie gemeenschappelijk eigendom is geworden. Dat staat niet in de samenlevingsovereenkomst. De vrouw stelt ook geen verklaringen of gedragingen die door uitleg van deze overeenkomst een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

Nu de samenlevingsovereenkomst dit niet regelt, dient teruggevallen te worden op de wet. Volgens de wet is eigenaar van een goed degene aan wie het goed juridisch is geleverd. Dat kan zijn ofwel de man, ofwel de vrouw, ofwel partijen samen als zij samen iets gekocht hebben. Wat de vrouw zelf heeft gekocht (en aan haar is geleverd), is geen gemeenschappelijk eigendom maar is van haar. Zij kan daarvan afgifte vorderen maar het schept geen vergoedingsrecht voor de vrouw. De man kan immers niet gedwongen worden om goederen van de vrouw te kopen.

Wat de vrouw samen met de man heeft gekocht, is wel gemeenschappelijk eigendom. Daarvan kan de vrouw toedeling aan de man vorderen tegen een vergoeding voor de vrouw. De vrouw stelt echter, behalve het bankstel en de lounge set, niet welke inboedelgoederen zij samen met de man gekocht heeft, noch wat daarvan de aanschafwaarde en ouderdom is. De rechtbank heeft dus geen goed beeld van de (gesteld) gemeenschappelijke inboedel, noch van de waarde. Het komt voor risico van de vrouw dat zij niet weet te beschrijven wat zij samen met de man heeft gekocht.

Uit de producties waar de man zich op beroept, blijkt genoegzaam dat hij degene is geweest die het bankstel en de loungeset heeft betaald en gekocht.

De rechtbank tekent ten overvloede aan dat het aan haar is om te bepalen welke waarderingsmethode wordt gehanteerd bij de bepaling van de waarde van een gemeenschappelijk goed. Als regel pleegt dat de waarde in het economisch verkeer te zijn. De waarde in het economisch verkeer van gebruikte inboedel is als regel gering. Een opkoper zal er vaak niet veel voor geven.

vordering c afgifte goederen

4.14.

Standpunt vrouw: omdat de vrouw na het uiteengaan van partijen geen toegang meer had tot de woning zijn er nog een heleboel persoonlijke spullen van haar in de woning achtergebleven. Het gaat in ieder geval om al haar documenten, zoals (oude) paspoorten met zeer hoge emotionele waarde, diploma’s, afschriften van de en/of bankrekening, belastingpapieren. Mogelijk nog babyspullen, snuisterijen, kleding. De vrouw wenst haar privé-spullen terug te krijgen. Hiertoe moet een afspraak gemaakt worden opdat de vrouw veilig in de woning kan rondkijken en haar spullen kan verzamelen.

4.15.

Standpunt man: de administratie van de vrouw staat al maanden gereed om door haar te worden opgehaald. De vrouw is hiervan op de hoogte. De man legt de vrouw niets in de weg om haar spullen op te halen. Dat de man de spullen bij haar thuis brengt is geen optie nu de vrouw de man niet toelaat in haar omgeving. Voor het opleggen van een dwangsom is geen enkele aanleiding. Dat de vrouw nalaat haar spullen op te halen komt dan

ook voor haar rekening. Hiermee is de grond aan de vordering van de vrouw komen te

ontvallen, zodat deze voor afwijzing gereed ligt.

4.16.

De rechtbank oordeelt als volgt. Als erkend staat vast dat de man de administratie van de vrouw onder zich heeft. De rechtbank zal de man veroordelen deze administratie binnen vier weken af te geven. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden, nu er animositeit tussen partijen lijkt te bestaan. De dwangsom zal worden beperkt en gematigd op na te melden wijze.

De vrouw zal haar administratie bij de man af moeten (laten) halen, nu sprake is van een haalschuld en geen brengschuld (artikel 6:41 sub a BW). Als de vrouw dat niet zelf wil of kan doen, kan zij een neutrale persoon sturen.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen. De vrouw stelt niet dat zij nog andere spullen mist. Zij stelt slechts dat er misschien nog spullen van haar in de woning van de man liggen. Die stelling is onvoldoende concreet. Als de vrouw niet weet waar het om gaat, kan de man niet tot afgifte worden veroordeeld. De vrouw heeft geen recht op toegang tot de woning van de man want de woning behoort in eigendom toe aan alleen de man. Het zou overigens de man wel sieren als hij nog eens goed rondkijkt in zijn woning of er nog iets van de vrouw ligt. Eventuele spullen van de vrouw kan hij dan samen met haar administratie meegeven.

vorderingen d afgifte bescheiden ex artikel 843a Rv +

vordering e helft saldo en/of bankrekening per 5 november 2018

4.17.

Standpunt vrouw: volgens de samenlevingsovereenkomst heeft de vrouw recht op

de helft van het saldo op de en/of rekening van partijen bij de ABN AMRO bank. Peildatum

daarbij is 5 november 2018. De man dient dat saldo aan te tonen door bankrekening-afschriften over te leggen (vordering d) en hij dient veroordeeld te worden tot betaling van de helft van het saldo aan de vrouw (vorderingen e).

In reactie op het na te melden verweer van de man stelt de vrouw in repliek: “De vrouw heeft kennisgenomen van de bijlagen van de gemeenschappelijke bankrekening.”

4.18.

Standpunt man: door overlegging van producties bij conclusie van antwoord is

al aan de vordering voldaan. De vrouw heeft eigenlijk geen recht op de helft van het saldo

maar de man is niettemin bereid om de vrouw de helft van het saldo te betalen.

4.19.

De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens de samenlevingsovereenkomst is de vrouw gerechtigd tot de helft van het saldo op deze bankrekening. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat het saldo op de onderhavige bankrekening op 5 november 2018 was. De man stelt dat hij bankafschriften overlegt over deze periode. Deze stelling is feitelijk onjuist, of althans onvoldoende begrijpelijk. De man verwijst naar ‘zijn producties’ maar hij zegt niet welke productie hij precies doelt. Waarschijnlijk bedoelt de man een beroep te doen op zijn productie 4 (volgens het productieoverzicht van de man hebben zijn overige 13 producties betrekking op andere onderwerpen). Dat zijn bankrekeningafschriften, maar niet over de juiste periode, namelijk slechts over de periode van ‘december 2010 tot en met juli 2011 en van januari tot en met augustus 2017.’ Daarnaast legt de man over ‘een print van de mutaties op vermelde rekening in de periode april 2018 tot en met oktober 2019.’ Er lijken dus geen bankafschriften te zijn overgelegd over de relevante periode. Misschien valt aan de hand van het overzicht van mutaties vanaf april 2018 wel uit te rekenen wat het saldo was op 5 november 2018. Dat is echter niet de taak van de rechtbank maar van partijen. De rechtbank zal volstaan met de veroordeling van de man om aan de vrouw te betalen: de helft van het saldo op deze bankrekening op 5 november 2018. Tevens zal de man veroordeeld worden om ten behoeve van de vrouw aan te tonen wat dat saldo toen was.

vordering f € 3.000,00 overbedeling personenauto

4.20.

Standpunt vrouw: “Partijen hadden een personenauto, een Renault Laguna Estate 2.0 met kenteken [kentekennummer] . De auto stond op naam van de man, de vrouw reed in deze auto. Deze auto is door partijen altijd als gezamenlijk bezit beschouwd. Na de beëindiging van de samenleving heeft de man deze auto teruggenomen en verkocht, de vrouw meent voor een bedrag ad € 6.000,00. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er niet is beschreven dat deze auto privé-eigendom van de man is en dus dat er sprake is van mede-eigendom, op grond waarvan de vrouw nog een aanspraak heeft op de helft van de verkoopopbrengst.”

In repliek stelt de vrouw dat de auto aan haar is geleverd toen zij de auto ging ophalen bij de verkoper, zodat zij juridisch gezien de eigenaar is.

4.21.

Standpunt man: “De man stelt dat de vrouw geen recht heeft op een deel van de verkoopopbrengst van de Renault Laguna nu de auto hem toebehoort. De man heeft de auto gekocht en betaald. De aankoopfactuur van Autobedrijf Kooiman d.d. 25 maart 2014 op naam van de man wordt als productie 8 overgelegd. Het kenteken van de auto stond op naam van de man, de man hield de auto verzekerd en betaalde de wegenbelasting. Ter adstructie overlegt de man bij productie 9 een afschrift van zijn betaalrekening waarop de betaling

wegenbelasting ad € 67,- staat vermeld.”

4.22.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vrouw beroept zich op de rechtsgevolgen, namelijk dat zij recht heeft op een geldelijke vergoeding van de man. Het is daarom aan de vrouw om voldoende feiten te stellen, en zo nodig ook te bewijzen, dat de auto haar mede-eigendom was. De vrouw heeft, tegenover het onderbouwde standpunt van de man, onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de auto gemeenschappelijk eigendom is. Als in de samenlevingsovereenkomst niet staat van wie de auto is, impliceert dat, anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen, niet, dat de auto dan automatisch gemeenschappelijk eigendom van partijen is. Partijen waren niet in gemeenschap van goederen gehuwd. Het kenteken van de auto staat op naam van de man, de man heeft de auto betaald en de factuur staat op zijn naam. De kentekenregistratie is weliswaar niet doorslaggevend voor de beoordeling aan wie de auto toebehoort, maar is wel een relevante aanwijzing ten voordele van de man. De vrouw stelt niet dat de koopovereenkomst wel op haar naam staat. Dat de auto feitelijk aan de vrouw is afgeleverd is in de gegeven omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat de vrouw, door juridische levering van de auto aan haar, eigenaar is geworden. Van een (stilzwijgende) afspraak om de auto als gemeenschappelijk eigendom te beschouwen, is niet of althans onvoldoende gebleken. De vordering zal worden afgewezen.

vordering g hypothecaire geldlening bij (voorheen) Fortis Bank € 274.000,00

4.23.

Standpunt vrouw: ten onrechte weigert de man de bank te verzoeken om de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Ten onrechte koppelt de man hieraan de voorwaarde dat de polis zonder verrekening aan hem wordt toebedeeld. Ten onrechte weigert de man de volledige kosten te dragen die gemoeid zijn van het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijkheid. De man dient veroordeeld te worden om aan de bank te verzoeken dat de vrouw uit haar hoofdelijkheid wordt ontslagen. Subsidiair vordert de vrouw te bepalen dat alleen de man, in de onderlinge verhouding met de vrouw, draagplichtig is voor deze schuld.

4.24.

Standpunt man: de man betwist dat hij de bank niet heeft verzocht om de vrouw te laten ontslaan uit haar hoofdelijkheid. De man beroept zich daarbij op zijn productie 11 (een brief van de bank van 31 januari 2019 aan de man waarin staat dat een advies over een nieuwe hypothecaire geldlening € 1.250 kost). De man stelt dat ook de vrouw een helft van de kosten, gemoeid met ontslag uit haar hoofdelijkheid, dient te dragen.

4.25.

De rechtbank oordeelt als volgt. Een schuld is geen goed en kan dus niet verdeeld worden. Een schuld kan wel toegerekend worden. De rechtbank zal de schuld toerekenen aan de man, nu de man zich daar op zich niet tegen verzet.

Partijen hebben niet afgesproken wie de kosten moet dragen om de vrouw te laten ontslaan uit haar hoofdelijkheid. Tussen hoofdelijk schuldenaren onderling geldt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:8 BW jo. art. 6:2 BW). De rechtbank acht het redelijk en billijk dat de man de kosten gemoeid met het ontslag, moet dragen. De man heeft er voordeel van gehad dat de vrouw de schuld mede aanging.. Hij betaalde daardoor minder rente, althans kon meer geld lenen, ten behoeve van de aanschaf van een woning die uitsluitend op zijn naam kwam. Tijdens de samenleving had de vrouw weliswaar indirect profijt van die koop, maar het directe voordeel was en is - vanwege de inmiddels gerealiseerde waardestijgingen op de woningmarkt en (dus) ook van de woning van de man - uitsluitend voor de man. Voorts heeft de rechtbank bij haar oordeel de traditionele rol- en inkomensverdeling van partijen tijdens hun samenwoningsrelatie in aanmerking genomen.

h. proceskosten

4.26.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

deel toe aan de man de rechten uit de levensverzekering, gesloten bij de ASR Levensverzekering N.V. (voorheen) Fortis Bank, onder polisnummer [nummer polis] , gelast partijen om bij deze verzekeraar de waarde van deze polis per 5 november 2018 op te vragen, bepaalt dat onderhavig vonnis zo nodig in de plaats treedt van de rechtshandelingen die moeten worden verricht om deze waarde op te vragen bij deze verzekeraar en veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de helft van de waarde van de polis op 5 november 2018,

5.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw haar administratie af te geven binnen vier weken na betekening van onderhavig vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 2.500,

5.3.

veroordeelt de man om aan de vrouw binnen zeven dagen na betekening van onderhavig vonnis te betalen de helft van het saldo op de ABN AMRO en-/of bankrekening op de datum 5 november 2018 en gelast de man om aan de vrouw verificatoire bescheiden te verschaffen waaruit blijkt hoe hoog dat saldo toen was,

5.4.

rekent de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening bij (voorheen) de Fortis Bank ad totaal € 274.000,00 als eigen schuld aan de man toe en gelast de man om, met uitsluiting van de vrouw, de aflossingen op deze lening te voldoen,

5.5.

veroordeelt de man de (voorheen) Fortis Bank te verzoeken om de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke verplichtingen ter zake deze hypotheekschuld en bepaalt dat de man de kosten dient te dragen die gemoeid zijn met dit eventuele ontslag, onder welke kosten in ieder geval zijn begrepen de advieskosten van de bank en de kosten van de notaris,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.1

1 [2517/638]