Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9586

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
C/10/573880 / JE RK 19-1489
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek vervallen verklaren aanwijzing gedeeltelijk toegewezen en voor het overige aangehouden in afwachting van nadere informatie van de gecertificeerde instelling (GI). De GI moet nader onderbouwen in hoeverre contact tussen de minderjarige en een specifieke derde een bedreiging voor de minderjarige vormt, mede omdat de moeder dit weerspreekt en omdat beperking van dit contact een beperking van de bewegingsvrijheid van de moeder tot gevolg heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/573880 / JE RK 19-1489

datum uitspraak: 19 juli 2019

beschikking verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen namens de moeder van mr. E.B. van den Ouden, advocaat, van 13 mei 2019, ingekomen bij de griffie op 13 mei 2019;

- de fax met bijlage van 3 juni 2019;

- het proces-verbaal van de zitting van 4 juni 2019;

- de brief van de GI van 24 juni 2019, ingekomen bij de griffie op 27 juni 2019.

Op 5 juli 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, voornoemd,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

[voornaam minderjarige] is in staat gesteld om zijn mening kenbaar te maken.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van 16 oktober 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot

24 oktober 2019. Bij beschikking van 8 maart 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 24 oktober 2019.

De GI heeft op 7 mei 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:

“Wanneer [voornaam minderjarige] bezoek met u heeft, dient u er zorg voor te dragen dat de heer [naam] hier niet bij aanwezig is. [voornaam minderjarige] dient op geen enkele wijze in contact te komen met de heer [naam] .”

Het verzoek en het standpunt van de moeder

Namens de moeder is verzocht, samengevat, de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren.

De moeder heeft het verzoek, deels bij monde van haar advocaat, ter zitting gehandhaafd en – in aanvulling op het verzoekschrift – als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] heeft elke woensdag-middag en één weekend in de maand omgang met de moeder. [voornaam minderjarige] ervaart het contact met de heer [naam] als prettig en hij vindt het leuk om in het weekend samen met hem aan brommers te sleutelen. De moeder herkent de zorgen van de GI niet. Het gaat enkel over de zaterdag, omdat de heer [naam] door de week werkt. De schriftelijke aanwijzing is onvoldoende bepaald, nu deze noch in tijd noch anderszins is beperkt. Hij is bovendien niet duidelijk en helder geformuleerd. Met de schriftelijke aanwijzing wordt inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de moeder en hij ziet, zoals wel is vereist, niet op de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . De tweede volzin van de schriftelijke aanwijzing gaat te ver en ligt bovendien buiten de invloedssfeer van de moeder. De moeder en de heer [naam] wonen niet ver van elkaar en de kans dat de heer [naam] en [voornaam minderjarige] elkaar tijdens omgangsmomenten tegenkomen is daardoor aanwezig. Opgemerkt moet tot slot worden dat [voornaam minderjarige] niet aanwezig was bij incident tussen de heer [naam] en de moeder waaraan de GI refereert en dat er tussen hen geen sprake is van huiselijk geweld.

Het standpunt van de GI

Erkend wordt dat dat het tweede deel van de schriftelijke aanwijzing buiten de invloedssfeer van de moeder ligt. Het eerste deel van de schriftelijke aanwijzing, te weten dat de heer [naam] niet bij de omgangsmomenten aanwezig is, is daarentegen helder en concreet geformuleerd. De zorgen zijn met name gelegen in het huiselijk geweldsincident dat in

april 2019 heeft plaatsgevonden tussen de moeder en de heer [naam] en het contact tussen [voornaam minderjarige] en de heer [naam] . [voornaam minderjarige] zou hebben aangegeven dat hij angstig is voor de heer [naam] en dat hij geen contact met hem wenst. De GI is niet op de hoogte van de bewering van de moeder dat [voornaam minderjarige] het contact en het sleutelen aan brommers als prettig ervaart. Het is van belang dat zicht wordt verkregen op het contact tussen [voornaam minderjarige] en de heer [naam] , waarbij gedacht kan worden aan het uitvragen van [voornaam minderjarige] hierover of het uitnodigen van de heer [naam] voor een gesprek. Een observatie van het contact tussen hen lijkt niet aangewezen, omdat de heer [naam] geen belanghebbende is.

De beoordeling

De GI kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Daarnaast kan de GI voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. De beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing. Op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De aanwijzing moet het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag niet in strijd komen met het recht. Daarnaast moet de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De kinderrechter overweegt daarover het volgende.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] sinds maart 2019 in het huidige pleeggezin verblijft. Hij heeft elke woensdagmiddag en één weekend in de maand omgang met de moeder, wat positief verloopt. Er bestaan echter zorgen over het feit dat de heer [naam] (in het weekend) wel eens bij de omgangsmomenten aanwezig is. [voornaam minderjarige] zou volgens de GI hebben aangegeven dat hij bang is voor de heer [naam] en dat hij geen contact met hem wenst. Hier staat tegenover dat de moeder laat weten dat [voornaam minderjarige] het contact met de heer [naam] juist als prettig ervaart, dat de heer [naam] een soort vaderfiguur voor hem is en dat [voornaam minderjarige] geniet van de momenten waarop hij met de heer [naam] aan brommers sleutelt. Op dit punt verschillen de moeder en de GI van mening.

Naar aanleiding van een (gewelds)incident tussen de moeder en de heer [naam] hebben beiden een huisverbod van 10 dagen gekregen. Veilig Thuis heeft dit gemeld aan de GI. Naar aanleiding daarvan heeft de GI aan de moeder de bestreden schriftelijke aanwijzing gegeven. Onweersproken is door de moeder gesteld dat de GI haar niet van te voren over de aanwijzing heeft gehoord, waardoor zij haar visie niet heeft kunnen geven. In het kader van de zorgvuldige voorbereiding van de schriftelijke aanwijzing had het op de weg van de GI gelegen de moeder zo spoedig mogelijk om haar reactie te vragen op het voornemen om de schriftelijke aanwijzing te geven. Blijkbaar heeft de GI dit wel achteraf gedaan, aangezien de moeder heeft kenbaar gemaakt voornemens te zijn zich aan de aanwijzing te houden.

Zoals ter zitting is besproken en ook door de GI is erkend, is de tweede volzin van de schriftelijke aanwijzing zeer ruim geformuleerd en niet nader geconcretiseerd. Door en namens de moeder is bovendien terecht opgemerkt dat het, gelet op de woonplaatsen van de moeder, de heer [naam] en familieleden, buiten de invloedssfeer van de moeder ligt of [voornaam minderjarige] en de heer [naam] buitenshuis onverwacht met elkaar worden geconfronteerd. De kinderrechter zal dit onderdeel van de schriftelijke aanwijzing dan ook vervallen verklaren.

Daarnaast is in de schriftelijke aanwijzing bepaald dat de moeder ervoor moet zorgdragen dat de heer [naam] niet bij omgangsmomenten tussen haar en [voornaam minderjarige] aanwezig is. De kinderrechter is, anders dan de moeder vindt, van oordeel dat de GI bevoegd is op dit punt een aanwijzing aan de moeder te geven. De GI is immers van mening dat hier sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . De vraag is dan vervolgens aan de orde of de GI dit op juiste gronden stelt.

De omgangsmomenten zijn in beginsel bedoeld voor de moeder – en dus niet voor derden zoals de heer [naam] . Echter, indien een derde geen bedreiging voor een kind vormt of het kind tijdens de omgang met de moeder plezier beleeft aan contact met een derde, is er in beginsel geen reden dit contact te beperken. Integendeel, een goed contact met een derde kan positief zijn voor de ontwikkeling van een kind. Niet weersproken is echter dat er naar aanleiding van een incident tussen de moeder en de heer [naam] een huisverbod is gegeven. Daarnaast blijkt uit het pleegzorgplan dat [voornaam minderjarige] een trauma voor mannen heeft. Vooralsnog lijkt er daarom reden het contact tussen [voornaam minderjarige] en de heer [naam] te verbieden.

Gezien de door de moeder gestelde feiten en omdat de aanwijzing de bewegingsvrijheid van de moeder tijdens omgangsmomenten beperkt, acht de kinderrechter het van belang dat meer duidelijkheid wordt verkregen over de wijze waarop [voornaam minderjarige] het contact met de heer [naam] ervaart en wat dit betekent voor zijn ontwikkeling. Om hierop zicht te krijgen is het allereerst van belang dat de GI kennis maakt met de heer [naam] . Daarnaast zou een observatie kunnen plaats vinden van het contact tussen de heer [naam] en [voornaam minderjarige] . Ook kan de wens van de moeder onderdeel zijn van het gesprek tussen de moeder, de pleegouders, de jeugd-beschermer en een medewerker van Pleegzorg dat binnenkort plaatsvindt over de zorgen die de moeder heeft over de plaatsing van [voornaam minderjarige] in het huidige pleeggezin. De kinderrechter is, kort gezegd, van oordeel dat de GI meer informatie moet verzamelen over de vraag of [voornaam minderjarige] bang is voor de heer [naam] en/of de heer [naam] om welke reden dan ook een bedreiging voor de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] vormt of dat [voornaam minderjarige] juist plezier beleeft aan bijvoorbeeld het in het weekend sleutelen aan brommers met hem. De GI dient hierover te zijner tijd nader te rapporteren. Tot die tijd blijft de eerste zinsnede van de schriftelijke aanwijzing van kracht, omdat op dit moment onvoldoende vast staat dat contact tussen [voornaam minderjarige] en de heer [naam] geen bedreiging in de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] vormt.

De beslissing op dit punt zal worden aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum. De GI wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de pro forma datum schriftelijk te rapporteren over de stand van zaken. Indien de GI naar aanleiding van de uitkomsten van het voorgaande van oordeel is dat de schriftelijke aanwijzing moet worden herzien, wordt zij verzocht de kinderrechter (en de belanghebbende) hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen opdat de zaak mogelijk schriftelijk kan worden afgedaan.

De beslissing

De kinderrechter:

verklaart de aanwijzing gedeeltelijk vervallen, te weten voor wat betreft de zin “ [voornaam minderjarige] dient op geen enkele wijze in contact te komen met de heer [naam] ”.

En alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van de zaak voor het overige wordt aangehouden tot 1 oktober 2019 pro forma;

bepaalt dat de moeder, haar advocaat mr. E.B. van den Ouden en de GI op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de pro forma datum aan de kinderrechter (en de belanghebbende) de verzochte rapportage te doen toekomen. Het staat de moeder vrij, indien gewenst, om eveneens haar visie uiterlijk op de pro forma datum schriftelijk kenbaar te maken (met afschrift aan de GI).

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Langelaar als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.