Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9584

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
C/10/566966 / JE RK 19-334 en C/10/570535 / JE RK 19-887
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. De kinderrechter begrijpt uit de stukken en het besprokene op de zitting dat de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoekt om een omgangsregeling ex art. 1:265g lid 1 BW vast te stellen. Dit verzoek wordt apart geregistreerd en verwezen naar een zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/566966 / JE RK 19-334 en C/10/570535 / JE RK 19-887

datum uitspraak: 22 maart 2019

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2013 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de GI van 28 januari 2019, ingekomen bij de griffie op 29 januari 2019.

Op 22 maart 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. C. Jansen,

- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 10 april 2018 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot

10 april 2019.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Onlangs is een evaluatie geweest van de bezoeken van de vader met [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De bezoeken verlopen goed. Tijdens de evaluatie is het doel gesteld dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] aan het eind van 2019 bij de vader kunnen logeren. Daarvoor is het van belang dat de bezoeken langzaam opgebouwd worden. De moeder is het niet eens met de uitbreiding naar onbegeleide omgang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] met de vader. De moeder geeft aan dat voornamelijk [voornaam minderjarige 1] voor en na de bezoeken opstandig gedrag vertoont.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. [voornaam minderjarige 1] is voor en na de bezoeken met de vader moeilijk aan te sturen op school en thuis. Ook [voornaam minderjarige 2] heeft last van het contact. De opbouw van het contact gaat te snel. De moeder heeft geen goed gevoel bij onbegeleid contact tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De moeder ziet liever dat de bezoeken nog worden begeleid door Middin. De ondertoezichtstelling heeft geen effect en de moeder voelt zich niet gehoord door de GI, echter weet de moeder niet wat zij zonder ondertoezichtstelling moet.

De vader heeft geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader geeft aan dat [voornaam minderjarige 1] angstig kan zijn tijdens de bezoeken. De oorzaak daarvan is de vader niet bekend. De vader heeft de indruk dat er negatief over hem wordt gesproken tegen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De vader heeft desgevraagd aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben als de komende bezoeken worden begeleid door Middin. De vader wil dan dat Middin ook aanwezig is bij de moeder thuis direct na de bezoeken om de reactie van de kinderen te monitoren.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is sprake van een positieve ontwikkeling in het gedrag van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn gestart met speltherapie. De moeder heeft aangegeven dat zij de opvoeding soms als zwaar ervaart en graag hulp ontvangt. De moeder krijgt daarvoor opvoedondersteuning door Middin.

Beide ouders dragen het gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en zijn bij hen betrokken. De ouders zijn echter niet in staat om, in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , voldoende vorm te geven aan het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De GI en de vader zijn van mening dat opbouw van (onbegeleid) contact tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in hun belang is. De contacten verlopen positief en [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en de vader genieten van de contacten. De moeder heeft echter nog veel wantrouwen tegen de vader. De GI geeft aan dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om tot uitbreiding van het contact te komen. Naar de kinderrechter begrijpt verzoekt de GI de kinderrechter een omgangsregeling vast te stellen zoals genoemd in artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit verzoek zal worden geregistreerd onder het zaaknummer C/10/570535 / JE RK 19-887.

De moeder heeft bezwaar tegen de uitbreiding omdat voornamelijk [voornaam minderjarige 1] opstandig gedrag vertoont voor en na de bezoeken met de vader. Ook de vader herkent angstig gedrag bij [voornaam minderjarige 1] ; waar dat door wordt veroorzaakt, is niet duidelijk. De kinderrechter acht het daarom zinvol dat, ten minste, de komende twee bezoeken van de vader begeleid zullen worden door Middin en dat Middin ook voor en na het contact in de thuissituatie bij de moeder aanwezig zal zijn. Op basis van haar bevindingen kan Middin de ouders adviseren. Wanneer Middin van mening is dat er geen bezwaar bestaat tegen onbegeleide bezoeken zal dat na overleg met de GI en belanghebbenden in beginsel gestart moeten kunnen worden.

Uit het voorgaande volgt dat op dit moment is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. Nu op basis van de komende bezoeken het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zal worden geëvalueerd en mogelijk uitgebreid naar onbegeleid contact, ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlengen tot niet verder dan 1 juni 2019 en de beslissing voor het overige aan te houden. Te zijner tijd dient besproken te worden in hoeverre de ondertoezichtstelling nog nodig is en welke omgangsregeling uiteindelijk het meest in het belang van de kinderen zal zijn.

De GI wordt verzocht om een week vóór de hierna vermelde datum de kinderrechter te rapporteren (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. Jansen) over onder meer het verloop van de contacten tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 1 juni 2019;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

houdt de beslissing voor het overige verzochte ter zake de ondertoezichtstelling en de omgang aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de belanghebbenden en mr. Jansen in deze zaak zal plaatsvinden op 13 mei 2019 te 13:15 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden en mr. Jansen;

verzoekt de GI uiterlijk een week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan belanghebbenden en mr. Jansen) de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Apeldoorn als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 april 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.