Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9583

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
C/10/567774 / JE RK 19-461
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling voor niet meer dan vier maanden onder aanhouding van het verzoek voor het overige. De kinderrechter stelt vraagtekens bij het feit dat de gecertificeerde instelling (GI), zonder machtiging uithuisplaatsing, gedoogt dat de minderjarige in strijd met een rechterlijke uitspraak niet (deels) bij de moeder woont. De GI wordt in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Ook moet de GI nader onderzoek doen naar schoolgang van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/567774 / JE RK 19-461

datum uitspraak: 27 maart 2019

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2004 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 februari 2019, ingekomen bij de griffie op 11 februari 2019.

Op 27 maart 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. W.R. Arema,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De advocaat van de moeder heeft ter zitting enkele stukken overgelegd, te weten de

beschikking van 19 april 2018 van team familie van deze rechtbank en de brief van de

gemeente Rotterdam van 11 maart 2019.

[voornaam minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Opgeroepen en niet verschenen is de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige] woont bij de vader.

Bij beschikking van 5 april 2018 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 5 april 2019.

Bij beschikking van 19 april 2018 is de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij de moeder bepaald.

Het verzoek en het standpunt van de GI
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar.

De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht.

Tot op heden is de voornoemde beschikking van 19 april 2018 niet nagekomen. [voornaam minderjarige] wil niet terug naar de moeder, omdat zij bang is voor haar. Zij wil de moeder echter niet teleurstellen. [voornaam minderjarige] ervaart de moeder als onvoorspelbaar in de communicatie en zij heeft moeite met de felheid van de moeder. Op dit moment is [voornaam minderjarige] onder behandeling van een psycholoog. Eerder was zij niet bereid om in gesprek te gaan met een psycholoog. De moeder heeft recent een evaluatiegesprek gehad bij de psycholoog. De psycholoog geeft aan dat het afdwingen van bezoeken met de moeder of het gedwongen wonen bij de moeder juist averechts zal werken en dat de communicatie daardoor meer zal worden verstoord. [voornaam minderjarige] en de moeder willen nu meewerken aan systeemtherapie. Er wordt naar een passende therapeut voor [voornaam minderjarige] gezocht, maar er is sprake van een wachtlijst. De moeder geeft aan dat de vader [voornaam minderjarige] beïnvloedt, maar vooralsnog blijkt de onwil van [voornaam minderjarige] om naar de moeder te gaan vanuit [voornaam minderjarige] zelf te komen. De vader wil dat [voornaam minderjarige] contact heeft met de moeder. Naar aanleiding van e-mails van de moeder over de slechte schoolresultaten van [voornaam minderjarige] heeft de GI een gesprek aangevraagd op school. De zorgcoördinator en de docent hebben in januari 2019 aangegeven dat het wel meevalt. De GI is niet op de hoogte van de cijfers van [voornaam minderjarige] van de meest recente toetsweek en de betrokkenheid van Leerplicht, blijkend uit onder meer de brief van 11 maart 2019 van de gemeente Rotterdam. Kinderen uit de Knel is tot op heden niet gestart, omdat de moeder niet bereid was om intensieve gesprekken te voeren met de vader. De communicatie tussen de ouders verloopt op dit moment via e-mail.

Het standpunt van de belanghebbende


Namens de moeder is ter zitting verzocht het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] toe te wijzen.

Ter onderbouwing van dit standpunt is – kort en zakelijk – aangevoerd dat er nog steeds sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [voornaam minderjarige] . Pas in januari 2019 zijn de gesprekken van [voornaam minderjarige] met de psycholoog opgestart. Tot op heden is er geen hulp ingezet voor de communicatie tussen de ouders. Bij beschikking van 19 april 2018 heeft de rechtbank bepaald dat er sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag van de ouders, dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij de moeder is met een week-op-week-af regeling. Ook zou er gestart worden met Kinderen uit de Knel. De ouders staan hiervoor op de wachtlijst. Het ontbreekt bij de GI aan zicht op de opvoedsituatie bij de vader. [voornaam minderjarige] zit in de tweede klas van de HAVO. In de afgelopen toetsweek heeft zij slechts één cijfer hoger dan een drie gehaald. [voornaam minderjarige] weigert om naar de moeder te gaan. Het is zorgelijk dat iedereen dit prima lijkt te vinden. [voornaam minderjarige] wordt mogelijk beïnvloed door de vader, maar de rol van de vader is op dit moment onduidelijk. De vader stimuleert het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder niet. In de voorjaarsvakantie zijn de vader en [voornaam minderjarige] op vakantie naar Amerika gegaan. [voornaam minderjarige] heeft vervolgens drie dagen van school verzuimd. De moeder heeft hierdoor een brief van de Leerplicht ontvangen. Gelet op het vorenstaande vraagt de moeder zich af in hoeverre het verblijf bij de vader in het belang van [voornaam minderjarige] is. Het is van grote emotionele waarde voor de moeder dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij haar blijft, omdat zij hoopt dat de situatie in de toekomst verbetert. De moeder is bereid om mee te werken aan systeemtherapie en Kinderen uit de Knel.

Ter aanvulling op het betoog van haar advocaat heeft de moeder naar voren gebracht dat zij er niet van op de hoogte was dat [voornaam minderjarige] later zou terugkeren van vakantie. Zij heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Zij wil graag meewerken aan systeemtherapie, mede omdat dit voor haar een extra moment met [voornaam minderjarige] is.

De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen zijn gelegen in de sociaal-emotionele ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Het is zorgelijk dat [voornaam minderjarige] op dit moment geen onbelast contact heeft met beide ouders en dat de ouders niet in staat zijn op een constructieve wijze met elkaar te communiceren, in het belang van het welzijn van [voornaam minderjarige] . Ook lijkt er sprake van slechte schoolprestaties bij [voornaam minderjarige] .

Bij beschikking van 19 april 2018 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij de moeder bepaald. Hier wordt in de praktijk echter geen gevolg aangegeven. [voornaam minderjarige] woont bij de vader, omdat zij niet naar de moeder wil. Op dit moment is [voornaam minderjarige] onder begeleiding van een psycholoog. Duidelijk moet worden wat de achterliggende reden is van het feit dat zij niet naar de moeder wil. Het is zorgelijk dat het op dit moment ontbreekt aan zicht op de opvoedsituatie bij de vader.

De kinderrechter is van oordeel dat voortzetting van de ondertoezichtstelling voor in ieder geval vier maanden noodzakelijk is, nu de hulpverlening tot nu toe niet van de grond is gekomen en de ouders niet in staat zijn om samen beslissingen te nemen in het belang van [voornaam minderjarige] . De kinderrechter stelt daarbij vraagtekens bij het feit dat de GI, zonder machtiging uithuisplaatsing, gedoogt dat [voornaam minderjarige] in strijd met de uitspraak van 19 april 2018 niet (deels) bij de moeder woont. De GI zal in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten.

Daarnaast dient de GI nader onderzoek te doen naar de inhoud van de brief van de Leerplicht en de mogelijk slechte schoolresultaten van [voornaam minderjarige] . Ook is het van belang dat er in de komende periode meer zicht komt op de opvoedsituatie bij de vader.

Nu de moeder en [voornaam minderjarige] hebben ingestemd met systeemtherapie, dient er zo spoedig mogelijk een geschikte systeemtherapeut te worden gezocht zodat de therapie kan starten.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor de duur van vier maanden en de beslissing voor het overige verzochte aanhouden tot de hierna te noemen pro forma-datum om meer zicht te krijgen op voornoemde punten.

De GI wordt verzocht de kinderrechter uiterlijk twee weken vóór de hierna te noemen pro forma-datum te rapporteren over de stand van zaken.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 5 augustus 2019;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juli 2019 pro forma;

bepaalt dat de GI, belanghebbenden en mr. W.R. Arema op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma-datum de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.G.L. van der Linden als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 april 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.