Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9560

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
C/10/564131 / JE RK 18-3868
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek beëindiging gezag van de moeder toegewezen, waardoor de vader voortaan alleen het gezag uitoefent. De rechtbank overweegt dat het in het belang van de minderjarige is dat snel duidelijkheid komt over zijn toekomstperspectief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/564131 / JE RK 18-3868

datum uitspraak: 1 februari 2019

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] ,

[naam pleegmoeder] ,

hierna te noemen de pleegmoeder, wonende te [woonplaats pleegmoeder] ,

[naam pleegvader] ,

hierna te noemen de pleegvader, wonende te [woonplaats pleegvader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van

10 december 2018, ingekomen bij de griffie op 12 december 2018.

Op 1 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.V. Paniagua,

- de pleegmoeder,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster] ,

- een vertegenwoordiger van de GI, dhr. [naam vertegenwoordiger] .

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de vader, die zich telefonisch heeft afgemeld voor de zitting,

- de pleegvader.


De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van de kinderrechter van 2 september 2009 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] uitgesproken.

Sinds 15 januari 2017 is [voornaam minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

Deze maatregelen duren nog steeds voort en zijn laatstelijk op 24 augustus 2018 verlengd tot 1 maart 2019.

Het verzoek

De Raad heeft verzocht het ouderlijk gezag van de moeder over [voornaam minderjarige] te beëindigen.

Het standpunt van de Raad

De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht.

[voornaam minderjarige] staat al jarenlang onder toezicht. Sinds januari 2017 verblijft hij middels een machtiging van de kinderrechter in het huidige pleeggezin. Er moet daarom bezien worden of een ondertoezichtstelling nog passend is in de huidige situatie, nu er niet meer toegewerkt wordt naar een thuisplaatsing bij de moeder. [voornaam minderjarige] is een kwetsbare jongen. In het verleden is hij blootgesteld aan huiselijk geweld. Er is sprake van een algehele ontwikkelings-achterstand bij [voornaam minderjarige] , met name op het gebied van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij heeft daarom een extra zorgvraag. [voornaam minderjarige] is loyaal naar de moeder, waardoor hij moeite heeft om zich te hechten aan de pleegouders. Hij is wel gebaat bij de duidelijkheid, structuur en regelmaat die hem in het pleeggezin worden geboden. De aanvaardbare termijn voor [voornaam minderjarige] is inmiddels verstreken. Het perspectief van [voornaam minderjarige] ligt niet bij de moeder. De Raad begrijpt dat de vader opvoedcapaciteiten heeft, maar hij dient wel de nodige stappen te zetten en hij zal een actieve rol moeten aannemen. Het is van belang dat er snel duidelijkheid komt. Gedurende het raadsonderzoek gaf de moeder aan dat zij liever wil dat [voornaam minderjarige] bij de vader opgroeit. De Raad constateert dat het standpunt van de moeder inmiddels is gewijzigd. De Raad heeft de pleegmoeder gedurende het onderzoek gevraagd of zij bereid is om de voogdij over [voornaam minderjarige] op zich te nemen, maar zij wil de relatie met de ouders niet verstoren.

Het standpunt van de GI

De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en naar voren gebracht dat de vader graag wil laten zien dat hij in staat is om de verzorging van [voornaam minderjarige] op zich te nemen. Op dit moment is onduidelijk of de vader zijn vaderrol voldoende zal oppakken. De vader is een lange periode niet betrokken geweest bij [voornaam minderjarige] . De GI is met de Raad van oordeel dat er op korte termijn duidelijkheid moet komen voor [voornaam minderjarige] . Het is nu moeilijk te bepalen waar [voornaam minderjarige] dient op te groeien. Enerzijds wil hij bij de vader wonen, anderzijds is hij gehecht aan de pleegouders. Ook zijn (half)broertje [naam (half)broertje] woont in het pleeggezin.

Het standpunt van de belanghebbende

Door en namens de moeder is ter zitting verzocht om de beslissing op het verzoek van de Raad aan te houden.

Ter onderbouwing van dit standpunt is ter zitting – kort en zakelijk weergegeven – meegedeeld dat het verzoek van de Raad prematuur is, nu er onderzoek zal worden verricht naar de mogelijkheid om [voornaam minderjarige] bij de vader te plaatsen. Dit onderzoek is van invloed op de beslissing over het ouderlijk gezag. Onduidelijk is in hoeverre er onderzoek wordt verricht naar de keuze om [voornaam minderjarige] en zijn halfbroertje [naam (half)broertje] uit elkaar te halen. De moeder is van oordeel dat de kinderen bij elkaar moeten blijven en zij acht het niet in het belang van [voornaam minderjarige] om hem bij de vader te plaatsen. Naar het oordeel van de Raad ligt het perspectief van [voornaam minderjarige] niet bij de moeder, maar dat betekent niet dat de moeder het ouderlijk gezag niet kan uitoefenen. De moeder is van oordeel dat het perspectief van [voornaam minderjarige] is gelegen in het pleeggezin en zij kan zich er in vinden dat [voornaam minderjarige] bij de pleegouders opgroeit. Ondanks dat zij het liefst zelf voor [voornaam minderjarige] wil zorgen, ziet zij dat [voornaam minderjarige] het goed doet in het pleeggezin en dat de pleegmoeder van hem houdt. Voor de acceptatie van de moeder dat [voornaam minderjarige] elders zal opgroeien, is het wel van belang dat zij een belangrijke rol blijft spelen als ouder. De moeder verzet zich dan ook niet tegen het verzoek van de Raad indien de pleegmoeder met de voogdij over [voornaam minderjarige] wordt belast. De Raad dient met de pleegouders in gesprek te gaan, waarbij hen wordt uitgelegd wat het inhoudt om met de voogdij over [voornaam minderjarige] te worden belast. Indien de vader met het éénhoofdig gezag over [voornaam minderjarige] wordt belast, dan verzet de moeder zich wel tegen het verzoek van de Raad. De onzekerheid voor [voornaam minderjarige] , zoals wordt benoemd door de Raad, zal niet worden weggenomen indien slechts het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd. De moeder wil dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [voornaam minderjarige] . In het belang van het kind zou afgeweken kunnen worden van het uitgangspunt dat volgt uit de wet, namelijk dat de ondertoezichtstelling niet langer de geëigende maatregel is indien er niet wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing, bijvoorbeeld tot aan het moment dat de pleegmoeder met de voogdij belast wil worden.

De pleegmoeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat [voornaam minderjarige] een kwetsbare jongen is. Er is bij hem sprake van een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is psychomotorische therapie ingezet voor [voornaam minderjarige] . De pleegmoeder acht het van belang dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt voor [voornaam minderjarige] . De pleegmoeder is desgevraagd bereid om [voornaam minderjarige] te verzorgen en op te voeden tot aan zijn volwassenheid.

De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

[voornaam minderjarige] staat sinds 2009 onder toezicht en hij verblijft sinds januari 2017 in het huidige, perspectief biedende pleeggezin. [voornaam minderjarige] heeft een belast verleden. Hij is onder meer getuige geweest van huiselijk geweld. Er is sprake van een algehele ontwikkelingsachterstand bij [voornaam minderjarige] , met name op sociaal-emotioneel en cognitief gebied. Hij is gestart met psycho-motorische therapie, waarbij hij leert om zijn emoties op een adequate wijze te uiten. Ook is het van belang dat er in de komende periode traumatherapie wordt ingezet, waarvoor een stabiele opvoedsituatie is vereist. [voornaam minderjarige] lijkt zich vanuit loyaliteit naar de moeder niet te durven hechten aan de pleegouders, waardoor zijn verdere groei lijkt te stagneren.

Sinds het verblijf in het pleeggezin maakt [voornaam minderjarige] een positieve ontwikkeling door. De pleegouders komen tegemoet aan de specifieke opvoed- en ontwikkelingsbehoeften van [voornaam minderjarige] en zij bieden hem de rust, stabiliteit en structuur die hij nodig heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting gebleken dat de moeder, ondanks haar inzet, onvoldoende in staat is om binnen een voor [voornaam minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige] zelf op zich te nemen. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek en zij beschikt over onvoldoende opvoedvaardigheden om tegemoet te komen aan de specifieke opvoed- en ontwikkelingsbehoeften van [voornaam minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvaardbare termijn waarbinnen [voornaam minderjarige] bij de moeder zou kunnen terugkeren, inmiddels verstreken. Duidelijk is dat het perspectief van [voornaam minderjarige] niet bij de moeder ligt.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan. Er bestaat geen aanleiding om de zaak aan te houden. omdat in deze situatie geen wijziging zal komen. Het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder zal daarom worden toegewezen.

Ten gevolge van voornoemde beslissing zal de vader voortaan het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] alleen uitoefenen (artikel 274, eerste lid, BW), inclusief het bewind over zijn vermogen (artikel 253i, derde lid, BW). Daarnaast blijven de huidige beslissingen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] van kracht op grond waarvan de plaatsing van [voornaam minderjarige] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin zal worden voortgezet.

De rechtbank acht het in het belang van [voornaam minderjarige] noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over het toekomstperspectief van [voornaam minderjarige] en de vraag waar hij zal opgroeien. De Raad dient daarom met spoed onderzoek te doen naar de (on)mogelijkheden van de vader om in de toekomst zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] op zich te nemen en de vraag wat in deze in het belang van [voornaam minderjarige] is. Daarbij dient meegewogen te worden dat het halfbroertje van [voornaam minderjarige] , [naam (half)broertje] , ook al langdurig in het gezin van de pleegouders woont en daar zal blijven wonen.

De rechtbank wijst er nadrukkelijk op dat het beëindigen van het gezag van de moeder niets afdoet aan het feit dat zij altijd de moeder van [voornaam minderjarige] zal blijven en dat haar rol in het leven van [voornaam minderjarige] van groot belang blijft. Beëindiging van het gezag van de moeder staat niet in de weg aan de omgang met hem en, indien in het belang van [voornaam minderjarige] , eventueel de uitbreiding daarvan. Ook staat het beëindigen van het gezag er niet aan in de weg dat de moeder waar mogelijk betrokken blijft of zal worden bij essentiële zaken die [voornaam minderjarige] betreffen. Ten slotte acht de rechtbank het van belang, behoudens onvoorziene omstandigheden, dat de moeder gezien haar betrokkenheid op [voornaam minderjarige] door de GI en de Raad betrokken wordt in mogelijke toekomstige procedures betreffende [voornaam minderjarige] .

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op
[geboortedatum moeder] te [woonplaats moeder] , over [voornaam minderjarige] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 februari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.