Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9519

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-12-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
10-080955-18 vordering TUL VV: 22-003217-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega Roetnevel. Vijf verdachten zijn veroordeeld voor ‘tikkie-fraude’, waarbij marktplaatsverkopers met valse tikkie-links werden bewogen om te klikken op een link naar een phishing website. Met hulp van de verkregen inloggegevens werden veelal dure goederen gekocht. Drie verdachten werden naast computervredebreuk, diefstal en oplichting, ook veroordeeld voor lidmaatschap criminele organisatie. De verdachte in dit vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Verder is beslist dat een bank als benadeelde partij in het strafproces schadevergoeding kan vorderen wanneer zij de schade van haar opgelichte klanten heeft vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2020/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10-080955-18

Parketnummer vordering TUL VV: 22-003217-17

Datum uitspraak: 5 december 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10, 11, 14 en 17 oktober 2019 en 5 december 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde, met uitzondering van waar het onder 3 ten laste gelegde betrekking heeft op aangever [naam aangever 1] ;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 22-003217-17.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Centraal in het onderzoek Roetnevel staat een vorm van betaalverzoekfraude die ook wel Tikkie-fraude wordt genoemd. Uit de aangiften in het dossier blijkt dat de fraudeur(s) (hierna in enkelvoud) veelal contact zocht(en) via Marktplaats-advertenties van de slachtoffers. De fraudeur toonde interesse in het aangeboden product, waarna de conversatie zich vaak voortzette via WhatsApp. Als het op de betaling van het product aankwam, vroeg de fraudeur aan het slachtoffer of hij hem eerst één cent wilde betalen via een vermeend “Tikkie-betaalverzoek”.1 De fraudeur berichtte vaker te zijn opgelicht en zou op deze manier de (bank)gegevens van de verkoper willen controleren. In werkelijkheid werd het slachtoffer na het klikken op de Tikkie-link naar een phishingwebsite geleid die qua uiterlijk leek op de inlogpagina van zijn of haar bank. Het slachtoffer vulde vervolgens diverse gegevens in zoals gebruikersnaam en wachtwoord van de internetbankierenaccount. Ook vulde het slachtoffer dikwijls een ontvangen (TAN-)code in. De fraudeur heeft de op de phishingwebsite ingevoerde gegevens afgevangen waardoor vervolgens met die gegevens kon worden ingelogd op het internetbankierenaccount van het slachtoffer. Tevens werden op een mobiel toestel van de fraudeur de Mobiel Bankieren App en vaak ook de Mobiel Betalen App (voor contactloos betalen) geïnstalleerd die gekoppeld werden aan de betaalrekening van het slachtoffer. Daarmee zijn diverse betalingen gedaan bijvoorbeeld in MediaMarkt. Een deel van die aankopen werd kort daarna in een andere vestiging geretourneerd tegen contant geld. Daarnaast werden er door middel van genoemde apps soms overschrijvingen (tussen spaar- en betaalrekeningen) gedaan.

Het onderzoek Roetnevel beslaat verschillende zaaksdossiers, waaronder zaaksdossiers Media Markt ( [naam aangever 2] , [naam aangeefster 1] , [naam aangever 3] en [naam aangever 1] ), Kaart ( [naam aangever 4] ), iPad ( [naam aangever 5] ), ING ( [naam aangever 6] , [naam aangever 7] , [naam aangever 8] en [naam aangever 9] ), CD-speler ( [naam aangeefster 2] ), Nike ( [naam aangeefster 6] ), Adidas ( [naam aangeefster 3] ), SNS ( [naam aangeefster 4] ) en Lederen Jas ( [naam aangeefster 5] ).

4.2.

Dadergroep

De verdachte [naam verdachte]2 is aangehouden in een vestiging van de MediaMarkt in Rotterdam op 23 april 2018. Tijdens de aanhouding had [naam verdachte] een Samsung Galaxy J3 smartphone (hierna: de Samsung I) bij zich. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat er meerdere aangiften van Tikkie-fraude konden worden gelinkt aan (de informatie uit) die telefoon, te weten de aangiften van [naam aangever 3] , [naam aangeefster 1] , [naam aangever 2] , [naam aangever 1] , [naam aangever 5] , [naam aangever 9] , en [naam aangever 4] . [naam aangever 1] is benaderd door middel van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dat telefoonnummer is eveneens gebruikt in de zaak [naam aangeefster 6] en [naam aangeefster 3] , zodat ook sprake is van een verband tussen deze zaken en de eerdergenoemde zaken. Uit de aangiften van ING blijkt dat in hun systemen is vastgelegd dat de eerste klantafwijkende inlogmomenten op de bankrekeningen van de aangevers [naam aangeefster 1] en [naam aangever 3] met de Device-ID3 van de Samsung I plaatsvonden via IP-adres [IP-adres] (hierna ook: het IP-adres). Het IP-adres bleek ook in andere fraudedossiers te zijn gebruikt. De aangiften die daarop zien zijn van [naam aangever 6] , [naam aangever 7] (hierna: [naam aangever 7] ), [naam aangever 8] (hierna; [naam aangever 8] ) en de eerdergenoemde [naam aangever 9] . Bovendien stond het IP-adres ook vermeld op een afbeelding in de Samsung I. Aangeefster [naam aangeefster 1] ontving een Tikkie-link via het nummer [telefoonnummer 2] . Hetzelfde telefoonnummer komt ook voor in de hiervoor beschreven aangiften van [naam aangever 7] en [naam aangever 8] . De verdachte [naam medeverdachte 1] heeft ten laste van aangever [naam aangever 2] de frauduleuze aankopen in de Mediamarkt gedaan. Daarnaast is in de iPhone 8 van [naam medeverdachte 1] een afbeelding van de bankrekeningen van aangever [naam aangever 6] aangetroffen. In een andere telefoon die onder [naam medeverdachte 1] in beslag is genomen (IBN-code D.01.01.001; hierna: Samsung II) staan schermopnamen met daarop bankgegevens van aangever [naam aangeefster 2] . Het telefoonnummer van de Samsung II is gebruikt voor het versturen van een Tikkie-link in de zaak van aangever [naam aangeefster 5] . Tot slot is de bankrekening van [naam medeverdachte 1] gebruikt voor een frauduleuze overschrijving vanaf de bankrekening van aangever [naam aangeefster 4] . Dat betekent dat ook de aangiften van [naam aangeefster 2] , [naam aangeefster 5] en [naam aangeefster 4] in verband staan tot de andere aangiften.

Gelet op de hiervoor beschreven dwarsverbanden tussen de verschillende aangiften, verdachten en onderzoeksresultaten concludeert de rechtbank dat het in deze zaaksdossiers niet gaat om verschillende aangiften tegen daders die toevallig hetzelfde delict plegen, maar dat het gaat om één dader of dadergroep die al dan niet in wisselende samenstelling opereerde.

4.3.

Betrokkenheid per verdachte

Hierna zal de rechtbank de betrokkenheid per verdachte nader duiden.

4.3.1.

[naam verdachte]

4.3.1.1. [naam aangever 1]

is zoals vermeld op 23 april 2018 aangehouden in een MediaMarkt-filiaal. Hij had op dat moment de Samsung I bij zich, waarop de ING Mobiel betalen app was geïnstalleerd die gekoppeld was aan de bankrekening van aangever [naam aangever 1] . [naam verdachte] heeft ter zitting bekend dat hij daarmee aankopen wilde doen.

[naam aangever 1] heeft aangifte gedaan omdat zij na contact met een potentiële koper via Marktplaats op 22 april 2018 een Tikkie-link had ontvangen en dacht één cent te hebben overgemaakt naar die koper. In afwachting van de beloofde overschrijving door de koper zag zij op 23 april 2018 dat er € 4.000,- van haar spaarrekening was ontspaard. De potentiële koper maakte gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] toen hij de Tikkie-link verzond. Dit telefoonnummer schrijft de rechtbank aan de verdachte [naam medeverdachte 3] toe (zie paragraaf 4.3.3.1.).

4.3.1.2. [naam aangever 3]

[naam verdachte] heeft verder bekend dat hij ook de persoon is die op 21 april 2018 een aankoop bij MediaMarkt heeft gedaan. Die aankoop werd gedaan door middel van de Samsung I op kosten van aangever [naam aangever 3] . Aangever [naam aangever 3] had ook contact met het telefoonnummer van de Samsung I.

4.3.1.3. [naam aangeefster 1]

[naam verdachte] is tevens herkend op camerabeelden van MediaMarkt van 16 april 2018 toen hij samen met [naam medeverdachte 2] op kosten van aangever [naam aangeefster 1] een frauduleuze aankoop deed. Ook in deze zaak werd betaald met behulp van de Mobiel Bankieren app die op de Samsung I was geïnstalleerd.

Door de verdediging is bepleit dat de aan [naam verdachte] toegeschreven betalingen met de Samsung I (of de poging daartoe inzake [naam aangever 1] ) niet een zodanige wezenlijke bijdrage opleveren dat daardoor bewezen kan worden dat hij de feiten heeft medegepleegd. Er is slechts sprake van medeplichtigheid. De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt dat de bijdrage van [naam verdachte] essentieel is om de Tikkie-fraude te laten slagen en financieel voordeel te behalen. De rol van [naam verdachte] in het geheel is derhalve van voldoende gewicht om van medeplegen te spreken. Daarnaast wordt aangenomen dat de samenwerking met anderen nauw en bewust is geweest omdat steeds kort na het verkrijgen van de gegevens van de slachtoffers en het inloggen op hun bankrekeningen [naam verdachte] zijn weg naar de winkel had gevonden om de frauduleuze aankopen te doen.

4.3.1.4. Vrijspraak overige zaaksdossiers

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd tot een bewezenverklaring voor de strafbare feiten jegens [naam aangever 5] , [naam aangever 7] , [naam aangever 9] , [naam aangever 8] en [naam aangever 6] , omdat de Samsung I eveneens in die zaken is gebruikt. Nu echter niet vastgesteld kan worden dat de Samsung I enkel en met uitsluiting van anderen werd gebruikt door [naam verdachte] en overigens geen bewijs is voor betrokkenheid van [naam verdachte] bij de strafbare feiten jegens genoemde aangevers, zal hij daarvan worden vrijgesproken. Daarbij is meegewogen dat [naam verdachte] op 29 maart 2018 uit detentie kwam.

4.3.1.5. Deelconclusie

Het voorgaande betekent dat [naam verdachte] wordt veroordeeld voor het medeplegen van de tenlastegelegde strafbare feiten jegens [naam aangever 1] , [naam aangever 3] en [naam aangeefster 1] . Vrijspraak volgt voor de tenlastegelegde strafbare feiten jegens [naam aangever 5] , [naam aangever 7] , [naam aangever 9] , [naam aangever 8] en [naam aangever 6] .

4.3.2.

[naam medeverdachte 2]

Aan [naam medeverdachte 2] is ten laste gelegd dat hij zich ten aanzien van aangevers [naam aangever 3] en [naam aangeefster 1] heeft schuldig gemaakt aan Tikkie-fraude.

4.3.2.1. [naam aangeefster 1]

De aankoop bij MediaMarkt ten laste van de rekening van [naam aangeefster 1] vond plaats op 16 april 2018. Op de camerabeelden zijn drie personen te zien die samen de winkel binnenkomen en later ook met zijn drieën bij de kassa staan. Bij de kassa geeft de persoon die is herkend als [naam verdachte] een document aan de medewerker van MediaMarkt. Op de beelden is te zien dat de drie mannen met elkaar spreken terwijl zij wachten op de medewerker. Als de medewerker terugkomt met de producten, is te zien dat [naam verdachte] zijn telefoon pakt. Na het afrekenen wordt aan [naam verdachte] een tas met goederen en een document overhandigd. Hij loopt met de twee andere personen uit beeld. Op beelden van een andere camera is te zien dat zij richting de uitgang lopen. [naam verdachte] draagt dan de tas met goederen, terwijl de persoon die door de politie herkend wordt als [naam medeverdachte 2] het document in zijn handen heeft. Nu de betreffende verbalisant meerdere malen met [naam medeverdachte 2] contact heeft gehad en zijn herkenning heeft gemotiveerd, acht de rechtbank deze herkenning betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De betaling van de frauduleuze transactie vond plaats om 20:57 uur. Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] straalde om 21:01 uur aan bij een mast gelegen in de nabijheid van de MediaMarkt aan het Binnenwegplein in Rotterdam. De simkaart van het mobiele nummer [telefoonnummer 3] is onder [naam medeverdachte 2] in beslag genomen. De rechtbank gaat er gelet op die omstandigheden daarom vanuit dat [naam medeverdachte 2] een van de drie mannen in de MediaMarkt was. De rechtbank stelt op basis van het voorgaande en bij gebreke van een alternatieve verklaring van de verdachte vast dat het er naar de uiterlijke verschijningsvorm uitziet als drie personen die samen een aankoop doen. Nu deze aankoop een essentieel onderdeel is van de Tikkie-fraude, moet [naam medeverdachte 2] worden aangemerkt als medepleger van de strafbare feiten ten aanzien van aangever [naam aangeefster 1] .

4.3.2.2. [naam aangever 3]

De frauduleuze transactie vanaf de rekening van aangever [naam aangever 3] bij MediaMarkt vond plaats op 21 april 2018. De eerste klantafwijkende inlog vond plaats via het eerdergenoemde IP-adres. Dit IP-adres was van de buren van [naam medeverdachte 2] . Daarnaast blijken de twee mobiele telefoonnummers die aan [naam medeverdachte 2] worden toegeschreven ( [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 3] ) masten te hebben aangestraald in de gebieden rondom de MediaMarkt vestiging te Rotterdam waar de goederen zijn gekocht (Alexandrium) en waar is geprobeerd om de goederen daarna te retourneren (Binnenwegplein). De officier van justitie acht op basis daarvan bewezen dat de verdachte ook medepleger was ten aanzien van de feiten ten aanzien van aangever [naam aangever 3] .

De verdediging heeft betoogd dat door plaatsbepaling aan de hand van een mobiel nummer een telefoon mogelijk in een bepaald gebied gebracht kan worden, maar dat op basis daarvan niet zonder meer kan worden bewezen dat een persoon ook in een winkel is geweest. Bovendien gaat het om het IP-adres van de kapperszaak van de buren, die ook bijvoorbeeld door klanten werd gebruikt. [naam medeverdachte 2] moet daarom van deze zaak worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt het volgende vast.

De aankoop op 21 april 2018 vond plaats bij MediaMarkt Alexandrium om 17:17 uur, terwijl tussen 17:51 en 17:55 uur is geprobeerd om die aankoop te retourneren bij MediaMarkt aan het Binnenwegplein in Rotterdam. Op basis van de telefoongegevens kan slechts worden afgeleid dat de telefoons die aan de verdachte worden toegeschreven in de buurt van genoemde filialen masten hebben aangestraald. De politie heeft ook onderzoek gedaan naar camerabeelden uit de genoemde filialen van MediaMarkt van 21 april 2018. Op die beelden is bij de transacties slechts één persoon te zien. De rechtbank gaat er op basis van de beelden van uit dat deze persoon niet [naam medeverdachte 2] is geweest. De rechtbank concludeert dan ook dat het op basis van het dossier niet mogelijk is om een concrete bijdrage van [naam medeverdachte 2] aan het strafbare feit op 21 april 2018 vast te stellen. Het gebruikte IP-adres van de buren van [naam medeverdachte 2] is daarvoor onvoldoende, nu dit IP-adres ook door anderen uit de dadergroep kan zijn gebruikt. Niet bewezen kan worden dat [naam medeverdachte 2] betrokkenheid had bij de strafbare feiten ten aanzien van aangever [naam aangever 3] .

4.3.2.3. Deelconclusie

Het voorgaande betekent dat [naam medeverdachte 2] wordt veroordeeld voor het medeplegen van de tenlastegelegde strafbare feiten jegens [naam aangeefster 1] . Vrijspraak volgt voor de tenlastegelegde strafbare feiten jegens [naam aangever 3] .

4.3.3.

[naam medeverdachte 3]

Aan [naam medeverdachte 3] is ten laste gelegd dat hij zich ten aanzien van aangevers [naam aangever 1] (MediaMarkt), [naam aangeefster 6] (Nike) en [naam aangeefster 4] (SNS Bank/Regiobank) schuldig heeft gemaakt aan Tikkie-fraude. Gelet op het verweer van [naam medeverdachte 3] ten aanzien van de onder hem in beslag genomen telefoons zullen genoemde zaaksdossiers niet in aparte paragrafen, maar gezamenlijk worden behandeld.

4.3.3.1. Telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 5]

Tijdens een doorzoeking in de woning van [naam medeverdachte 3] op 15 mei 2018 is een iPhone 5 aangetroffen. Op die telefoon was WhatsApp geïnstalleerd en gekoppeld aan het mobiele nummer [telefoonnummer 1] . Bij die doorzoeking is ook een iPhone 6S aangetroffen met daarin een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Beide nummers komen diverse malen voor in het onderzoek naar Tikkie-fraude.

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is zoals eerder vermeld gebruikt voor het versturen van een Tikkie-link aan aangever [naam aangever 1] op 22 april 2018.

Datzelfde telefoonnummer is op 2 mei 2018 ook gebruikt in het contact met aangeefster [naam aangeefster 6] (zaaksdossier Nike). Zij ontving van de gebruiker van dat nummer een Tikkie-link en zag later dat er vanaf haar rekening frauduleuze aankopen waren gedaan bij een Shell-tankstation te Gouda. Van die aankopen zijn de camerabeelden veiliggesteld. Twee verbalisanten herkennen verdachte [naam medeverdachte 3] op die beelden.

Aangever [naam aangeefster 3] (zaaksdossier Adidas) ontving op 12 mei 2018 een Tikkie-link van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 1] . [naam aangeefster 3] vertrouwde de Tikkie-link echter niet. De gebruiker van het nummer [telefoonnummer 1] meldde via de app dat hij [naam aangeefster 3] wel even zou bellen om het uit te leggen. Die avond vond er tussen [naam aangeefster 3] en de gebruiker van nummer [telefoonnummer 5] een telefoongesprek. Dit wijst erop dat beide nummers door dezelfde persoon werden gebruikt.

Aangeefster [naam aangeefster 4] heeft aangifte gedaan van onbevoegd gebruik van haar bankrekening. De werkwijze wijkt af van de eerder beschreven Tikkie-fraude, maar ook deze aangeefster had contact met de gebruiker van nummer [telefoonnummer 5] en verstrekte aan hem de inloggegevens van haar internetbankieren-account. Het WhatsApp-gesprek met de aangeefster op 9 april 2018 is ook daadwerkelijk aangetroffen op de eerdergenoemde iPhone 6S met het nummer [telefoonnummer 5] . Uiteindelijk werd onder andere een bedrag van € 240,- overgeschreven van haar rekening naar een bankrekening van verdachte [naam medeverdachte 1] .

Tot slot is uit het onderzoek naar de inhoud van de onder [naam verdachte] in beslag genomen Samsung I gebleken dat de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 5] in de periode van 15 tot en met 23 april 2018 bijna dagelijks WhatsApp-gesprekken over Tikkie-fraude heeft gehad met de gebruiker van de Samsung I.

[naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat de iPhone 5 niet zijn telefoon is. Hij heeft dat toestel alleen voor [naam medeverdachte 1] bewaard. De iPhone 6S was wel zijn eigen toestel, maar dat toestel zou hij vaak hebben uitgeleend. Hij heeft verklaard dat hij zijn toestel op alle momenten in april en mei 2018 waarop daarmee Tikkie-fraude is gepleegd aan [naam medeverdachte 1] heeft uitgeleend. Hij was niet op de hoogte van de Tikkie-fraude en heeft nooit berichten daarover gezien of verstuurd. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de handelingen met genoemde nummers aan [naam medeverdachte 3] toegeschreven kunnen worden.

De rechtbank overweegt dat de iPhone 6S niet alleen bij [naam medeverdachte 3] is aangetroffen, maar dat op het telefoonnummer [telefoonnummer 5] ook een telefoontap was aangesloten in de periode van – voor zover van belang – 12 tot en met 15 mei 2018. In die periode is een deel van de Tikkie-fraude gepleegd. Aangever [naam aangeefster 3] heeft bijvoorbeeld op 12 mei 2018 een Tikkie-link ontvangen (via [telefoonnummer 1] ) en heeft telefonisch gesproken met de gebruiker van nummer [telefoonnummer 5] . In de periode dat de telefoontap was aangesloten, heeft de politie alleen de stem van [naam medeverdachte 3] gehoord. Zij hebben niet gehoord dat er in die periode ook andere personen gebruik hebben gemaakt van dat nummer. De verklaring van [naam medeverdachte 3] dat hij deze telefoon veelvuldig heeft uitgeleend, is om die reden niet aannemelijk geworden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [naam medeverdachte 3] in de tenlastegelegde periode de (enige) gebruiker van de iPhone 6S met nummer [telefoonnummer 5] was en de daarmee verrichte handelingen in de zaak [naam aangeefster 4] (en [naam aangeefster 3] ) heeft verricht.

Ook de iPhone 5 met nummer [telefoonnummer 1] is bij [naam medeverdachte 3] aangetroffen. Hierover heeft [naam medeverdachte 3] verklaard dat hij die telefoon sinds een paar weken voor zijn aanhouding (medio mei 2018) bewaarde voor [naam medeverdachte 1] . Op dat toestel is echter een selfie aangetroffen van [naam medeverdachte 3] . Uit de achterliggende technische informatie (Exif informatie4) van de foto blijkt dat de foto met een iPhone 5 is gemaakt op 16 september 2017. Aan [naam medeverdachte 3] is gevraagd waarom er een selfie van hem op de iPhone 5 staat die een aantal maanden voordat hij het toestel voor [naam medeverdachte 1] zou zijn gaan bewaren, is gemaakt. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat die foto met een andere iPhone 5 moet zijn gemaakt en dat die foto mogelijk van zijn (openbare) Facebook-profiel is gehaald. In een aanvullend proces-verbaal van 10 oktober 2019 is beschreven dat Exif informatie wordt verwijderd als een foto wordt geüpload naar bijvoorbeeld Facebook. Daarnaast wijzen de bestandsnaam van de foto en de map waarin de foto op het toestel is aangetroffen erop dat de foto wel met de in beslag genomen iPhone 5 is gemaakt. De verklaring van [naam medeverdachte 3] over deze telefoon is dan ook niet aannemelijk geworden.

Bovendien heeft [naam medeverdachte 3] erkend dat hij de betaling bij het tankstation ten laste van aangever [naam aangeefster 6] heeft gedaan. De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande vanuit dat [naam medeverdachte 3] de gebruiker van de iPhone 5 met nummer [telefoonnummer 1] was en de daarmee verrichte handelingen in de zaak [naam aangever 1] , [naam aangeefster 6] (en [naam aangeefster 3] ) heeft verricht.

4.3.3.2. Deelconclusie

Het voorgaande betekent dat [naam medeverdachte 3] in de zaken [naam aangever 1] en [naam aangeefster 6] Tikkie-links naar de aangevers heeft verzonden en vervolgens ook op rekening van de aangevers betalingen heeft gedaan. Hiermee staat vast dat [naam medeverdachte 3] wetenschap en dus ook opzet had op de Tikkie-fraude en niet slechts door een ander is gebruikt voor het doen van de betaling. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dan ook dat de gedragingen van [naam medeverdachte 3] van voldoende gewicht zijn om van medeplegen te spreken en dat niet, zoals door de verdediging is betoogd, slechts sprake is van handelingen die medeplichtigheid opleveren. In de zaak [naam aangeefster 4] heeft [naam medeverdachte 3] haar inloggegevens verkregen. Hiermee is een overschrijving aan [naam medeverdachte 1] gedaan, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat [naam medeverdachte 3] zich ook schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de tenlastegelegde strafbare feiten jegens [naam aangeefster 4] .

4.3.4.

[naam medeverdachte 1]

Aan [naam medeverdachte 1] is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Tikkie-fraude ten aanzien van de slachtoffers [naam aangever 2] (MediaMarkt), [naam aangeefster 4] (SNS), [naam aangeefster 5] (Lederen jas) en [naam aangeefster 2] (CD speler). Nu in een aantal van deze zaken de telefoons van [naam medeverdachte 1] een rol spelen, zal eerst het verweer van de verdediging met betrekking tot deze telefoons worden behandeld.

4.3.4.1. Mobiele telefoons

Door de verdediging is aangevoerd dat de inbeslaggenomen telefoons van de verdachte zonder toestemming van een officier van justitie of rechter-commissaris diepgravend zijn onderzocht. Hiermee is een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte gemaakt, zodat sprake is van een schending van het recht op privacy als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat levert een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zodat de resultaten van het onderzoek aan de telefoons niet als bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Uit het dossier blijkt dat de doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van de verdachte op 29 mei 2019 op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. De toen aangetroffen Samsung II en iPhone (IBN-code D.01.01.002) zijn dus op grond van artikel 104 Sv door de rechter-commissaris in beslag genomen. In deze bevoegdheid tot inbeslagneming van de rechter-commissaris ligt ook de bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen besloten (HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:588). Dat betekent dat – ook als sprake is van een onderzoek waarbij een meer dan beperkte of zelfs zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt – geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De resultaten van het onderzoek in de genoemde telefoons mogen dan ook bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten. Het verweer wordt verworpen.

4.3.4.2. [naam aangever 2]

Aangever [naam aangever 2] heeft een Tikkie-link ontvangen via het telefoonnummer van de Samsung I ( [telefoonnummer 6] ). Later zijn er via een Mobiel Betalen app ten laste zijn bankrekening contactloze betalingen bij MediaMarkt en Albert Heijn gedaan. [naam medeverdachte 1] heeft bekend dat hij deze betalingen bij MediaMarkt en Albert Heijn heeft verricht. De in MediaMarkt aangekochte Chromebook is in de woning van [naam medeverdachte 1] aangetroffen. De bijdrage van [naam medeverdachte 1] was essentieel om de Tikkie-fraude te laten slagen en financieel voordeel te behalen. Daarnaast wordt aangenomen dat gelet op de benodigde snelheid de samenwerking met de gebruiker van de Samsung I nauw en bewust was.

4.3.4.3. [naam aangeefster 5]

Aangeefster [naam aangeefster 5] heeft een Tikkie-link ontvangen via het telefoonnummer [telefoonnummer 7] . Later is er een aankoop ten laste van haar rekening bij MediaMarkt in Den Haag gedaan. Op de camerabeelden is [naam medeverdachte 3] herkend als de persoon die de aankoop doet.

Tijdens een doorzoeking in de woning van [naam medeverdachte 1] is de Samsung II aangetroffen met daarin een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 7] . [naam medeverdachte 1] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat de Samsung II van hem is, maar dat die telefoon door anderen wordt gebruikt, door [naam medeverdachte 3] in het bijzonder. Hij was niet op de hoogte van de gepleegde Tikkie-fraude.

De rechtbank acht het echter niet aannemelijk dat [naam medeverdachte 1] zijn eigen telefoon niet gebruikte. Hierbij is ook van belang dat er afbeeldingen in de Samsung II zijn aangetroffen waarop een telefoonscherm is te zien met een barst overeenkomstig aan de barst op de iPhone van [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 1] heeft bovendien geprobeerd om de Samsung II (en onder andere zijn iPhone) in de tuin te verstoppen toen zijn woning werd doorzocht. Dit wijst op wetenschap van en betrokkenheid bij het frauduleuze gebruik. De rechtbank gaat er gezien die omstandigheden dan ook van uit dat [naam medeverdachte 1] de Tikkie-link aan aangever [naam aangeefster 5] heeft verzonden en nauw en bewust met [naam medeverdachte 3] (en mogelijke andere daders) heeft samengewerkt ten aanzien van de overig ten laste gelegde handelingen in dit zaaksdossier.

4.3.4.4. [naam aangeefster 2]

Aangeefster [naam aangeefster 2] heeft op 28 mei 2018 een Tikkie-link via het telefoonnummer [telefoonnummer 8] ontvangen. Iemand anders dan de aangeefster heeft vervolgens gebruik gemaakt van haar bankgegevens en een klein bedrag naar onbekende rekeningen overgeschreven. Op de Samsung II van [naam medeverdachte 1] zijn onder andere vijf ontvangen schermopnamen met daarop diverse gegevens van de bankrekening van aangeefster [naam aangeefster 2] en een Tikkie-link van € 0,01 aangetroffen. [naam medeverdachte 1] beschikte dus over de bankgegevens van [naam aangeefster 2] . Mede gelet op het bewijs in de zaken [naam aangever 2] en [naam aangeefster 5] en de overige aangetroffen inhoud van de telefoons van [naam medeverdachte 1] die ziet op Tikkie-fraude acht de rechtbank bewezen dat [naam medeverdachte 1] de bankgegevens van [naam aangeefster 2] met opzet op en wetenschap van de Tikkie-fraude heeft ontvangen. Gelet op de eerder beschreven werkwijze bij Tikkie-fraude en de benodigde snelheid om de Tikkie-fraude te laten slagen, gaat de rechtbank er van uit dat [naam medeverdachte 1] hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen.

4.3.4.5. [naam aangeefster 4]

In paragraaf 4.3.3.1 heeft de rechtbank vastgesteld dat [naam medeverdachte 3] na contact met [naam aangeefster 4] een bedrag van € 240,- van haar bankrekening heeft overgeschreven naar een bankrekening op naam van [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 1] heeft erkend dat deze bankrekening van hem is en hij zijn bankgegevens aan [naam medeverdachte 3] heeft gegeven, maar heeft ontkend dat hij op de hoogte was van het frauduleuze karakter van de overschrijving. Hij heeft verklaard dat hij nog geld kreeg van een oud-collega [naam medeverdachte 3] , die ook is aangehouden (de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 3] ). [naam medeverdachte 3] had hem gevraagd naar zijn rekeningnummer, zodat hij het geld kon overschrijven. Dit gesprek met [naam medeverdachte 3] heeft plaatsgevonden via WhatsApp en zou staan op zijn telefoon. Het bedrag dat hij had ontvangen op zijn rekening kwam overeen met het bedrag dat hij nog kreeg, zodat hij ten tijde van de overschrijving niet wist dat het bedrag frauduleus was verkregen.

De rechtbank acht deze verklaring echter niet aannemelijk. In de eerste plaats geldt dat het bedrag vanaf de rekening van [naam aangeefster 4] was overgeschreven, zodat zichtbaar was dat dit niet van [naam medeverdachte 3] afkomstig was. Verder is van belang dat [naam medeverdachte 3] de verklaring van [naam medeverdachte 1] op meerdere onderdelen heeft betwist. De verdachte heeft desondanks nagelaten om het WhatsApp-gesprek met [naam medeverdachte 3] aan de politie te tonen dan wel aan de rechtbank te overleggen. Gelet op deze omstandigheden heeft [naam medeverdachte 1] geen geloofwaardige uitleg gegeven over de ontvangst van het geldbedrag op zijn bankrekening. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet moet hebben gehad op de samenwerking met [naam medeverdachte 3] ten aanzien van dit zaaksdossier.

4.3.4.6. Deelconclusie

De rechtbank gaat er gelet op het bovenstaande in alle genoemde zaken vanuit dat [naam medeverdachte 1] niet slechts gebruikt is door anderen en met wetenschap en opzet op de strafbare feiten heeft gehandeld. De genoemde handelingen van [naam medeverdachte 1] waren ook essentieel om de

(Tikkie-)fraude te laten slagen en financieel voordeel te behalen. Daarnaast wordt aangenomen dat de samenwerking met anderen nauw en bewust moet zijn geweest omdat steeds heel kort na het verkrijgen van de gegevens van de slachtoffers en het inloggen op hun bankrekeningen betalingen dan wel overschrijvingen werden gedaan.

4.4.

Criminele organisatie

Aan alle verdachten is ten laste gelegd dat zij hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van – samengevat – Tikkie-fraude.

Om te kunnen spreken van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moeten de bestanddelen organisatie, oogmerk van de organisatie en deelneming aan die organisatie zijn vervuld. Onder organisatie wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur tussen een verdachte en ten minste één andere persoon. Het oogmerk van die organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Van deelneming aan de organisatie is pas sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, of ondersteunt bij, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk (tot het plegen van misdrijven).

Uit het voorgaande blijkt dat er in elk geval gedurende bijna twee maanden Tikkie-fraudes hebben plaatsgevonden die door verschillende personen zijn gepleegd. De rechtbank heeft al vastgesteld dat er sprake is van één dadergroep. Verder blijkt uit de eerder geschetste handelswijze dat er verschillende taken moesten worden vervuld om tot een succesvolle Tikkie-fraude te komen. De websites met de daarbij behorende Tikkie-links moesten worden verkregen. Uit een chatgesprek over Tikkie-fraude op de Samsung I blijkt dat er weer nieuwe sites bij een Rus werden ingekocht. De bijbehorende Tikkie-links moesten worden verzonden naar de potentiële slachtoffers of naar de persoon die contact had met deze potentiele slachtoffers. De door de slachtoffers ingevoerde gegevens moesten vervolgens worden afgevangen en gebruikt om in te loggen op de bankrekening van het slachtoffer. Afhankelijk van het saldo op de bankrekening moest er geld van de spaarrekening worden ontspaard of betalingen worden teruggeboekt om voldoende saldo beschikbaar te maken. Aan de rekening moest een Mobiel Bankieren App en soms ook een Mobiel Betalen App worden gekoppeld om (contactloze) betalingen via een mobiele telefoon mogelijk te maken. Ook werden er soms overschrijvingen gedaan. Vervolgens moest er op korte termijn iemand met die telefoon betalingen doen en in veel gevallen de daarmee gefinancierde aankopen daarna weer retourneren om contant geld in ontvangst te nemen.

Om ontdekking of een blokkade op de rekening te voorkomen was het noodzakelijk om zo kort mogelijk na het afvangen van de gegevens ook daadwerkelijk deze betalingen te doen. Uit het dossier blijkt dat in diverse zaken meerdere personen onderdelen van de Tikkie-fraude hebben gepleegd. De personen die contact hadden met de slachtoffers, de personen die inlogden met de verkregen gegevens en de personen die de aankopen zijn gaan doen, moesten, nu dat niet dezelfde personen zijn, veelvuldig in een nauw verband met elkaar hebben samengewerkt om de opzet te laten slagen.

De eerst gedateerde bewezenverklaring voor Tikkie-fraude is van 13 april 2018. De laatst gedateerde bewezenverklaring is van 28 mei 2018. Ook als de niet ten laste gelegde zaken buiten beschouwing worden gelaten, kan er dus zonder meer gesproken worden van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.

De verdachten [naam verdachte] , [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] hebben aan deze organisatie deelgenomen in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Gelet op de eerder beschreven betrokkenheid bij de verschillende zaken kan worden vastgesteld dat zij hebben behoord tot een op Tikkie-fraude gericht samenwerkingsverband en dat zij daarnaast ook een aandeel hebben gehad in gedragingen die strekten tot de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk om Tikkie-fraude te plegen.

Ten aanzien van [naam verdachte] geldt dat het verweer dat de verdediging heeft gevoerd deels slaagt. Nu de verdachte pas op 29 maart 2018 op vrije voeten kwam en op 23 april 2018 wederom is aangehouden, zal een kortere periode dan ten laste gelegd worden bewezenverklaard. Het door de verdediging gevoerde voorwaardelijke verzoek om onderzoek te (laten) doen naar de datum waarop de onder [naam verdachte] in beslag genomen Samsung I en de daarbij behorende simkaart voor het eerst in gebruik zijn genomen, kan daarmee onbesproken blijven.

Ook ten aanzien van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] zal slechts een deel van de ten laste gelegde periode worden bewezenverklaard.

Voor [naam medeverdachte 2] geldt dat hij op 16 april 2018 samen met onder andere [naam verdachte] spullen op rekening van aangeefster [naam aangeefster 1] heeft gekocht en aldus betrokken was bij Tikkie-fraude. Daarnaast kunnen zijn telefoons in de buurt van winkels worden gebracht rond het moment dat er vergelijkbare frauduleuze aankopen zijn gedaan. Dat is verdacht. Zijn deelneming aan de organisatie kan dan ook niet worden uitgesloten, maar zijn bewezen rol is te klein om duurzame samenwerking te bewijzen.

Medeverdachte [naam medeverdachte 4] is per vonnis van gelijke datum eveneens vrijgesproken van deelneming aan een organisatie in de zin van artikel 140 Sr.

4.5.

Conclusie

Samenvattend betekent het voorgaande per verdachte het volgende.

4.5.1.

[naam verdachte] :

Bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde waar dat ziet op de aangevers [naam aangever 3] , [naam aangeefster 1] en [naam aangever 1] . Bewezenverklaring voor het onder 3 ten laste gelegde ten aanzien van de aangevers [naam aangever 3] en [naam aangeefster 1] . Partiële vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde voor zover het de overige aangevers betreft. Bewezenverklaring van het onder 4 en 5 ten laste gelegde.

4.5.2.

[naam medeverdachte 2]

Bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelede waar die feiten zien op aangeefster [naam aangeefster 1] en partiële vrijspraak voor het overige. Bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde. Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde.

4.5.3.

[naam medeverdachte 3]

Bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde ten aanzien van aangevers [naam aangever 1] en [naam aangeefster 6] . Bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde ten aanzien van de aangevers [naam aangever 1] , [naam aangeefster 6] en [naam aangeefster 4] . Bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde ten aanzien van [naam aangeefster 6] . Partiële vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde voor het overige. Bewezenverklaring van het onder 4 en 5 ten laste gelegde.

4.5.4.

[naam medeverdachte 1]

Bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde ten aanzien van aangevers [naam aangever 2] , [naam aangeefster 5] en [naam aangeefster 2] . Bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde ten aanzien van aangeefster [naam aangeefster 4] . Partiële vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde voor het overige. Bewezenverklaring ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde.

4.6.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 16 april 2018 tot en met 23 april 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in (een) (gedeelte van) één of meer geautomatiseerd(e) werk(en), te weten

een server en/of netwerk van de ING Bank is binnengedrongen, althans een deel daarvan, doordat verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

“Tikkie” link(s), heeft/hebben verzonden naar [naam aangever 3] (zaak Mediamarkt) en [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) en [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) , waarbij die [naam aangever 3] en [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) en [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) , naar phishing website(s) werden geleid, waardoor (inlog)gegevens van de bankrekeningen van voornoemde personen zijn opgevangen/afgevangen en/of achterhaald,

waarna verdachte en/of zijn mededader(s) vervolgens (telkens) inlogden met die aldus verkregen gegevens (al dan niet met behulp van mobiel bankieren betaal-apps van de ING Bank) op voornoemde geautomatiseerde werken, waarin hij verdachte en/of zijn mededader(s) zich wederrechtelijk bevond(en) , althans betalingen mee hebben verricht;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 16 april 2018 tot en met 23 april 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

(telkens) één of meerdere toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd(e) werk(en)

heeft verworven, en voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van strafrecht werd gepleegd, door één of meerdere TAN codes en/of (inlog)gegevens ( van

[naam aangever 3] (zaak MediaMarkt) en [naam aangeefster 1] (zaak MediaMarkt) en [naam aangever 1] (zaak MediaMarkt) ), althans toegangscodes(waarmee kon worden ingelogd op een server en/of website van de ING Bank, althans bankrekeningen van [naam aangever 3] en [naam aangeefster 1] en [naam aangever 1] (zaak MediaMarkt) ) voorhanden heeft gehad;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 16 april 2018 tot en met 23 april 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid ING Bank (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en),

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid , inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens van (ING) bankrekening(en) van [naam aangever 3] (zaak Mediamarkt) en [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) , heimelijk en zonder toestemming verworven en/of (vervolgens)

met die gegevens (van de ING bankrekeningen van die in de voorgaande alinea genoemde personen) ingelogd op de server en/of website en/of een netwerk, althans een deel daarvan, van voornoemde ING Bank, als zijnde hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die in de voorgaande alinea genoemde personen en (vervolgens)

(al dan niet met behulp van een mobiel bankieren app van de ING Bank op naam van de in de vierde alinea genoemde personen) (digitaal) één of meerdere goederen aangekocht/betaalt,

waardoor de ING Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

hij op 16 april 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen één geldbedrag (€ 2.482,22,=), toebehorende aan [naam aangeefster 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een ING mobiel bankieren app (op naam van voornoemde [naam aangeefster 1] en welke mobiel bankieren app was geïnstalleerd op een telefoon van verdachte en/of die van zijn, verdachtes, mededaders) waartoe hij verdachte en zijn mededaders niet gerechtigd waren meerdere mobiele telefoons, en goederen aangekocht bij de MediaMarkt aan het Binnenwegplein te Rotterdam, te betalen;

5.

hij in de periode van 16 april 2018 tot en met 23 april 2018 in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 3] en/of één of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer)

het plegen van computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht) en

het plegen van oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en

het plegen van diefstal door middel van een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

computervredebreuk, meermalen gepleegd;

2.

met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, voorhanden hebben, meermalen gepleegd;

3.

oplichting, meermalen gepleegd;

4.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

5.

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in georganiseerd verband samen met mededaders schuldig gemaakt aan internetoplichting. Met gebruik making van valse Tikkie-links en een phishingwebsite hebben zij inloggegevens van diverse nietsvermoedende slachtoffers verkregen en hebben daarmee bedragen aan hun rekeningen onttrokken. Hierbij hebben de verdachte en zijn mededaders ingelogd op de digitale bankrekening van de slachtoffers en daarmee inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Zij hebben misbruik gemaakt van het vertrouwen dat verkopers op Marktplaats in hen hebben gesteld en van het vertrouwen dat ING stelt in (betalings)opdrachten die via de ING mobiele apps worden gegeven. Handel op internet in het algemeen en op Marktplaats in het bijzonder en mobiel internetbankieren kan niet plaatsvinden zonder een minimumniveau van vertrouwen.


De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat er ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 sprake is van eendaadse samenloop.

In het nadeel van de verdachte heeft de rechtbank er verder rekening mee gehouden dat hij eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld, zoals blijkt uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 augustus 2019.

Gezien de ernst van de feiten, het aantal slachtoffers en het strafblad van de verdachte kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van 15 maanden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, nu de verdachte van een deel van de ten laste gelegde zaken is vrijgesproken. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

Aan dit vonnis is als bijlage een lijst gehecht van de in beslag genomen voorwerpen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen genummerd 3 en 4 te onttrekken aan het verkeer en de voorwerpen genummerd 1 en 2 terug te geven aan de verdachte.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om teruggave van voorwerp nummer 3.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen genummerd 1, 2 en 3 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. Nu de onder 3 genummerde mobiele telefoon en de inhoud daarvan niet is onderzocht, kan niet worden vastgesteld dat is voldaan aan de vereisten voor onttrekking aan het verkeer.

Het in beslag genomen voorwerp genummerd 4 zal worden onttrokken aan het verkeer.

De bewezen feiten 1 tot en met 4 zijn met betrekking tot dit voorwerp begaan.

9 Vorderingen benadeelde partij

ING Bank N.V. (hierna: ING) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij heeft verschillende vorderingen ingediend waarin zij materiële schade en onderzoekskosten vordert. De bedragen in de vorderingen corresponderen met de verschillende bedragen die bij de slachtoffers zijn buitgemaakt en die ING heeft vergoed aan de klanten, vermeerderd met een kleine vergoeding om het renteverschil tussen de transactiedatum en de vergoedingsdatum te compenseren.

ING vordert ten aanzien van:

- rekeninghouder [naam aangever 2] (zaaksdossier MediaMarkt) een vergoeding van € 2.440,60 aan materiële schade en een vergoeding van € 240,- aan onderzoekskosten;

rekeninghouder [naam aangeefster 5] (zaaksdossier Lederen Jas) een vergoeding van € 2.118,05 aan materiële schade en een vergoeding van € 240,- aan onderzoekskosten;

  • -

    rekeninghouder [naam aangeefster 1] (zaaksdossier MediaMarkt) een vergoeding van € 2.482,22 aan materiële schade en een vergoeding van € 480,- aan onderzoekskosten;

  • -

    rekeninghouder [naam aangever 10] (zaaksdossier Jay-Z) een vergoeding van € 3.923,13 aan materiële schade en een vergoeding van € 360,- aan onderzoekskosten;

  • -

    rekeninghouder [naam aangever 3] (zaaksdossier MediaMarkt) een vergoeding van € 2.420,78;
    rekeninghouder [naam aangever 7] (zaaksdossier ING) een vergoeding van € 2.502,58;
    rekeninghouder [naam aangever 9] (zaaksdossier ING) een vergoeding van € 170,20;
    rekeninghouder [naam aangever 8] (zaaksdossier ING) een vergoeding van € 1.165,58;
    rekeninghouder [naam aangever 6] (zaaksdossier ING) een vergoeding van € 2.159,66;
    rekeninghouder [naam aangeefster 6] (zaaksdossier Nike) een vergoeding van € 362,33,
    steeds voor materiële schade en een vergoeding van € 840,- aan onderzoekskosten.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering(en) van ING inclusief de interestvergoeding, voor zover de verdachte wordt veroordeeld voor directe betrokkenheid bij dat desbetreffende zaaksdossier. Per zaak dient slechts één uur aan onderzoekskosten te worden toegewezen.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen omdat er vrijspraak is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3.

Beoordeling

ING heeft meerdere vorderingen ingediend. De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, echter op grond van jurisprudentie5 oordeelt de rechtbank dat deelname aan een criminele organisatie op de voet van artikel 140 Sr niet (automatisch) voldoende is voor civielrechtelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor alle vanuit de criminele organisatie gepleegde delicten en de daaruit geresulteerde schade. Om die reden zal de rechtbank alleen die delen van de vordering inhoudelijk beoordelen die zien op zaaksdossiers waar de verdachte blijkens het hiervoor bewezen verklaarde directe betrokkenheid bij heeft gehad en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor het overige.

Ter zitting heeft de verdediging van één van de medeverdachten bepleit dat de schade van ING niet rechtstreeks uit de feiten is voortgevloeid; het zijn de rekeninghouders die schade hebben geleden en niet ING zelf. De vergoeding van die schades door ING kan niet worden aangemerkt als schade die rechtstreeks voortvloeit uit de feiten.

De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat een benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding kan indienen als er sprake is van schade die rechtstreeks aan haar is toegebracht door het bewezenverklaarde feit (art. 361 en 51f, eerste lid, Sv). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat deze eis niet te strikt moet worden uitgelegd.6 Er moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de vraag of het slachtoffer is geraakt in het belang dat de geschonden norm beschermt, niet doorslaggevend is (vergelijk voornoemd arrest). Niet uitgesloten is dat de schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging als zodanig, maar dat - gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte - de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in voornoemde wetsartikelen.

Kijkend naar de concrete omstandigheden van het geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zodanig nauw verband. De verdachte is veroordeeld voor Tikkiefraude en heeft aankopen betaald met de rekeningen van de aangevers. Voor zover ING hun klanten heeft gecompenseerd voor de schade (zie hierna) is dat in het maatschappelijke verkeer een voorzienbare reactie en het rechtstreekse gevolg van een fraude die zich richt op klanten van een bank.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks materiële schade is toegebracht ten aanzien van rekeninghouders [naam aangeefster 1] en [naam aangever 3] en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het deel van de vordering dat ziet op de onderzoekskosten deels onvoldoende is onderbouwd. Dat ING onderzoekskosten heeft gehad is aannemelijk gemaakt. Uit de vordering blijkt echter niet waarom de onderzoekskosten niet per geval gelijk zijn. Onderzoek naar de omvang van de onderzoekskosten per geval levert een onevenredige belasting van het strafgeding op; er zal daarom één onderzoeksuur per geval worden toegewezen.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 16 april 2018 ten aanzien van rekeninghouder [naam aangeefster 1] en vanaf 21 april 2018 ten aanzien van rekeninghouder [naam aangever 3] .

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen en gedeeltelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard, bepaalt de rechtbank dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij ING een schadevergoeding betalen van € 5.143,- vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

10 Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij arrest van 17 januari 2018 van het gerechtshof in Den Haag is de verdachte ter zake van een poging tot zware mishandeling en overtreding van de artikelen 8 en 107 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan een gedeelte groot 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 1 februari 2018.

10.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel.

10.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om af te zien van tenuitvoerlegging en de proeftijd met een jaar te verlengen.

10.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit arrest en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat arrest aan de verdachte opgelegde straf.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 47, 55, 57, 138ab, 139d, 140, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 4;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2 en 3;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader(s), des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij ING Bank N.V., te betalen een bedrag van € 5.143,- (zegge: vijfduizendhonderd drieënveertig euro), bestaande uit € 4.903,- aan materiële schade en € 240,- aan onderzoekskosten, voor het bedrag € 2.602,22 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2018 en voor het bedrag € 2.540,78 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2018, steeds tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij ING niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij ING en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij ING, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 1 (één) maand, van de bij arrest van 17 januari 2018 van het gerechtshof Den Haag aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en F.A. Hut, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2019.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 2 mei 2018 te Rotterdam en/of Gouda en/of Tilburg en/of Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in (een) (gedeelte van) één of meer geautomatiseerd(e) werk(en), te weten

een server en/of netwerk van de ING Bank en/of ABN AMRO Bank, althans een bank, is/zijn binnengedrongen, althans een deel daarvan, doordat verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

één of meerdere “Tikkie” link(s), althans (een) applicatie(s), heeft/hebben verzonden naar [naam aangever 3] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) en/of en/of [naam aangever 5] (zaak Ipad) en/of [naam aangever 7] en/of [naam aangever 9] en/of [naam aangever 8] en/of [naam aangever 6] , althans één of meer andere perso(o)n(en), waarbij die [naam aangever 3] en/of [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 7] en/of [naam aangever 9] en/of [naam aangever 8] en/of [naam aangever 6] en/of één of meer andere perso(o)n(en), naar phishings website(s) werd(en) geleid, waardoor één of meer (inlog)gegevens van de bankrekening(en) van voornoemde perso(o)n(en) zijn opgevangen/afgevangen en/of achterhaald,

waarna verdachte en/of zijn mededader(s) vervolgens (telkens) inlogden met die al dus verkregen gegevens (al dan niet met behulp van mobiel bankieren betaal-apps van de ING Bank) op/van voornoemd(e) geautomatiseerd(e) werk(en), waarin hij verdachte en/of zijn mededader(s) zich wederrechtelijk bevond(en) en gegevens voor zichzelf en/of een ander

heeft/hebben opgenomen, afgetapt of overgenomen, althans betalingen mee heeft/hebben verricht;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 2 mei 2018 te Rotterdam en/of Gouda en/of Tilburg en/of Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) één of meerdere toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd(e) werk(en)

heeft vervaardigd, verkocht, verworven, ingevoerd, verspreid en/of anderszins

ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van strafrecht werd gepleegd, door één of meerdere TAN codes en/of (inlog)gegevens (ondere andere van

[naam aangever 3] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 5] (zaak Ipad) en/of [naam aangever 7] en/of [naam aangever 9] en/of [naam aangever 8] en/of [naam aangever 6] ), althans één of meerdere toegangscode(s)

(waarmee kon worden ingelogd op een server en/of website van de ING Bank, althans een bank en/of bankrekening(en) van [naam aangever 3] en/of [naam aangeefster 1] en/of [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 7] en/of [naam aangever 9] en/of [naam aangever 8] en/of [naam aangever 6] , althans één of meer andere perso(o)n(en))

heeft doorgegeven aan en/of verspreid onder, althans ter beschikking gesteld, aan vrienden en/of mededader(s), althans één of meer andere personen en/of voorhanden heeft gehad;

3.

Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 28 mei 2018 te Rotterdam en/of Gouda en/of Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels de ING Bank (telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), althans tot afgifte van enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meermalen, althans éénmaal,

inlog- en/of accountgegevens en/of gebruikersgegevens van (ING) bankrekening(en) van [naam aangever 3] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 7] en/of [naam aangever 9] en/of [naam aangever 8] en/of [naam aangever 6] , althans één of meer andere perso(o)n(en), waarbij die [naam aangever 3] en/of [naam aangeefster 1] (zaak Mediamarkt) en/of [naam aangever 1] (zaak Mediamarkt) en/of

[naam aangever 7] en/of [naam aangever 9] en/of [naam aangever 8] en/of [naam aangever 6] heimelijk en zonder toestemming verworven en/of (vervolgens)

met die gegevens (van de ING bankrekening(en) van die in de voorgaande alinea genoemde personen) ingelogd op de server en/of website en/of een netwerk, althans een deel daarvan, van voornoemde ING Bank, als zijnde hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die in de voorgaande alinea genoemde personen en/of (vervolgens)

(al dan niet met behulp van een mobiel bankieren app van de ING Bank op naam van de in de vierde alinea genoemde personen) (digitaal) één of meerdere goederen aangekocht/betaalt,

waardoor de ING Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

Hij op of omstreeks 16 april 2018 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal,

met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening heeft/hebben weggenomen één of meerdere geldbedrag(en) (ongeveer € 2.488,22,=), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam aangeefster 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een ING mobiel bankieren app (op naam van voornoemde [naam aangeefster 1] en welke mobiel bankieren app was geïnstalleerd op een/de telefoon(s) van verdachte en/of die van zijn, verdachtes, mededader(s)) waartoe hij verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren één of meerdere mobiele telefoon(s), althans eén of meer goederen aangekocht bij de Mediamarkt aan het Binnenwegplein te Rotterdam, te betalen;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 juli 2018 te Rotterdam en/of Gouda, althans in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 4] en/of één of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer)

het plegen van computervredebreuk (artikel 138ab Wetboek van Strafrecht) en/of

het verspreiden, ter beschikking stellen en/of voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel waarmee en gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk kan worden afgeluisterd, afgetapt of opgenomen kan worden of een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doet

zijn met het oogmerk dat daarmee computervredebreuk te plegen (artikel 139d Wetboek van Strafrecht) en/of

het plegen van oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

het plegen van diefstal door middel van een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht.

1 Waar in het vervolg een Tikkie-betaalverzoek of een Tikkie-link is vermeld, wordt daarmee – tenzij anders is aangegeven – een link naar een phishingwebsite bedoeld. Een phishingwebsite is een website die is gemaakt om op onrechtmatige wijze persoonlijke gegevens van bezoekers te verkrijgen.

2 De verdachten worden in verband met de leesbaarheid van het vonnis in het vervolg aangeduid met hun achternaam en niet telkens als “verdachte” of “medeverdachte”.

3 Een device ID is een unieke code die ING geeft aan een bepaald apparaat (personal computer, laptop, tablet, smartphone) waarmee wordt ingelogd op Mijn ING, de internetbankieren-account.

4 Exif staat voor Exchangeable image file format en betreft een metadataspecificatie voor afbeeldingbestanden.

5 ECLI:NL:HR:2015:2914

6 Vergelijk ECLI:NL:HR:2016:1522 en de conclusie voor dat arrest.