Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9493

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-12-2019
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
ROT 18/2632
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak - gebrek omgevingsvergunning uitvoeren werk/werkzaamheden - verkoopactiviteiten niet uitgesloten - nader onderzoek woon- en leefklimaat en parkeerdruk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/2632

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. M. Moszkowicz Jr,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder,

gemachtigde: mr. S.C. van Tuijl.

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen:

Bloem- en Groencentrum Ouddorp C.V., te Ouddorp, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2018, bekendgemaakt op 4 april 2018, (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van (naastgelegen) gronden aan de [adres] (gemeente Goeree-Overflakkee).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens vergunninghoudster [naam 1] verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Namens de commanditaire vennootschap Bloem- en Groencentrum Ouddorp (vergunninghoudster) heeft [naam 1] , vennoot van vergunninghoudster, op 17 juli 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruik van het perceel aan de [adres] (perceel) in strijd met het bestemmingsplan ‘Oudeland en Oude Nieuwland 2013’ (bestemmingsplan). Het gaat om het gebruik van het perceel voor het oppotten en inkuilen van plantgoed en bomen, het verbreden van het pad tussen de kas en de kweekgrond van 1,5 meter naar 6 meter en het aanleggen van tussenliggende paden op de kweekgrond. Dit gebruik past niet in de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ die deels op het perceel rust.

2. Vergunninghoudster heeft (een deel van) de vergunde activiteiten uitgevoerd voordat de omgevingsvergunning was verleend. Eiser heeft verweerder op 15 juni 2017 verzocht om daartegen handhavend op te treden. Gelet op de genoemde aanvraag om de omgevingsvergunning, heeft verweerder dit verzoek om handhaving afgewezen bij besluit van 4 oktober 2017. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het planologisch strijdig gebruik van het perceel. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo. Het bestreden besluit is op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

4. Eiser woont aan de [adres eiser] en is de buurman van vergunninghoudster. Eiser heeft tijdig een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerp van het bestreden besluit.

Beoordeling door de rechtbank

Uitvoeren van een werk

5. De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting heeft te kennen gegeven dat het bestreden besluit ook een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo omvat, namelijk voor het realiseren van de paden. Deze grondslag is niet in het bestreden besluit vermeld en daar ook niet zonder meer uit op te maken. Het staat niet ter discussie dat voor het realiseren van de paden een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 5.6.1 van de planregels (zie bijlage), vereist is. Het bestreden besluit is aldus onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank zal verweerder, zoals hierna onder 7. en verder is overwogen, in de gelegenheid stellen om dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Goede ruimtelijke ordening

6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De vergunde activiteiten zien in feite op een uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak van vergunninghoudster. Door de vergunde activiteiten bedraagt de oppervlakteverharding buiten het bouwvlak 300 m² in plaats van de door verweerder genoemde 250 m². De toename van de verkoopmogelijkheden door de vergunde activiteiten leidt tot extra bewegingen van personen en voertuigen. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verweerder miskent dat het publiek dat op het pad loopt de met prijskaartjes behangen bomen en planten kan kopen. De verkeersgeneratie en parkeerdruk zal door de vergunde activiteiten toenemen. De vergunde activiteiten zijn, anders dan verweerder stelt, niet vergelijkbaar met een volks- of moestuin. Eiser ondervindt (over)last van vergunninghoudster en heeft over maatregelen ter beperking daarvan afspraken met vergunninghoudster gemaakt. Verweerder heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. Verder staat vast dat niet wordt voldaan aan de geldende richtafstand voor geur en stof van 10 meter en voor geluid van 30 meter tot de woning van eiser. Verweerder is van deze richtafstanden afgeweken zonder dat deugdelijk te motiveren. In het bestreden besluit is ten onrechte geen rekening gehouden met de vrachtwagens (met draaiende motoren) die op zeer korte afstand langs de erfgrens van eiser rijden. Ook maakt vergunninghoudster wel degelijk gebruik van bestrijdingsmiddelen. Er is sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser. Het winkelend publiek kijkt rechtstreeks in zijn woning. Verder wordt er door vergunninghoudster regelmatig met een shovel op vier meter afstand langs eisers huis en tuin gereden. Door de vergunde activiteiten verplaatst de bedrijvigheid van vergunninghoudster zich meer in de richting van eisers huis en tuin, met alle geur-, stof-, geluid- en triloverlast van dien. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser foto’s overgelegd. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat het besluit geen significant effect heeft op de kwaliteit van het - in het provinciale ruimtelijk beleid benoemde gebied -‘Kroonjuweel Schurvelingen Goeree’, waar het perceel deel van uitmaakt. Verweerder heeft niet integer en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld bij het legaliseren van de door vergunninghoudster aangevraagde activiteiten. Dit blijkt onder meer uit de betrokkenheid van gemeentewege van de heer [naam 2] , neef van de eigenaar van het perceel, aldus eiser.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat eiser ter zitting heeft verklaard dat zijn standpunt over de nieuwe stedelijke ontwikkeling als achtergrondinformatie is aangevoerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij niet heeft willen aanvoeren dat het vergunde project een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Ook heeft de gemachtigde van eiser ter zitting verklaard dat de betrokkenheid van de heer [naam 2] eveneens als achtergrondinformatie is aangevoerd en geen zelfstandige beroepsgrond vormt. De rechtbank laat deze gronden daarom verder buiten beschouwing en zal hierover geen oordeel geven. De gestelde strijd met de afspraken tussen eiser en vergunninghoudster is een privaatrechtelijke kwestie die in deze bestuursrechtelijke procedure niet ter beoordeling kan staan.

6.2.

De rechtbank overweegt dat op het perceel een tuincentrum is gevestigd. Dit perceel heeft volgens het bestemmingsplan voor het grootste deel de bestemming ‘Bedrijf – Gemengd gebied’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 2’. Op grond van artikel 6.1, aanhef en onder c en j, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor:

c. een kwekerij en handels en transportbedrijf in bloemen en planten met de SBI-code 5122;

j. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

Het deel van het perceel waar de vergunde activiteiten plaatsvinden heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’. De specifieke voorschriften voor deze bestemming zijn neergelegd in artikel 5 van de planregels. Niet in geschil is dat de vergunde activiteiten in strijd zijn met artikel 5.1 van de planregels (zie bijlage).

6.3.

De rechtbank stelt vast dat de gewaarmerkte ruimtelijke onderbouwing van maart 2018, opgesteld door BJZ.nu, uitdrukkelijk onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. In deze ruimtelijke onderbouwing is opgenomen dat het oppervlak aan verharding voor het te verbreden pad en de tussenpaden maximaal 250 m² zal bedragen. Aldus is bij het bestreden besluit geen afwijking van het bestemmingsplan voor een oppervlakteverharding van 300 m² toegestaan. Dit is dus een eventuele handhavingskwestie die in deze uitspraak niet ter beoordeling staat. De rechtbank geeft verweerder in overweging het toegestane oppervlak aan verharding te betrekken bij de besluitvorming als hij gebruik maakt van de mogelijkheid om het in overweging 5 van deze uitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

6.4.

Verder is in de ruimtelijke onderbouwing vermeld dat de paden het voor werknemers en bezoekers eenvoudiger maken om de kweekgronden te bereiken. De voorgenomen ontwikkeling heeft op zichzelf geen directe gevolgen voor de verkeershinder en parkeerdruk ter plaatse, dit te meer omdat de gronden in de huidige situatie reeds in gebruik zijn als kweekgronden. Daarnaast neemt het verkoopvloeroppervlak niet toe (het gaat primair om kweekgronden) en wordt de bestaande ontsluiting gehandhaafd. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling zijn er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren. De aspecten geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, geur, ecologie, archeologie en cultuurhistorie hebben slechts beperkte milieukundige relevantie, milieuzonering en waterhuishouding zijn wel relevant. Het verbreden van het pad is vanuit milieukundig oogpunt niet relevant. Het toevoegen van kweekgrond aan het bestaande tuincentrum dient in het kader van milieuzonering te worden getoetst. Het projectgebied is gemengd gebied. Het tuincentrum valt op basis van de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering onder milieucategorie 2, waarvoor in het gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt. Het perceel van eiser ligt binnen een afstand van 10 meter tot het tuincentrum. Van deze richtafstand mag gemotiveerd worden afgeweken. In dit geval gaat het om een kleinschalig terrein waar gekweekt wordt. Ter plaatse van de kweekgrond wordt beperkt gebruik gemaakt van landbouwvoertuigen en er worden geen bestrijdingsmiddelen toegepast. De kweekgrond kan qua milieubelasting en omvang worden vergeleken met een (volks- of moes)tuin, wat als passend naast een woning kan worden beschouwd. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is geen sprake. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, aldus de ruimtelijke onderbouwing.

6.5.

Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat de paden het voor werknemers en bezoekers eenvoudiger maken om de kweekgronden te bereiken. Op het pad wordt ook met een shovel en heftruck gereden. De verbreding van het pad is wenselijk gelet op de draaicirkels en de aanwezigheid van personeel. Daardoor is het makkelijker en veiliger om te manoeuvreren. Het gebruik is verbonden aan het tuincentrum dat op deze locatie al vele jaren fungeert. De vergunde activiteiten zijn zowel vanuit functioneel als ruimtelijk oogpunt inpasbaar. De gronden zijn in de huidige situatie reeds in gebruik als kweekgronden. Het verkoopvloeroppervlak neemt niet toe, aangezien het primair om kweekgronden gaat, die voorzien in een vraag. De bestaande ontsluiting wordt gehandhaafd en het pad vormt geen looproute. Verder regelt de SBI-code niet de (minimale) afstand van vrachtwagens tot de bebouwing, aldus het verweerschrift.

6.6.

De rechtbank is, gelet op het gestelde onder 6.4 en 6.5, van oordeel dat de omgevingsvergunning er mede toe strekt dat het voor bezoekers van het tuincentrum eenvoudiger wordt om de kweekgronden van vergunninghoudster te bereiken. Dat de vergunde paden volgens verweerder geen looproute zijn, maakt dit niet anders. Verder staat het bestreden besluit er niet aan in de weg dat het plantgoed en de bomen die vergunninghoudster op het vergunde deel van het perceel oppot en inkuilt, daar te koop worden aangeboden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel in de ruimtelijke onderbouwing als in het verweerschrift is vermeld dat het primair om kweekgronden gaat, wat het gebruik van de grond voor verkoopdoeleinden niet uitsluit. Aldus heeft eiser terecht aangevoerd dat de vergunde activiteiten een uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak op het perceel mogelijk maken. Hierdoor kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat de vergunde activiteiten op de kweekgronden te vergelijken zijn met activiteiten in een volks- of moestuin. Daardoor heeft verweerder ook de ruimtelijke onderbouwing, waarin de kweekgrond qua milieubelasting en omvang is vergeleken met een (volks- of moes)tuin, niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank zouden de verkeersbewegingen van bezoekers, leveranciers en vergunninghoudster, en de parkeerdruk op het perceel door de vergunde activiteiten kunnen toenemen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor eisers woon- en leefklimaat, waaronder de privacy van eiser en mogelijke geur-, stof-, geluids- en triloverlast. Dit is in de ruimtelijke onderbouwing en door verweerder onvoldoende onderzocht. Dat de gronden reeds in gebruik zijn als kweekgronden, maakt dit niet anders. Dit gebruik was illegaal (zie onder 2 van deze uitspraak). Als verweerder dit gebruik wil legaliseren, dient verweerder daarbij alle betrokken belangen af te wegen. Dit is bij het bestreden besluit onvoldoende gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het bestreden besluit hierdoor een gebrek.

6.7.

Het betoog van eiser slaagt. De rechtbank zal verweerder daarom, zoals hierna onder 7 en verder is overwogen, in de gelegenheid stellen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

6.8.

De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat er voor vrachtwagens een richtafstand van 30 meter geldt. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat vergunninghoudster bestrijdingsmiddelen gebruikt waarvan eiser overlast kan ondervinden. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de vergunde activiteiten negatieve effecten hebben op het ‘Kroonjuweel Schurvelingen Goeree’. Dit betoog van eiser slaagt niet.

Conclusie

Bestuurlijke lus

7. Het bestreden besluit kan gelet op wat onder 5, 6.6 en 6.7 is overwogen niet in stand blijven vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en is in zoverre gebrekkig. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen om, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, de door de rechtbank geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

8. Het herstel van het gebrek kan, met inachtneming van wat in deze uitspraak onder 5 en 6.6 is overwogen, geschieden door een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag van vergunninghoudster tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Daarbij dient verweerder in te gaan op de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het woon- en leefklimaat van eiser, waarbij alle mogelijke milieuaspecten en de privacy van eiser worden meegenomen. De termijn waarbinnen verweerder de gelegenheid heeft het gebrek te herstellen en waarbinnen verweerder de rechtbank op de hoogte moet brengen van zijn bevindingen, bepaalt de rechtbank op zes weken na de dag waarop deze tussenuitspraak is verzonden. Verweerder hoeft de nieuwe beslissing niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb voor te bereiden.

9. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

10. De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en

mr. A.S. Flikweert en mr. C.M. van Hoorn, leden, in aanwezigheid van

mr. J.G. Bos, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 december 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

Bestemmingsplan Oudeland en Oude Nieuwland 2013

Artikel 5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven, als bedoeld in lid 1.9 onder a en b;

b. het hobbymatig houden van dieren en/of het telen van gewassen;

alsmede voor:

c. het behoud, herstel en versterking van aan de betreffende gronden eigen zijnde

landschappelijke en natuurlijke waarden;

d. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': tevens voor het behoud,

herstel en versterking van de aan de gronden eigen zijnde cultuurhistorische waarden;

e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - poel': het behoud en/of herstel van ter plaatse aanwezige poelen en de daaraan eigen landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden;

f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - voetpad': binnen een zone van 10 m voor een voetpad;

g. recreatief medegebruik;

h. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen;

i. wandel-, fiets- en ruiterpaden;

j. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangswegen.

Artikel 5.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. op gronden zonder aanduiding:

1. het buiten het bouwvlak ontginnen, diepploegen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en/of egaliseren;

2. het buiten het bouwvlak aanbrengen van oppervlakteverhardingen; zulks met uitzondering van oppervlakteverhardingen waaronder begrepen kavelpaden tot een oppervlak van 100 m² per perceel;

3. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande waterlopen;

4. het buiten het bouwvlak aanbrengen van bovengrondse en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

5. het buiten het bouwvlak bebossen of aanbrengen van houtachtige gewassen op gronden die ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan niet met een dergelijke vegetatie waren begroeid;

6. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewassen;

7. het scheuren of frezen van graslanden anders dan ter instandhouding en/of verbetering van het grasland;

8. het aanleggen van gesloten drainagesystemen;

b. op gronden voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - poel':

1. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaand water;

2. het verrichten van (proef)boringen en/of het winnen van grondstoffen of delfstoffen (zand daaronder begrepen en het verrichten van seismografisch onderzoek;

3. het bestrooien of bespuiten van de gronden met chemische bestrijdingsmiddelen.