Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9440

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
8120305 \ VV EXPL 19-467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, concurrentie- en relatiebeding, overgangsrecht WWZ, schriftelijkheidsvereiste, ernstig verwijtbaar handelen werkgever, belangenafgeweging, vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8120305 \ VV EXPL 19-467

uitspraak: 3 december 2019

vonnis van de kantonrechter in kort geding, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. E.R. Ferwerda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Steen! B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. B. Cornelissen.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “Steen”.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 30 oktober 2019, met producties;

  • -

    de door Steen ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties;

  • -

    de pleitnota aan de zijde van [eiser] ;

  • -

    de pleitnotities aan de zijde van Steen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 november 2019. [eiser] is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Ferwerda en door mevrouw [naam partner eiser] (partner van [eiser] ). Namens Steen is verschenen de heer [naam directeur] (directeur van Steen, hierna: [naam directeur] ), bijgestaan door mr. B. Cornelissen.

1.3.

Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de zaak één week aangehouden, om partijen de gelegenheid te geven er samen uit te komen. Partijen hebben de kantonrechter op 14 november 2019 bericht dat dit niet gelukt is en hebben de kantonrechter verzocht om een vonnis te wijzen.

1.4.

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis vervolgens nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] is op 1 november 2013 bij Steen in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zes maanden) in de functie van ‘Commercieel medewerker buitendienst’, met als standplaats Rotterdam.

2.2.

In de arbeidsovereenkomst van 1 november 2013 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Artikel 13. Non-Concurrentiebeding

Het is Werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever gedurende 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, binnen het geografische gebied in een straal van 30 kilometer vanaf de standplaats als bedoeld in artikel 2 onder 2, voor klanten die voor de beëindiging van het dienstverband deel uitmaakten of deel hebben uitgemaakt van de klantenkring van Werkgever, direct of indirect in dienst te treden bij of op dezelfde markt begeeft als werkgever, danwel die gelijke of gelijksoortige producten vervaardigt, aanbiedt of verhandelt, werkzaamheden verricht, adviezen geeft en/of diensten verleent als Werkgever, of die dezelfde activiteiten ontplooit als werkgever, danwel voor eigen rekening gelijke of gelijksoortige werkzaamheden te verrichten.

Artikel 14. Relatiebeding

Het is Werknemer evenmin toegestaan om gedurende een periode van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst op enige wijze zakelijke betrekkingen aan te gaan of te onderhouden met (voormalige) relaties van Werkgever, behoudens de voorafgaande schriftelijke toestemming van Werkgever.

(…)

Artikel 18. Boetebeding

Werknemer is van rechtswege in gebreke indien hij in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 10 t/m 17 handelt en zal – voor zover nodig – in afwijking van artikel 7:650 lid 3 BW voor iedere overtreding een voor Werkgever bestemde boete verbeuren waarvan het bedrag overeenkomst met € 5.000 per overtreding, alsmede een boete gelijk aan € 500 voor elke dag dat de overtreding of de niet nakoming voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever nakoming van deze overeenkomst te verlangen en onverminderd het recht van Werkgever om in plaats van de boete volledige schadevergoeding te vorderen.

(…)”

2.3.

Bij brief van 18 maart 2019 heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 mei 2019.

2.4.

Steen heeft [eiser] op 20 maart 2019 op non-actief gesteld met als reden ongewenst gedrag van [eiser] richting een vrouwelijke collega. Steen heeft [eiser] gesommeerd met geen enkele collega contact op te nemen, met uitzondering van zijn partner mevrouw [naam partner eiser] . Tevens heeft Steen aan [eiser] een pandverbod opgelegd.

2.5.

Steen heeft [eiser] bij exploot van 9 juli 2019 gedagvaard en heeft onder andere afdwinging van de het concurrentie- en relatiebeding gevorderd. Deze procedure loopt bij de kantonrechter te Gouda.

2.6.

Steen heeft DPD Consultancy Bedrijfsrecherche & Advies (hierna: DPD) opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar het doen en laten van [eiser] . DPD heeft in oktober 2019 een rapport uitgebracht.

2.7.

Hierna heeft Steen beslag laten leggen op de auto en de bankrekening van [eiser] .

3 De vordering in conventie

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het concurrentie- en relatiebeding geheel of gedeeltelijk te schorsen, althans een zodanige voorziening te treffen als de kantonrechter geraden acht, in die zin dat het [eiser] is toegestaan zijn werkzaamheden voor GDS Keramiek aan te vangen;

II. Steen te veroordelen tot betaling van € 5.940,- bruto per maand ter zake van een voorschot op de door Steen te betalen vergoeding ex artikel 7:653 lid 5 BW vanaf 1 mei 2019 voor de duur van de beperking;

III. met veroordeling van Steen in de kosten van het geding, waaronder de nakosten en de wettelijke rente na 14 dagen.

3.2.

[eiser] heeft primair aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het concurrentie- en relatiebeding niet rechtsgeldig zijn overeengekomen, omdat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste zoals opgenomen in artikel 7:653 BW. De arbeidsovereenkomst van 1 november 2013 vermeldt uitdrukkelijk dat deze voor bepaalde tijd is aangegaan en dat deze van rechtswege eindigt en wel op 30 april 2014. Er is voorts geen sprake van een stilzwijgende voorzetting van de arbeidsovereenkomst, omdat de arbeidsovereenkomst niet onder dezelfde voorwaarden is voortgezet. Overigens blinkt de tekst van het concurrentiebeding ook niet uit in duidelijkheid, zodat het de vraag is hoe het beding moet worden uitgelegd. Zo is het te ruim geformuleerd, aldus [eiser] .

3.3.

Voor zover geoordeeld wordt dat het concurrentie- en relatiebeding wel van toepassing zijn, heeft [eiser] subsidiair aangevoerd dat Steen hierop geen beroep kan doen, omdat het aan Steen, en in het bijzonder [naam directeur] , te wijten is dat er een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen (artikel 7:653 lid 4 BW). Steen kwam toezeggingen over [eiser] toekomstperspectief binnen het bedrijf niet na. Ook was de werksituatie bij Steen voor [eiser] niet meer werkbaar, door toedoen van Steen c.q. [naam directeur] .

[eiser] kan bij GDS Keramiek B.V. (hierna: GDS Keramiek) aan de slag. Tussen Steen en GDS Keramiek is geprobeerd om afspraken te maken over het concurrentie- en relatiebeding. Het is partijen echter niet gelukt om hier overeenstemming over te bereiken, zodat [eiser] dit kort geding moest starten. Vervolgens heeft Steen beslag laten leggen op de auto van [eiser] en zijn bankrekening vanwege overtreding van het concurrentie- en relatiebeding. De wijze waarop [naam directeur] al zijn pijlen richt op [eiser] na het einde van de arbeidsovereenkomst en tot disproportionele maatregelen overgaat, ziet [eiser] als een bevestiging van hetgeen hij ook heeft ondervonden in de periode dat hij bij Steen werkzaam was.

3.4.

Meer subsidiair is [eiser] van mening dat het concurrentie- en relatiebeding zou moeten worden vernietigd op grond van artikel 7:653 lid 3 onder a of b BW. Als [eiser] bij GDS Keramiek in dienst zou treden dan zullen geen relaties worden “gestolen” van Steen door GDS Keramiek. In de praktijk vullen beide bedrijven elkaar aan en ze opereren naast elkaar in de markt. GDS Keramiek plaatst bestellingen bij Steen uitsluitend ten behoeve van haar afnemers (aannemers/projectontwikkelaars en architecten) aan wie Steen niet rechtstreeks kan leveren. Deze eindafnemers zijn feitelijk de klanten van Steen en niet van GDS Keramiek. Gezien het tijdsverloop na het einde van het dienstverband en de gevolgen voor [eiser] om niet bij GDS Keramiek aan de slag te kunnen, terwijl hij gelet op zijn specifieke ervaring weer werk dient te vinden in de bouwsector, is het niet reëel om het concurrentie- en relatiebeding in stand te laten. [eiser] en GDS Keramiek hebben zich redelijk opgesteld om tot een oplossing te komen. Steen werkte dit tegen.

3.5.

Steen belemmert [eiser] in zijn grondrecht van een vrije arbeidskeuze. Het is daarom redelijk aan [eiser] gedurende de periode dat Steen hem niet toestaat bij GDS Keramiek in dienst te treden een vergoeding toe te kennen in de zin van artikel 7:653 lid 5 BW. Aanknopingspunt voor de berekening van de hoogte van de vergoeding zou gesteld kunnen worden op zijn bruto maandsalaris te vermeerderen met het vakantiegeld.

4 Het verweer in conventie

4.1.

Steen heeft tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd en daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Het concurrentie- en relatiebeding voldoen aan het schriftelijkheidsvereiste. De arbeidsovereenkomst is stilzwijgend voortgezet nadat de eerste zes maanden waren verstreken. Van een ingrijpende wijziging (in de uitvoering van) van de arbeidsovereenkomst is geen sprake. De bedingen zijn niet aanmerkelijk zwaarder op [eiser] gaan drukken.

Het is niet aan Steen te wijten dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Er zijn geen concrete toezeggingen gedaan over de prestatiebeloning of over participatie in de onderneming. [eiser] heeft de overeenkomst zelf opgezegd, omdat hij voor zichzelf wenste te kiezen. In de periode voorafgaand aan de einddatum heeft [eiser] zichzelf tegenover een vrouwelijke collega meermaals aantoonbaar misdragen en heeft hij als zodanig ook tegenover Steen verwijtbaar, wellicht zelfs ernstig verwijtbaar gehandeld.

4.2.

[eiser] heeft herhaaldelijk het concurrentie- en relatiebeding overtreden.

Steen heeft er een groot en rechtens te respecteren belang bij om haar bedrijfsdebiet, waaronder het door haar opgebouwde klantenbestand en de door haar opgebouwde bedrijfskennis en know how, te beschermen. GDS Keramiek is een directe concurrent en tevens een klant van Steen. [eiser] vervulde een bijzondere commerciële rol bij Steen. Uit hoofde van zijn functie was [eiser] bekend met prijzen, strategie en marketingactiviteiten van Steen. [eiser] heeft de afgelopen jaren goodwill kunnen opbouwen bij relaties en klanten van Steen. Ook heeft [eiser] kennis van het unieke concept dat Steen heeft ontwikkeld. Dit concept bestaat uit diverse tools op het gebied van software, waaronder een eigen internetportaal en app, waarmee online simulaties van gevelvlakken kunnen worden gemaakt en waarmee direct online bestellingen kunnen worden gedaan. De belangenafweging moet daarom in het voordeel van Steen uitvallen.

5 Het geschil in reconventie

5.1.

Steen heeft in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om binnen een week na het vonnis aan Steen te betalen een voorschot op de door de rechtbank Den Haag, locatie Gouda, in de lopende bodemprocedure (met kenmerk 7913243 CV EXPL 19-3239) in verband met overtreding door [verweerder] van het concurrentie- en/of relatiebeding aan Steen toe te wijzen boetebedragen ten bedrage van € 10.000,-.

5.2.

Steen heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het concurrentie- en relatiebeding rechtsgeldig zijn overeengekomen. [verweerder] is in september 2019 bij GDS Keramiek aan de slag gegaan en heeft in dat kader klanten/relaties van Steen bezocht. Hiermee heeft [verweerder] het concurrentie- en relatiebeding overtreden.

5.3.

Volgens [verweerder] moet de vordering in reconventie worden afgewezen, omdat hij het concurrentie- en relatiebeding niet heeft overtreden.

6 De beoordeling

6.1.

[eiser] heeft de kantonrechter bij brief van 14 november 2019 bericht dat het niet gelukt is om er onderling met Steen uit te komen en heeft om een vonnis verzocht. Bij deze brief heeft [eiser] twee nieuwe producties overgelegd. De kantonrechter laat deze nieuwe producties buiten beschouwing, omdat deze producties na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn overgelegd en Steen hiertegen bezwaar heeft gemaakt.

In conventie:

6.2.

[eiser] heeft voldoende toegelicht een spoedeisend belang te hebben bij zijn vordering. Hij kan door het concurrentie- en relatiebeding immers op dit moment niet in dienst treden bij GDS Keramiek, wat hij wel graag zou willen.

6.3.

Dit is een kort gedingprocedure. Dit betekent dat de vraag of wat gevorderd wordt toegewezen kan worden afhangt van een voorlopige beoordeling van de verschillende aspecten van de zaak aan de hand van wat partijen daarover naar voren brengen, daarbij rekening houdend met de vraag hoe aannemelijk het is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen, in combinatie met een afweging van het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de vordering tegen het belang dat Steen heeft bij afwijzing daarvan. In dit vonnis geeft de kantonrechter dus ‘slechts’ een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Schriftelijkheidsvereiste

6.4.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het concurrentie- en relatiebeding die in de arbeidsovereenkomst van 1 november 2013 zijn opgenomen nog geldig zijn. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, want volgens hem is het concurrentie- en relatiebeding opgenomen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die van rechtswege is geëindigd.

6.5.

Ter beantwoording van deze vraag is het van belang vast te stellen welk recht van toepassing is op de arbeidsverhouding. De arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Steen is op 1 november 2013 aangegaan voor een half jaar. Deze arbeidsovereenkomst dateert derhalve van vóór de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de WWZ per 1 januari 2015. Beoordeeld moet worden of de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet (zoals Steen aanvoert), nu er geen nieuwe overeenkomsten zijn gesloten. [eiser] stelt wel dat er geen sprake is van stilzwijgende voortzetting, maar onderbouwt dit niet of nauwelijks. Op enkele punten is er wel iets veranderd (zoals de salariëring), maar voor het overige hebben partijen de arbeidsovereenkomst gewoon voortgezet. Aangenomen moet daarom worden (rekening houdend met de toen geldende wettelijke regels) dat de overeenkomst na ommekomst van de eerste zes maanden telkens stilzwijgend is verlengd en in de loop van 2015 een overeenkomst voor onbepaalde tijd is geworden. Nu de overeenkomst van november 2013 stilzwijgend is voortgezet en van voor de WWZ dateert, is het overgangsrecht van de WWZ van belang. Gelet op artikel XXIIc van de overgangsbepalingen bij de WWZ zijn de leden 1 en 2 van artikel 7:653 (oud) BW van toepassing en is lid 3 van artikel 7:653 (nieuw) BW niet van toepassing.

6.6.

Op grond van artikel 7:653 lid 1 (oud) BW moet een concurrentie- en relatiebeding schriftelijk zijn overeengekomen om geldig te zijn. Het was voor de inwerkingtreding van de WWZ vaste rechtspraak dat, indien een tijdelijke arbeidsovereenkomst zonder tegenspraak (al dan niet schriftelijk) wordt voortgezet, het bij de eerste overeenkomst schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding in beginsel zijn geldigheid behoudt, tenzij een gewijzigde arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.

6.7.

[eiser] stelt dat er sprake is van een gewijzigde overeenkomst, dan wel dat de arbeidsovereenkomst in de loop der jaren niet onder dezelfde voorwaarden is voortgezet. Hij stelt dat hij taken van [naam directeur] heeft overgenomen, meer salaris heeft gekregen in de loop der jaren (€ 1000,- per maand bruto meer) en dat de omvang van het dienstverband van 32 uur naar 40 uur is gegaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat de overname van een aantal van [naam directeur] taken slechts tijdelijk was. Daarnaast zijn er wel enkele wijzigingen, maar brengen een salarisverhoging van € 1.000,- over een periode van 8 jaar en een wijziging van 32 naar 40 uur niet mee dat er sprake was van een gewijzigde arbeidsovereenkomst dan wel een zodanige wijziging van de inhoud van de functie, dat het concurrentie- en relatiebeding opnieuw hadden moeten worden overeengekomen. Dit betekent, gelet op wat hiervoor is overwogen, dat het concurrentie- en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst van 1 november 2013 hun geldigheid hebben behouden.

6.8.

Dat de tekst van deze bedingen slecht is opgesteld is voor de vraag of de bedingen geldig zijn niet van belang. Duidelijk blijkt uit de bedingen dat het om een concurrentie- en een relatiebeding gaat. Het is eveneens voldoende duidelijk wat [eiser] op grond van de bedingen niet mag. Pas voor de vraag of het concurrentie- en relatiebeding zijn overtreden is van belang hoe de bedingen verder moeten worden uitgelegd.

Ernstig verwijtbaar handelen werkgever

6.9.

Subsidiair heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Steen, zodat Steen op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen beroep op het concurrentie- en relatiebeding kan doen.

6.10.

[eiser] heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 7:653 lid 4 (nieuw) BW. Het is echter de vraag of dit artikel van toepassing is of artikel 7:653 lid 3 (oud) BW. In artikel XXIIc van het Overgangsrecht WWZ is niets geregeld over het toepassingsgebied van artikel 7:653 lid 3 (oud) BW en artikel 7:653 lid 4 (nieuw) BW. Deze artikelen bepalen kort gezegd dat een werkgever geen rechten aan het concurrentiebeding kan ontlenen indien hij wegens de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, schadeplichtig is respectievelijk indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

6.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan echter in het midden blijven of het criterium van ‘schadeplichtigheid’ dan wel het criterium van ‘ernstige verwijtbaarheid’ van toepassing is, omdat in dit geval geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of van schadeplichtigheid aan de zijde van Steen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

6.12.

[eiser] heeft zelf de arbeidsovereenkomst met Steen opgezegd. Volgens [eiser] heeft Steen toezeggingen over zijn toekomstperspectieven gedaan (mede-eigenaarschap), maar is Steen die toezeggingen niet nagekomen. Nog los van het feit dat deze toezeggingen niet vaststaan, omdat die door Steen zijn weersproken, is de kantonrechter van oordeel dat het enkele niet nakomen van dergelijke toezeggingen niet per definitie leidt tot ernstig verwijtbaar handelen of een schadeplichtig ontslag aan de zijde van Steen. Het had op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen, maar dat heeft hij onvoldoende gedaan. Een kort gedingprocedure leent zich ook niet voor nadere bewijslevering. [eiser] heeft daarnaast gesteld dat de werksituatie binnen Steen voor hem niet meer werkbaar was. [eiser] heeft dit echter onvoldoende aannemelijk gemaakt, terwijl dit wel door Steen is betwist, zodat dit niet voldoende vaststaat. Daarnaast heeft de non-actiefstelling van [eiser] pas plaatsgevonden nadat [eiser] zelf ontslag had genomen, zodat dit op zichzelf niet tot een schadeplichtig ontslag of ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Steen kan hebben geleid. Hetzelfde geldt voor het onderzoek door DPD en de beslagen: weliswaar zijn dit forse middelen om in te zetten, maar Steen kan daarvoor in redelijkheid kiezen als haar bedrijfsbelangen in gevaar dreigen te komen door een vermoede overtreding van het concurrentie- en relatiebeding. De conclusie moet zijn dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Steen.

Belangenafweging

6.13.

Meer subsidiair heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat vernietiging van het concurrentie- en relatiebeding geboden is conform artikel 7:653 lid 3 sub a of b BW. Een concurrentie- en relatiebeding kan echter niet worden vernietigd in een kort gedinguitspraak. Omdat [eiser] in het petitum van de dagvaarding heeft gevorderd om de bedingen te schorsen, zal de kantonrechter beoordelen of het aannemelijk is dat de bodemrechter het concurrentie- en relatiebeding in een bodemprocedure zal vernietigen en deze bedingen daarom in kort geding geschorst moeten worden.

6.14.

Nu het oude recht nog van toepassing is kan [eiser] geen beroep doen op het derde lid van artikel 7:653 lid 3 (nieuw) BW. De kantonrechter begrijpt echt uit wat [eiser] heeft aangevoerd in deze procedure dat hij een beroep doet op artikel 7:653 lid 2 (oud) BW. Dit luidt als volgt: “De rechter kan zulk een beding geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld”.

6.15.

Steen heeft naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende toegelicht dat zij een zwaarwegende bedrijfsbelang heeft bij het in stand laten van het concurrentie- en relatiebeding. [eiser] had immers een commerciële functie bij Steen en wist daardoor veel af van de strategieën en financiën van Steen. Ook heeft [eiser] een tijdje een deel van de werkzaamheden van [naam directeur] overgenomen. [eiser] heeft voorts niet betwist dat hij vanuit zijn functie op de hoogte was van het klantenbestand van Steen en de afgelopen jaren goodwill heeft kunnen opbouwen bij klanten en relaties van Steen. [eiser] droeg ook specifieke kennis van het door Steen ontwikkelde bedrijfsconcept. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat GDS Keramiek en Steen wel degelijk concurrenten van elkaar zijn. Ze opereren immers als producent van bakstenen op dezelfde markt. Dat ze soms samenwerken omdat bepaalde zakenrelaties dat van hen verlangen, betekent niet dat GDS Keramiek en Steen geen concurrenten van elkaar zijn.

6.16.

De belangen die [eiser] hier tegenover stelt zijn van onvoldoende gewicht om op grond daarvan te kunnen concluderen dat hij onbillijk worden benadeeld. [eiser] heeft zelf zijn arbeidsovereenkomst met Steen opgezegd. Hij had zich op dat moment moeten realiseren dat het concurrentie- en relatiebeding hem konden belemmeren bij zijn zoektocht naar een nieuwe baan met als gevolg dat hij zonder inkomen zou komen te zitten. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het ook onvoldoende aannemelijk geworden dat Steen een verwijt kan worden gemaakt van het ontslag. Door het concurrentie- en relatiebeding wordt [eiser] weliswaar belemmerd in zijn vrije arbeidskeuze, maar deze bedingen zijn slechts aangegaan voor de duur van twaalf maanden en het concurrentiebeding geldt alleen voor een straal van 30 km vanaf de standplaats van [eiser] (Rotterdam). [eiser] heeft in zijn geheel niet onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk is om buiten deze straal van 30 km te gaan werken gedurende de eerste twaalf maanden na het einde van het dienstverband bij Steen.

[eiser] heeft tijdens de zitting gesteld dat zijn positie zal verbeteren als hij bij GDS Keramiek aan de slag mag gaan. [eiser] heeft deze stelling echter niet nader toegelicht. Ook al zou het kloppen, wat goed mogelijk is, dan nog is de kantonrechter, gelet ook op wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat het niet onaannemelijk is dat [eiser] met zijn kennis en ervaring in staat is om schade te berokkenen aan (de belangen van) Steen. De belangen die [eiser] daar tegenover heeft gesteld zijn van onvoldoende gewicht om op grond daarvan te kunnen concluderen dat hij onbillijk worden benadeeld. Er bestaat daarom voorshands onvoldoende aanleiding om op grond van een belangenafweging tot schorsing van het concurrentiebeding over te gaan.

6.17.

Nu niet tot schorsing van het concurrentie- en relatiebeding wordt overgegaan, is er geen grond om (voor zover artikel 7:653 lid 5 (nieuw) BW al van toepassing is) het door [eiser] gevorderde voorschot op de door Steen te betalen vergoeding toe te wijzen.

6.18.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld.

In reconventie:

6.19.

Steen heeft een voorschot op de boetebedragen in verband met de overtreding van het concurrentie- en relatiebeding gevorderd. De kantonrechter is echter van oordeel dat Steen onvoldoende heeft onderbouwd dat zij bij toewijzing hiervan een spoedeisend belang heeft. Hierbij is ook van belang dat er een bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag loopt waar het concurrentie- en relatiebeding in volle omvang worden beoordeeld. De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.

6.20.

Omdat de vordering in reconventie nauw samenhangt met de vordering in conventie zal de kantonrechter de proceskosten van [verweerder] op nihil vaststellen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende in kort geding:

in conventie:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Steen vastgesteld op € 721,- aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie:

wijst de vordering van Steen af;

veroordeelt Steen in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688