Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9439

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
C/10/558747 / HA ZA 18-900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure. Rangregelingprocedure verdeling opbrengst executie 26 casco’s binnenschepen. Gerechtelijke bewaring. Conservatoir beslag. Artikelen 8:820 (kosten van uitwinning) en 8:821 BW (kosten tot behoud). Geen subrogatie. Beroep op artikel 8:820 BW faalt; opgevoerde kosten zijn geen kosten van uitwinning. Vordering is deels bevoorrecht op grond van artikel 8:821 aanhef en onder a BW als kosten tot behoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/558747 / HA ZA 18-900

Vonnis van 27 november 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEKA SCHEEPSBOUW B.V.,

gevestigd te Werkendam,

2. de vennootschap onder firma

[naam eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres 1] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RUIJTENBERG SCHEEPVAART EN EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Werkendam,

4. de vennootschap onder firma

[naam eiseres 2] thans handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres 2] ,

eiseressen tot verificatie,

advocaat mr. R. Slotboom te Rotterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

KBC BANK N.V. NEDERLAND,

gevestigd te Brussel, België,

verweerster tot verificatie,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam.

Eiseressen tot verificatie zullen hierna ieder afzonderlijk Veka, [naam eiseres 1] , Ruijtenberg Scheepvaart en [handelsnaam] , en gezamenlijk Veka c.s. genoemd worden. Verweerster tot verificatie zal hierna KBC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 3 augustus 2018 van de rechter-commissaris van deze rechtbank in de zaak met zaaknummer C/10/54285 / HA RK 01-61, waarbij Veka c.s. en KBC zijn verwezen naar de renvooiprocedure;

  • -

    de conclusie van eis tot verificatie van Veka c.s., met producties 1 t/m 9;

  • -

    de conclusie van antwoord tot verificatie, met producties 1 t/m 29;

  • -

    het tussenvonnis (in de vorm van een brief) van 9 januari 2019, waarbij een comparitie is gelast;

  • -

    de brief van 21 februari 2019 van de rechtbank, waarbij een instructie voor de zitting is gegeven;

  • -

    de ter terechtzitting overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen van mr. Hamm;

  • -

    de ter terechtzitting overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen van mr. Linker;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 13 maart 2019, en de daarin genoemde ter comparitie overgelegde producties;

  • -

    de brief van 2 april 2019 van KBC, waarin is gereageerd op het proces-verbaal;

  • -

    de (antwoord)akte van Veka c.s.;

  • -

    de (antwoord)akte van KBC.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1.

KBC heeft in 2000 aan [naam bedrijf 1] B.V. (hierna: [naam bedrijf 1] ) kredieten verstrekt voor de financiering van de bouw in China van 26 casco’s van stalen binnenvaartschepen (hierna: de casco’s) in opdracht en voor rekening van [naam bedrijf 1] . Tot zekerheid van terugbetaling van de kredieten zijn ten gunste van KBC (diverse) zekerheidsrechten gevestigd op de casco’s.

2.2.

Veka c.s. heeft met [naam bedrijf 1] een koopovereenkomst gesloten ter zake van 9 casco’s.

2.3.

De casco’s zijn op 29 november 2000 binnengekomen in de haven van Rotterdam.

2.4.

Veka c.s. heeft op 29 november 2000, na een daartoe strekkend verlof te hebben gekregen, ten laste van [naam bedrijf 1] conservatoir beslag gelegd op de casco’s. De casco’s zijn op verzoek van Veka c.s. in gerechtelijke bewaring genomen, waarbij, tevens op verzoek van Veka c.s., [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als gerechtelijk bewaarder is aangesteld. [naam 1] heeft in het kader van de bewaring van de casco’s (onder meer) Veka c.s. ingeschakeld om diverse werkzaamheden te verrichten.

2.5.

Bij beschikking van 4 december 2000 heeft KBC toestemming gekregen om, in verband met haar zekerheidsrechten, de casco’s in beheer te nemen. In het kader hiervan is [naam 1] bij vonnis in kort geding van 8 december 2000 (onder meer) geboden om medewerking te verlenen aan KBC.

2.6.

Bij vonnis van 12 december 2000 van deze rechtbank zijn vorderingen van een (andere) groep schuldeisers van [naam bedrijf 1] , [naam schuldeisers] (hierna: [naam schuldeisers] ) toegewezen en is [naam bedrijf 1] veroordeeld tot betalingen aan [naam schuldeisers] Dat vonnis is op 14 december 2000 aan [naam bedrijf 1] betekend, met tevens bevel om aan het vonnis te voldoen. Op 18 december 2000 heeft [naam schuldeisers] executoriaal beslag laten leggen op de casco’s, waarbij zij een veiling heeft aangezegd tegen 30 januari 2001.

2.7.

Op 21 december 2000 heeft de toenmalige advocaat van KBC in een brief aan [naam 1] (onder meer) het volgende geschreven:

“(…) Namens KBC Bank Nederland N.V. wijs ik u erop dat uw activiteiten voor wat betreft de veilige bewaring van de betreffende casco’s geheel overbodig zijn, nu de bank maatregelen heeft getroffen om daarin op haar kosten te voorzien. De bank heeft hierbij ook het grootste belang, nu zij voor delging van de schuld van D.M.A. aan haar vrijwel geheel afhankelijk is van de opbrengst van de casco’s (…)”

2.8.

De gerechtelijke bewaring van [naam 1] is - op verzoek van KBC - als gevolg van een vonnis in kort geding van 26 januari 2001 met onmiddellijke ingang beëindigd.

2.9.

In een brief van 30 januari 2001 van notaris [naam notaris] (hierna: de notaris) aan de toenmalige advocaat van KBC staat het volgende:

“(…) U deelde mij gisteren telefonisch mede dat de Bank overwoog om [naam schuldeisers] de hoofdsom met kosten inclusief veilingkosten te betalen en zich daarbij op het standpunt stelde dat dan ingevolge art. 6:150 sub c BW de vordering van executanten van rechtswege bij wijze van subrogatie op de Bank zou overgaan, zodat ik niet meer namens executanten de veiling zal kunnen vervolgen. Aangezien ik gisteren tijdens dit gesprek in de passeerkamer met clienten zat, kon ik daarover toen niet uitweiden.

Inmiddels heb ik het standpunt onderzocht en advies ingewonnen. Naar aanleiding daarvan kan ik U mededelen dat indien vóór aanvang van de veiling hedenochtend betaling van de vordering van [naam schuldeisers] als opgegeven in het fax-bericht van mr Roos van gisteravond aan U (bijlage) plaatsvindt, ik mij inderdaad als veilingnotaris op het standpunt zal dienen te tellen dat bij executanten geen vordering meer berust op grond waarvan ik zal executeren.

In dat geval zal ik de executie dienen te staken, tenzij de Bank mij verzoekt de executie namens haar als gesubrogeerde schuldeiser te vervolgen. In dat geval zal er niet alleen een blokveiling plaatsvinden, maar zal ook het recht van gunning bij de Bank komen te berusten.

Gaarne verneem ik van U wat de opstelling van de Bank in deze zal zijn. Uiteraard zal het mogelijk zijn de veiling desgewenst een uur op te schorten. (…)”

2.10.

In een brief van 30 januari 2001 van de advocaat van [naam schuldeisers] (mr. Roos) aan de toenmalige advocaat van KBC is vermeld:

“(…) Ik verwijs naar de brief van hedenochtend van notaris [naam notaris] , mijn brief van gisteravond aan u en ons telefoongesprek van zoeven.

Indien de bank de vordering van [naam schuldeisers] als gisteravond door mij opgegeven hedenochtend voor de veiling betaalt, dan wel onvoorwaardelijk en onherroepelijk telefonische betaling deze dag door storting op een van de rekeningen van notaris [naam notaris] schriftelijk garandeert, volg ook ik uw standpunt dat de vordering bij wijze van subrogatie op de bank overgaat.

In dat geval is het aan de bank te beslissen of de veiling ten overstaan van de notaris vandaag of op een later tijdstip doorgaat (ik begrijp dat de veilingzaal vol begint te stromen).

Indien de bank notaris [naam notaris] vandaag laat veilen, kan ik u toezeggen dat de in zijn opgave d.d. 22 januari 2001 opgegeven honorarium notaris (ƒ 177.218.00,=) dan zal worden beschouwd als een nader te verrekenen voorschot op het uiteindelijke honorarium.

Gaarne verneem ik zo spoedig mogelijk uw standpunt hieromtrent. Gelet op het feit dat de veiling vooralsnog binnen een half uur aanvangt, zal dat helaas binnen nu en een half uur moeten plaatsvinden.

Indien de bank niet (meer) tot voldoening van Kwantes bereid is, zullen deze hun vordering [c]ederen aan marktpartijen die de veili[ng] willen bieden. Deze cessie is door mij nog niet namens [naam schuldeisers] getekend. (…)”

2.11.

In een brief van (eveneens) 30 januari 2001 van de advocaat van [naam schuldeisers] (mr. Roos) aan [naam 1] c.q. [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ) staat het volgende:

“(…) In antwoord op uw faxbericht van hedenochtend het volgende:

  1. Van een overeenkomst tussen [naam 2] en [naam bedrijf 2] is mij niets bekend. Ik ken deze overeenkomst niet.

  2. De door u bedoelde cessie is mij evenmin bekend.

  3. [naam 2] was uberhaupt niet bevoegd om zelfstandig rechten die bij meerdere partijen uit hoofde van het vonnis d.d. 12 december 2000 over te dragen zonder toestemming van die andere partijen.

  4. [naam 2] was ook niet bevoegd [naam bedrijf 2] met de veiling te belasten, nu notaris [naam notaris] reeds als notaris ten overstaan van wie de executie zal plaatsvinden, was aangewezen.

  5. De bank heeft gisteravond of hedenochtend vroeg de vorderingen van executanten betaald en derhalve bij wege van subrogatie overgenomen. De veiling vindt heden plaats op verzoek van de bank als gesubrogeerd executant.

  6. Met uw brief d.d. 30 januari 2001 is de verborgen agenda van de heer [naam 1] als bewaarder aan het licht gekomen. Terzake behoud ik mij namens alle andere belanghebbende partijen alle rechten voor. (…)”

2.12.

De casco’s zijn uiteindelijk op 30 januari 2001 ten verzoeke van KBC en ten laste van [naam bedrijf 1] , ten overstaan van de notaris, executoriaal geveild.

2.13.

Ter verdeling van de veilingopbrengst van de casco’s is op verzoek van KBC (binnengekomen ter griffie op 21 maart 2001) de rangregeling procedure aangevangen, waaruit (onder meer) de onderhavige renvooiprocedure is voortgevloeid.

3 Het geschil

3.1.

Veka c.s. vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de vordering van Veka c.s. vast te stellen op, en te erkennen voor, een bedrag van ƒ 345.939,21, zijnde € 156.980,37 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2001, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, en aan deze vordering het voorrecht van artikel 8:820 en/of 8:821 BW toe te kennen;

  2. KBC te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede de nakosten en de wettelijke rente daarover.

3.2.

KBC concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Veka c.s., met veroordeling van Veka c.s., voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Centraal in deze procedure staan de vragen (i) of Veka c.s. een vordering heeft op [naam bedrijf 1] ter hoogte van ƒ 345.939,21 (€ 156.980,37) vanwege door Veka c.s. gemaakte kosten in het kader van de bewaring dan wel de executie van de 26 casco’s, en zo ja, (ii) of (en zo ja, in hoeverre) deze vordering op grond van artikel 8:820 BW preferent is dan wel (iii) of (en in hoeverre) deze vordering op grond van artikel 8:821 aanhef en onder a BW bevoorrecht is.

4.2.

Veka c.s. heeft aan haar vorderingen (primair) ten grondslag gelegd dat de bewaarkosten die zij heeft gemaakt in de periode 29 november 2000 tot 26 januari 2001 gelden als uitwinningskosten, omdat de bewaring van de casco’s heeft plaatsgevonden in het kader van de uitwinning. Hiertoe heeft Veka c.s. onder meer gesteld dat zij, door op 20 en 22 januari 2001 een bedrag van in totaal ƒ 119.500,- te storten onder de notaris, de vordering van [naam schuldeisers] (gedeeltelijk) heeft voldaan en daarmee is gesubrogeerd in de rechten van [naam schuldeisers] , als gevolg waarvan zij executant is geworden.

Veka c.s. heeft aan haar vorderingen subsidiair ten grondslag gelegd dat de bewaarkosten bevoorrecht zijn op grond van artikel 8:821 aanhef en onder a BW, omdat deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten tot behoud.

4.3.

KBC heeft betwist dat de door Veka c.s. gemaakte bewaarkosten kunnen worden aangemerkt als uitwinningskosten. Hiertoe heeft KBC aangevoerd dat slechts kosten van uitwinning en bewaking die zijn gemaakt door de executant in het kader van de executie op grond van artikel 8:820 lid 1 BW preferent zijn. Veka c.s. is nimmer executant geweest, zodat de kosten die Veka c.s. heeft opgevoerd niet als uitwinningskosten kunnen worden gekwalificeerd, aldus KBC. KBC betwist dat Veka c.s. gesubrogeerd is in de rechten van [naam schuldeisers] en dat KBC (dus) via Veka c.s. is gesubrogeerd. Daarnaast heeft KBC aangevoerd dat de door Veka c.s. gevorderde kosten betrekking hebben op kosten van de bewaring die in het kader van het conservatoir beslag heeft plaatsgevonden. Ook om die reden kunnen deze kosten volgens KBC niet onder het bereik van artikel 8:820 lid 1 BW vallen.

KBC heeft voorts betwist dat de kosten die Veka c.s. heeft opgevoerd kunnen worden gekwalificeerd als kosten tot behoud in de zin van artikel 8:821 aanhef en onder a BW, omdat ook daarvoor vereist is dat de kosten zijn gemaakt door de executant, hetgeen volgens KBC nimmer het geval is geweest. Verder meent KBC dat de kosten niet zijn gemaakt ter voorkoming van fysiek tenietgaan en/of waardedaling van de casco’s en dat ook om die reden geen plaats is om de kosten te beschouwen als kosten tot behoud als hiervoor bedoeld.

4.4.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vorderingen het volgende (r.o. 4.5-4.8) als uitgangspunt.

kosten van uitwinning

4.5.

Op grond van artikel 8:820 lid 1 BW dienen uit de executieopbrengst allereerst de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking tijdens de uitwinning en de kosten van de gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst te worden betaald. Met uitwinning is bedoeld de executie, die in het onderhavige geval is aangevangen met het door artikel 563 Rv voorgeschreven bevel op 14 december 2000 van een door [naam schuldeisers] ingeschakelde deurwaarder aan [naam bedrijf 1] , om te voldoen aan het in 2.6 bedoelde vonnis.

4.6.

In het licht van het gesloten systeem van voorrang (art. 3:278 lid 1 BW) en de terughoudendheid die gepast is bij het maken van uitzonderingen daarop, dient het begrip kosten van uitwinning beperkt te worden uitgelegd. Een ruime uitleg zou immers leiden tot een groter bedrag aan kosten die bij voorrang uit de executieopbrengst worden voldaan, dit ten nadele van de netto-opbrengst en daarmee van de schuldeisers die in de netto-opbrengst meedelen. Met kosten van uitwinning wordt gedoeld op kosten die gemoeid zijn met het (gedwongen) te gelde maken van een goed opdat een geldvordering kan worden verhaald, bijvoorbeeld de kosten van de executoriale verkoop en de kosten van de rangregelingsprocedure. Al hetgeen voorafgaat aan de aanvang van de executie - derhalve vóór 14 december 2000 - valt buiten het bereik van artikel 8:820 lid 1 BW; tot kosten van uitwinning behoren alleen de kosten die na het bevel tot voldoening aan de executoriale titel zijn gemaakt.

De kosten van conservatoire beslagen worden niet gerekend tot de kosten van uitwinning als bedoeld in artikel 8:820 BW, omdat deze beslagen niet zijn gericht op het kunnen meedelen in de opbrengst van een executoriale verkoop. Een conservatoir beslag wordt immers gelegd met het oog op bewaring van rechten in afwachting van het oordeel van de rechter over de gestelde vordering van de beslaglegger.

kosten tot behoud

4.7.

Ingevolge artikel 8:821 aanhef en onder a BW zijn in geval van beslag op een binnenschip bevoorrecht vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt tot behoud van het schip, daaronder begrepen de kosten van herstellingen, die onontbeerlijk waren voor het behoud van het schip. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van kosten tot behoud van het schip zal aan de hand van de gegeven omstandigheden bezien moeten worden of zij het behoud van het schip aantoonbaar dienden, waarbij meeweegt of alle crediteuren daarbij zijn gebaat.

gerechtelijke bewaring

4.8.

De kosten van de gerechtelijke bewaring worden volgens artikel 857 lid 1 Rv aan de bewaarder vergoed door degene die de zaak in bewaring heeft doen geven of het bevel tot bewaring heeft uitgelokt. Tot de kosten van bewaring behoren het bewaarloon van de bewaarder en/of bedrijfsonkosten, waaronder kosten van vervoer, kosten voor behoud van de zaak en eventuele kosten van verzekeringspremies. Wanneer de gerechtelijke bewaring haar grond vindt in een conservatoir beslag, kunnen de kosten van de gerechtelijke bewaring - net als de kosten van het beslag - door de beslaglegger/bewaargever van de beslagene worden teruggevorderd.

Veka c.s. vorderingsgerechtigd?

4.9.

KBC heeft aangevoerd dat niet duidelijk is aan wie (welk deel van) de vordering van Veka c.s. toekomt. KBC wijst erop dat [naam 1] in de rangregelingprocedure heeft gesteld dat [naam 1] en Veka c.s. gezamenlijk een vordering hebben van ƒ 345.939,21, dat de rechter-commissaris [naam 1] vervolgens niet-ontvankelijk heeft verklaard in die procedure, en dat in het onderhavige geding - waarin [naam 1] geen partij is - Veka c.s. nog steeds aanspraak op dezelfde vordering maakt. Nu bovendien de facturen gericht aan [naam 1] en [naam bedrijf 2] door elkaar lopen, is de vordering van Veka c.s. daarmee onbegrijpelijk althans onvoldoende onderbouwd, aldus KBC.

4.10.

De rechtbank overweegt dat Veka c.s. ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij gesubrogeerd is in de rechten van [naam 1] omdat zij de kosten van [naam 1] heeft voldaan. Dit standpunt vindt bevestiging in de brief van [naam 1] aan KBC van 1 mei 2001, waarin [naam 1] te kennen geeft dat zijn kosten door de beslagleggers (zijnde Veka c.s.) zijn voldaan. Ook de rechter-commissaris noemt deze brief in zijn beschikking van 3 augustus 2018, en legt de brief - mede - ten grondslag aan zijn beslissing [naam 1] niet toe te laten tot de rangregeling. In haar brief van 14 maart 2018 (productie 26 bij conclusie van antwoord) verwijst KBC eveneens naar die brief en wijst er daarbij op dat “de Vordering [de vordering ten bedrage van NLG 345.939,21, rb] is ingediend in de rangregeling namens de Veka-groep die stelde te zijn gesubrogeerd in de vordering van de bewaarder. De vordering van de heer [naam 1] is derhalve al voldaan aan de heer [naam 1] door de Veka-groep.”. In dat licht is de stelling van Veka c.s. dat zij, ten aanzien van de door [naam 1] gemaakte kosten, in de rechten van [naam 1] is gesubrogeerd, onvoldoende betwist, zodat dit in deze procedure is komen vast te staan.

Het feit dat een groot deel van de facturen aan [naam bedrijf 2] zijn gericht leidt evenmin tot een onbegrijpelijke of onvoldoende onderbouwde vordering; Veka c.s. heeft gesteld dat [naam 1] de werkzaamheden in het kader van de gerechtelijke bewaring veelal heeft uitgevoerd via zijn bedrijf [naam bedrijf 2] en dat voor zover nodig [naam bedrijf 2] moet worden beschouwd als een door [naam 1] ingeschakelde derde. KBC heeft dit niet althans onvoldoende weersproken, zodat dat in deze procedure vaststaat.

subrogatie?

4.11.

Veka c.s. heeft aangevoerd dat zij als executant moet worden aangemerkt omdat zij gesubrogeerd was in de rechten van [naam schuldeisers] (zie 4.2). Daartoe heeft zij - ter comparitie en bij antwoordakte van 10 april 2019 - gesteld (in totaal) ƒ 119.500,- op de rekening van de notaris te hebben gestort, ter voldoening van de vordering van [naam schuldeisers] op [naam bedrijf 1] . Het bedrag van ƒ 119.500,- bestaat, blijkens de door Veka c.s. overgelegde bankafschriften, uit twee bedragen (van respectievelijk ƒ 48.500,- en ƒ 22.500,-) die zijn overgemaakt door [handelsnaam] naar de (derdenrekening van de) notaris en een bedrag van ƒ 48.500,- dat is overgemaakt door Veka naar dezelfde rekening. Ter comparitie heeft Veka c.s. gesteld dat de door [handelsnaam] gestorte bedragen zijn verrekend met de koopprijs van een casco dat [handelsnaam] op de veiling heeft gekocht. Het door Veka gestorte bedrag is door de notaris op 30 januari 2000 teruggestort. Veka c.s. heeft voorts verklaard dat Ruijtenberg Scheepvaart “haar vordering op [naam bedrijf 1] uit de Kwantes-groep [heeft, rb] overgedragen aan Veka c.s. door zich ook voor die vordering aan te sluiten bij de Veka-groep. Het bedrag van NLG 25.000,- dient volgens Veka c.s. te worden opgeteld bij de eerder genoemde, aan de notaris verrichte betalingen door Veka en [handelsnaam] (in totaal NLG 119.500,-) Dit houdt in dat de totale vordering van de Kwantes-groep moet worden geacht te zijn voldaan door Veka c.s.; er is zelfs NLG 21.000,- te veel betaald”.

4.12.

KBC heeft aangevoerd - met verwijzing naar de in 2.11 geciteerde brief - dat er volgens de advocaat van [naam schuldeisers] geen overeenstemming bestond tussen Veka c.s. en [naam schuldeisers] die zag op subrogatie. Ook voert zij aan dat het totaal overgemaakte bedrag substantieel minder is dan de vordering van [naam schuldeisers] op [naam bedrijf 1] van ƒ 223.786,63. Voorts wijst KBC op de brieven van 29 januari 2001 en 30 januari 2001 van respectievelijk de advocaat van [naam schuldeisers] en de notaris (zie 2.9 en 2.10), waaruit blijkt dat die partijen op die data niet op de hoogte waren van de door Veka c.s. gestelde subrogatie.

4.13.

De rechtbank merkt allereerst op dat er kennelijk door alle betrokkenen steeds van uit is gegaan dat KBC op 30 januari 2001 rechtstreeks in de rechten van [naam schuldeisers] is gesubrogeerd. Uit de stukken blijkt niet dat Veka c.s. dat voor de aanvang van deze renvooiprocedure, althans voor december 2017, betwist heeft. Pas bij gelegenheid van de voortzetting van de verificatievergadering op 15 december 2017 (zie de aantekeningen van mr. Heijnen opgenomen in productie 25 bij conclusie van antwoord), heeft Veka c.s. zich op het standpunt gesteld dat zij - door subrogatie in de rechten van [naam schuldeisers] - enige tijd executant is geweest. Dit roept de vraag op of Veka c.s. in dit stadium van de procedure, gezien de eisen van een goede procesorde en de positie van de overige crediteuren, nog aanspraak kan maken op die nieuwe hoedanigheid. Aan beantwoording van die vraag komt de rechtbank echter niet toe, nu niet is komen vast te staan dat Veka c.s. is gesubrogeerd in de rechten van [naam schuldeisers] Daaraan ligt het volgende ten grondslag.

4.14.

Veka c.s. stelt gesubrogeerd te zijn op grond van artikel 6:150 aanhef en onder c BW. Dit bepaalt dat een vordering bij wijze van subrogatie overgaat op een derde indien hij de vordering voldoet om uitwinning te voorkomen van een hem niet toebehorend goed, mits door de uitwinning een recht dat hij op het goed heeft, verloren zou gaan of de voldoening van een hem toekomend vorderingsrecht in gevaar zou worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat een optelling van de bedragen waarvan Veka c.s. stelt dat deze de subrogatie hebben bewerkstelligd (ƒ 119.500,- en ƒ 25.000,- ; zie 4.11) niet, zoals Veka c.s. stelt, tot een hoger bedrag dan de vordering van [naam schuldeisers] (ƒ 223.786,63) leidt, maar juist tot een (veel) lager bedrag (ƒ 144.500,-). Dat maakt dat met de gestelde betalingen door Veka c.s. (wat daar verder ook van zij) uitwinning door [naam schuldeisers] niet is voorkomen. [naam schuldeisers] behield dan immers - vanwege het restant van haar vordering op [naam bedrijf 1] - het recht tot uitwinning. Het beroep op 6:150 aanhef en onder c BW kan dus niet slagen.

4.15.

Voor zover Veka c.s. heeft willen aanvoeren dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:150 aanhef en onder d BW - in het kort: subrogatie krachtens overeenkomst tussen degene die de vordering voldoet en de schuldenaar - heeft te gelden dat zij (ook) die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de in 2.9 tot en met 2.11 aangehaalde correspondentie kan worden afgeleid dat noch de notaris, noch de advocaat van [naam schuldeisers] op 30 januari 2001 op de hoogte was van de gestelde subrogatie door Veka c.s. Tegen die achtergrond zijn de - bij akte van 10 april 2019 door Veka c.s. ingenomen - stellingen dat er in december 2000 overleg heeft plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van Veka c.s. en [naam schuldeisers] over de mogelijkheid om de vordering van [naam schuldeisers] over te nemen; dat de notaris in de eerste week van januari 2001 te kennen is gegeven dat Veka c.s. de vorderingen van [naam schuldeisers] zou voldoen op de kwaliteitsrekening van de notaris; en dat mr. Roos van dit alles op de hoogte was, onvoldoende.

4.16.

De conclusie is dat de stelling dat Veka c.s. gesubrogeerd is (geweest) in de rechten van [naam schuldeisers] , als onvoldoende gemotiveerd, moet worden verworpen. Hieruit volgt dat Veka c.s. niet als (tijdelijk) executant kan worden aangemerkt.

belangenverstrengeling?

4.17.

KBC heeft een beroep gedaan op belangenverstrengeling als bedoeld in artikel 7:416 lid 1 BW. KBC heeft aangevoerd dat Veka c.s. - bij de door haar in opdracht van [naam 1] in het kader van de gerechtelijke bewaring uitgevoerde werkzaamheden - niet als lasthebber mocht optreden van de bewaarder die zij zelf had laten aanstellen. Volgens KBC was geen sprake van een onafhankelijke, at arm’s length, beoordeling van de noodzaak en de redelijkheid van de door Veka c.s. beweerdelijk verrichte werkzaamheden en de daarvoor gefactureerde kosten. KBC heeft in dit verband gesteld dat door Veka c.s. een situatie is gecreëerd waardoor zij zichzelf opdracht kon geven zoveel mogelijk kosten te maken om deze vóór KBC te verhalen op de casco’s, waarbij allerlei kosten die daarmee niets te maken hebben door Veka c.s. onder de bewaring van [naam 1] zijn geschoven.

4.18.

Veka c.s. betwist dat de overeenkomst tussen Veka c.s. en [naam 1] - op grond waarvan Veka c.s. werkzaamheden heeft verricht voor de gerechtelijke bewaring - kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot lastgeving.

4.19.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst tussen Veka c.s. en [naam 1] - op grond waarvan Veka c.s. stelt werkzaamheden te hebben verricht voor de gerechtelijke bewaring - niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot lastgeving. KBC heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat Veka c.s. of een van hen zich heeft verbonden om voor rekening van [naam 1] een of meer rechtshandelingen te verrichten, als bedoeld in artikel 7:414 BW. Dit had - gezien de betwisting door Veka c.s. dat sprake is van lastgeving - wel op haar weg gelegen. Artikel 7:416 BW, waar KBC een beroep op doet, mist derhalve toepassing.

4.20.

Ten aanzien van het algemene verwijt van KBC dat Veka c.s. en [naam 1] elkaar de bal hebben toegespeeld met het oogmerk daar beiden, ten koste van KBC en de andere schuldeisers van [naam bedrijf 1] , beter van te worden, merkt de rechtbank nog het volgende op. Veka c.s. heeft gesteld dat zij bij uitstek de partij was die de middelen en de mankracht had om de feitelijke werkzaamheden in het kader van de gerechtelijke bewaring uit te voeren en dat [naam 1] om die reden Veka c.s. daartoe opdracht heeft gegeven. Zo was Veka c.s. naar zij stelt in het bezit van geschikte sleepboten die in voorkomend geval voldoende capaciteit hadden om het ponton voort te slepen en om bemanning die zich op het ponton bevond heen en weer te brengen voor aflossing. De bemanning van Veka c.s. was gekwalificeerd voor het beheer van de casco’s, aldus Veka c.s.

Gezien die uitleg door Veka c.s., die aannemelijk maakt dat Veka c.s. gekwalificeerd en geschikt was voor de door [naam 1] opgedragen werkzaamheden, lag het op de weg van KBC om een en ander nader te betwisten dan wel nader aan te geven welke kosten onnodig zijn gemaakt. Voor zover KBC dat niet heeft gedaan is haar stelling onvoldoende onderbouwd. Voor zover KBC dat wel heeft gedaan, zal daar hierna, bij de bespreking van de individuele kostenposten, nader op worden ingegaan.

Kostenposten

4.21.

Veka c.s. heeft, in haar productie 6, een overzicht opgenomen van de door haar gevorderde kosten. De rechtbank zal bij de bespreking van de kosten, de in genoemd overzicht opgenomen nummering aanhouden.

posten 1 t/m 5

4.22.

De kosten die Veka c.s. onder bovengenoemde posten heeft gevorderd, hebben - naar Veka c.s. stelt - betrekking op (onder meer) het huren van sleepboten, bewaking, betaling van liggelden en reiskosten van en naar de casco’s. De overgelegde facturen zijn gericht aan [naam bedrijf 2] , het bedrijf van [naam 1] . De onderhavige kosten kwalificeren volgens Veka c.s. als bedrijfskosten van [naam 1] , die derde partijen heeft ingezet als hulppersonen. Veka c.s. heeft gesteld dat de casco’s dag en nacht door minimaal twee personen dienden te worden bewaakt. Bij de werkzaamheden die zijn uitgevoerd zijn volgens Veka c.s. alle schuldeisers gebaat, omdat door het optreden van Veka c.s. (o.a.) diefstal van de casco’s is voorkomen.

4.23.

KBC heeft betwist dat de kosten (in redelijkheid) zijn gemaakt en redelijk zijn. Bovendien zijn, zo stelt KBC, de facturen afkomstig van Veka c.s., kennelijk op basis van afspraken die zij met zichzelf heeft gemaakt. Daarnaast is KBC van mening dat de kosten door Veka c.s. zijn gemaakt ten behoeve van de conservatoire beslaglegging, zodat deze niet voor vergoeding als executie- en uitwinningskosten in aanmerking komen. KBC heeft betwist dat de werkzaamheden zijn verricht in opdracht van [naam 1] , nu de facturen zijn gericht aan [naam bedrijf 2] en niet aan [naam 1] in persoon. KBC heeft voorts betwist dat de werkzaamheden in het voordeel zijn van alle betrokkenen, nu de beweerdelijk door Veka c.s. verrichte werkzaamheden niet noodzakelijk waren. Immers heeft KBC zelf voor adequaat toezicht en bewaking van de casco’s gezorgd.

4.24.

De rechtbank overweegt dat de door Veka c.s. als productie 9.1 tot en met 9.5 ingediende facturen ieder een (voldoende uitgebreide) omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden bevatten. Gezien die beschrijving had het op de weg van KBC gelegen toe te lichten waarom de (gestelde) kosten van die (gestelde) werkzaamheden niet redelijk waren en niet in redelijkheid zijn gemaakt. KBC onderbouwt haar stelling dat deze kosten niet redelijk zijn en niet (in redelijkheid) zijn gemaakt, door te verwijzen naar de door haar ten aanzien van de kostenposten 6 tot en met 22 genoemde bezwaren, waaruit volgens haar blijkt dat Veka c.s. “ten onrechte allerlei hoge, gekunstelde, vage en oneigenlijke bedragen probeert te verhalen”. Die onderbouwing is onvoldoende, nu - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet valt in te zien waarom uit de ten aanzien van de andere posten genoemde bezwaren (wat er ook zij van die bezwaren) blijkt dat de posten 1 t/m 5 hoog, gekunsteld, vaag en oneigenlijk zijn. De verwijten van KBC dat de facturen betrekking hebben op door Veka c.s. met zichzelf gemaakte afspraken en door haarzelf verrichte werkzaamheden, en gericht zijn aan [naam bedrijf 2] , stranden op hetgeen in respectievelijk 4.20 en 4.10 is overwogen.

4.25.

Het bovenstaande leidt er toe dat de vordering van Veka c.s. voor zover deze ziet op de posten 1 tot en met 5 kan worden erkend tot een bedrag van ƒ 211.912,65.

4.26.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of de door Veka c.s. gevorderde kosten kunnen worden aangemerkt als uitwinningskosten als bedoeld in artikel 8:820 lid 1 BW, dan wel als kosten tot behoud als bedoeld in artikel 8:821 aanhef en onder a BW.

4.27.

Veka c.s. heeft primair gesteld dat de kosten kwalificeren als uitwinningskosten. Met KBC is de rechtbank van oordeel dat de kosten niet als uitwinningskosten kunnen worden aangemerkt. Daartoe is het volgende redengevend.

De gerechtelijke bewaring is door Veka c.s. verzocht in het kader van de conservatoire beslaglegging. De nu gevorderde kosten van bewaarwerkzaamheden vloeiden voort uit die - conservatoire - beslaglegging. Gelet op het uitgangspunt opgenomen in 4.6 kunnen de kosten daarom niet worden gekwalificeerd als kosten van uitwinning. De (subsidiaire) stelling van Veka c.s. dat zij middels subrogatie executant is geworden en dat dit meebrengt dat de kosten hebben te gelden als kosten van uitwinning faalt op grond van hetgeen in 4.14 tot en met 4.16 is overwogen.

4.28.

Subsidiair stelt Veka c.s. dat de kosten kosten tot behoud zijn in de zin van artikel 8:821 aanhef en onder a BW. Bij de werkzaamheden die Veka c.s. heeft uitgevoerd zijn volgens Veka c.s. alle schuldeisers gebaat, omdat door het optreden van Veka c.s. (o.a.) diefstal van de casco’s is voorkomen.

4.29.

KBC heeft op dit punt aangevoerd dat de kosten genoemd in post 1 tot en met 5 niet zijn gemaakt ter voorkoming van het fysiek tenietgaan of in waarde dalen van de casco’s. Voorts betwist KBC dat de werkzaamheden in het voordeel waren van alle betrokkenen. KBC heeft zelf voor adequaat toezicht en bewaking van alle casco’s gezorgd in het kader van de uitoefening van het beheersbeding (zie 2.5). In het vonnis van 26 januari 2001 heeft de voorzieningenrechter de bewaring door de heer [naam 1] met onmiddellijke ingang beëindigd omdat was gebleken dat KBC zelf prima de opslag van casco’s kon verzorgen - hetgeen zij ook al geruime tijd deed - terwijl bovendien de kosten van [naam 1] nodeloos opliepen, hetgeen ook de andere belanghebbenden schaadde, aldus KBC.

4.30.

De rechtbank overweegt dat de door Veka c.s. gevorderde kosten zijn gemaakt in het kader van het door haar gelegde conservatoir beslag en dus primair gericht op bewaring van haar rechten. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet mee dat die kosten geen kosten tot behoud in de zin van artikel 8:821 aanhef en onder a BW kunnen zijn. Indien de uitgevoerde werkzaamheden er voor hebben gezorgd dat de casco’s behouden bleven, is dat in het voordeel van alle schuldeisers en zouden de kosten kunnen kwalificeren als genoemde kosten tot behoud. Dit zal in het bijzonder het geval zijn indien er geen andere schuldeisers zijn, die de casco’s voor waardevermindering behoeden.

4.31.

Veka c.s. heeft in dit verband gesteld dat de in de posten 1 tot en met 5 opgenomen kosten zien op dag en nacht bewaking van casco’s door minimaal twee personen en het verslepen van de casco’s vanaf de Maas naar een veilige haven. Veka c.s. heeft voorts aangevoerd dat zij onbekenden die het ponton probeerden te enteren heeft geweerd met behulp van door haar ingeschakelde beveiligers. Ook heeft Veka c.s., naar zij stelt, de nodige actie ondernomen toen de casco’s dreigden te kantelen.

KBC heeft het verrichten en de aard van die activiteiten niet, althans niet voldoende, betwist. De enkele stelling dat zij niet zien op het behoud van de casco’s, is in het licht van de door Veka c.s. gegeven omschrijving van de werkzaamheden onvoldoende. Dit leidt ertoe dat vast komt te staan dat de onder 1 tot en met 5 opgevoerde werkzaamheden in beginsel in aanmerking komen voor het voorrecht van artikel 8:821 aanhef en onder a BW.

4.32.

Dit is echter anders indien het behoud van de casco’s reeds op andere wijze is veiliggesteld, bijvoorbeeld door bewakingswerkzaamheden van een pandhouder als KBC. De rechtbank overweegt op dit punt dat de stelling van KBC dat zij - al geruime tijd voor 26 januari 2001 - zorg droeg voor het toezicht op de casco’s, bevestiging vindt in de door Veka c.s. overgelegde brief van 21 december 2000 (zie 2.7), waarin [naam 1] er namens KBC op wordt gewezen dat zijn “activiteiten voor wat betreft de veilige bewaring van de betreffende casco’s geheel overbodig zijn”, waarna de voorzieningenrechter op 26 januari 2001 heeft bevestigd dat er in dit verband geen rol meer was voor Veka c.s. Tegen die achtergrond diende Veka c.s. nader te onderbouwen waarom de sinds 21 december 2000 gemaakte kosten, ondanks de werkzaamheden van KBC, strekten tot het behoud van de casco’s. Nu Veka c.s. dat niet heeft gedaan concludeert de rechtbank dat de door Veka c.s. vanaf die datum gemaakte kosten niet (langer) hebben bijgedragen aan het behoud van de casco’s, de overige schuldeisers (dus) niet tot voordeel hebben gestrekt en niet kwalificeren als kosten tot behoud in de zin van artikel 8:821 aanhef en onder a BW.

4.33.

De conclusie is dat aan de vordering van Veka c.s. ter zake van de onder 1 tot en met 5 opgenomen kosten het voorrecht van artikel 8:821 aanhef en onder a BW toekomt voor zover de kosten zijn gemaakt tot 21 december 2000. De kosten vanaf die datum kennen dat voorrecht niet. De onder de posten 1 en 3 opgenomen kosten (die zien op de periode 29 november 2000 tot en met 20 december 2000) bedragen in totaal ƒ 176.250,00 (ƒ 105.750,00 + ƒ 70.500,00), zodat tot een beloop van dit bedrag het voorrecht als hiervoor bedoeld toekomt. De overige opgevoerde kosten zijn na 20 december 2000 gemaakt.

6 – kosten deurwaarder

4.34.

Veka c.s. heeft ten aanzien van deze post gesteld dat de kosten van de deurwaarder in het kader van het door haar gelegde conservatoir beslag, kunnen worden gekwalificeerd als bedrijfskosten van de gerechtelijke bewaarder, [naam 1] , en (daarmee) tevens als executiekosten/uitwinningskosten die Veka c.s. in hoedanigheid van executant heeft gemaakt.

4.35.

De rechtbank stelt voorop dat beslagkosten in beginsel ten laste komen van de beslagene, in dit geval [naam bedrijf 1] . Als onvoldoende weersproken staat vast dat Veka c.s. de beslagkosten (al dan niet via [naam 1] ) heeft betaald. KBC heeft de hoogte van de factuur niet zelfstandig betwist, zodat die vast staat. Dit houdt in dat de vordering van Veka c.s. met betrekking tot deze post kan worden erkend tot een bedrag van ƒ 11.206,60.

4.36.

Ten aanzien van de vraag of deze kosten kunnen worden gekwalificeerd als uitwinningskosten als bedoeld in artikel 8:820 lid 1 BW geldt het volgende. Gelet op hetgeen in 4.6 als uitgangspunt is genomen, worden kosten van conservatoire beslagen niet gerekend tot de kosten van uitwinning, omdat deze beslagen worden gelegd met het oog op bewaring van rechten. Dit geldt ook voor het conservatoir beslag gelegd door Veka c.s. Reeds om die reden is er geen ruimte om de beslagkosten te kwalificeren als kosten van uitwinning als bedoeld in artikel 8:820 lid 1 BW.

4.37.

Dan resteert de vraag of de vordering van Veka c.s. ten aanzien van de beslagkosten bevoorrecht is op grond van artikel 8:821 aanhef en onder a BW. Dit is niet het geval. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat de kosten van post 6 kwalificeren als kosten tot behoud als bedoeld in 4.7.

7 en 8 – kosten voor inspectie en fotograaf

4.38.

Veka c.s. heeft gesteld dat zij kosten heeft gemaakt naar aanleiding van een bericht van KBC dat het ponton waarop de casco’s stonden extra slagzij maakte, waarop Veka c.s. een expertisebureau heeft ingeschakeld om een inspectie te laten verrichten op het ponton. Veka c.s. heeft tevens gesteld dat zij daarbij een fotograaf heeft ingehuurd om de situatie vast te leggen. KBC heeft weliswaar bestreden dat de kosten redelijk zijn en in redelijkheid gemaakt zijn, maar tegen de achtergrond van de onderbouwing van Veka c.s. is het verweer van KBC onvoldoende gemotiveerd. Daaruit volgt dat de vordering van Veka c.s. met betrekking tot deze posten kan worden erkend tot een bedrag van ƒ 3.903,29 (ƒ 2.467,50 + ƒ 1.435,79).

4.39.

Met betrekking tot de vraag of deze kosten kunnen worden gekwalificeerd als uitwinningskosten als bedoeld in artikel 8:820 lid 1 BW, heeft KBC aangevoerd dat de kosten (hooguit) verband houden met de bewaring in het kader van het door Veka c.s. gelegde conservatoir beslag. De rechtbank volgt KBC daarin en verwijst naar 4.6.

4.40.

Veka c.s. heeft gesteld dat het inhuren van een fotograaf om de situatie vast te leggen is geschied tot behoud van het schip. Gelet op de door Veka c.s. gestelde omstandigheden (melding van KBC; ontstane noodsituatie), welke niet door KBC zijn betwist, oordeelt de rechtbank dat de kosten die [naam 1] ter zake heeft gemaakt het behoud van de casco’s dienden. In zoverre is voldaan aan de voorwaarden als genoemd in 4.7, zodat de vordering ten aanzien van deze kosten is bevoorrecht als bedoeld in artikel 8:821 aanhef en onder a BW.

9 t/m 11 – advocaatkosten

4.41.

Veka c.s. heeft ter zake gesteld dat de advocaatkosten zijn gemaakt als gevolg van door KBC tegen (onder meer) [naam 1] gevoerde procedures in kort geding. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Veka c.s. gesteld dat KBC destijds op grond van haar, door Veka c.s. betwiste, hypotheekrecht om afgifte van de casco’s heeft verzocht en dat [naam 1] , gelet op zijn verantwoordelijkheid als bewaarder van de casco’s en ter voorkoming van aansprakelijkstelling, een rechterlijke uitspraak diende af te wachten alvorens in te gaan op het verzoek van KBC.

4.42.

De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om drie facturen (waarvan twee gedateerd op 19 januari 2001, gericht aan Veka c.s., en één op 23 april 2001, gericht aan [naam bedrijf 2] ) die betrekking hebben op advocaatkosten. Veka c.s. heeft gesteld dat deze kosten zijn gemaakt in de procedures in kort geding waarin (onder meer) [naam 1] betrokken is geweest, maar zij heeft - zoals ook door KBC aangevoerd - geen nadere toelichting gegeven en niet duidelijk gemaakt welke specifieke factuur betrekking heeft op welke specifieke procedure. De vermelding, op de factuur opgenomen als post 10, “Inzake: VEKA EA/KBC BANK BZ V624PK (bodemzaak” lijkt in tegenspraak met de stelling dat het gaat om kosten gemaakt in verband met de kortgedingprocedures. Tegen die achtergrond, en gelet op de gemotiveerde betwisting van KBC dat de kosten betrekking hebben op de onderhavige zaak, heeft Veka c.s. haar stelling onvoldoende gemotiveerd. Daarmee is niet komen vast te staan dat de facturen voor vergoeding in aanmerking komen, en kan de vordering van Veka c.s. op dit punt niet worden erkend. Aan de vraag of de kosten in redelijkheid zijn gemaakt, en aan de vraag of deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van uitwinning of kosten tot behoud, komt de rechtbank aldus niet toe.

12 – kosten van juridische dienstverlening

4.43.

Veka c.s. heeft ten aanzien van deze kosten gesteld dat [naam 1] die kosten heeft moeten maken in het kader van zijn verzoek ex artikel 858 Rv om de casco’s te kunnen verkopen. KBC heeft (onder meer) betwist dat deze kosten redelijk zijn en (in redelijkheid) zijn gemaakt. Gezien die betwisting mocht van Veka c.s. worden gevergd aanvullende feiten en/of omstandigheden te stellen die onderbouwen dat de kosten redelijk waren. Nu zij dat niet heeft gedaan kan de vordering van Veka c.s. - voor zover die ziet op deze kosten - niet worden erkend. De rechtbank komt niet toe aan de vraag of deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten voor uitwinning of kosten tot behoud.

13 – kosten Veka Scheepvaart

4.44.

De rechtbank stelt vast dat het hier - volgens de daarin opgenomen omschrijving -gaat om een factuur van Veka Scheepvaart B.V. aan [naam bedrijf 2] voor het optreden van [naam 3] als gesprekspartner namens Veka c.s. In reactie op de betwisting van KBC dat voornoemde kosten redelijk zijn en in redelijkheid gemaakt zijn, heeft Veka c.s. volstaan met de enkele stelling dat de kosten redelijk zijn en noodzakelijk zijn geweest met het oog op het overleg dat [naam 1] nodig had bij de uitvoering van zijn taak als bewaarder. Die uitleg is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de noodzaak van het inhuren van een gesprekspartner namens de opdrachtgever ten aanzien van het uitvoeren van de opgedragen taak te onderbouwen. Op grond van het voorgaande is voor vergoeding van deze kosten uit de executieopbrengst geen plaats. De vordering van Veka c.s. ten aanzien van deze post zal niet worden erkend. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de kosten kunnen worden gekwalificeerd als kosten van uitwinning dan wel kosten tot behoud.

14 – kosten kadaster

4.45.

Veka c.s. heeft gesteld dat deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van het beslag, namelijk om in het kadaster te onderzoeken of de casco’s waren ingeschreven en/of er beslagen op de casco’s rustten.

4.46.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door Veka c.s. ter onderbouwing van dit gedeelte van haar vordering overgelegde factuur volgt dat het kadaster op 4 december 2000 aan [naam bedrijf 2] dan wel [naam 1] een bedrag van ƒ 520,- in rekening heeft gebracht onder verwijzing naar een bestelling van 28 november 2000, met als omschrijving “ [naam bedrijf 1] ”. Tegen deze achtergrond houdt de stelling van KBC, dat gesteld noch gebleken is dat de kosten zijn gemaakt en betrekking hebben op de onderhavige zaak, geen stand. De rechtbank gaat eveneens voorbij aan de stelling van KBC dat de kosten niet (in redelijkheid) gemaakt zijn, nu zij haar stelling niet nader heeft gemotiveerd. De enkele betwisting dat de kosten zijn gemaakt, is in het onderhavige geval, waar een factuur van het kadaster is overgelegd, als betwisting onvoldoende. De vordering van Veka c.s. kan dan ook met betrekking tot deze post worden erkend tot een bedrag van ƒ 520,-.

4.47.

Met betrekking tot de vraag of deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van uitwinning (art. 8:820 lid 1 BW) dan wel kosten tot behoud (art. 8:821 aanhef en onder a BW), is de rechtbank van oordeel dat deze kosten noch kunnen worden aangemerkt als uitwinningskosten noch als kosten tot behoud. Verwezen wordt naar de in 4.6 in 4.7 geschetste uitgangspunten en hetgeen is overwogen in 4.36 en 4.37.

15 – kosten griffierecht gerechtelijke procedure

4.48.

Tussen partijen staat vast dat destijds drie procedures in kort geding zijn gevoerd tussen KBC en (onder meer) [naam 1] , waarin op 8 december 2000, 26 januari 2001 en 27 februari 2001 vonnissen zijn gewezen. De factuur die Veka c.s. ter onderbouwing van post 15 heeft overgelegd dateert van 8 februari 2001, is gericht aan [naam 1] en heeft betrekking op het door [naam 1] verschuldigde griffierecht van ƒ 400,- in een van voornoemde procedures. Gelet op de datum gaat de rechtbank ervan uit dat deze factuur betrekking heeft op de procedure in kort geding, waarin KBC heeft verzocht [naam 1] te ontheffen uit zijn functie als gerechtelijk bewaarder en waarin op 26 januari 2001 vonnis is gewezen. In aanmerking nemende dat [naam 1] in die procedure door KBC in rechte is betrokken (en dus niet op eigen initiatief) en dat hij in die procedure is verschenen in zijn hoedanigheid van gerechtelijk bewaarder, is de rechtbank van oordeel dat de kosten die [naam 1] (noodgedwongen) heeft moeten maken voor betaling van het griffierecht, moeten worden gezien als bedrijfskosten van [naam 1] . Gezien het in 4.8 gegeven toetsingskader kwalificeren deze kosten als kosten van bewaring. Dat [naam 1] in die procedure uiteindelijk in het ongelijk is gesteld en uit zijn functie als gerechtelijk bewaarder is ontheven, maakt dat niet anders. Daarnaast is ook niet komen vast te staan dat, zoals KBC heeft aangevoerd, [naam 1] uit zijn functie is ontheven, omdat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Uit het vonnis van 26 januari 2001 kan slechts worden afgeleid dat de reden voor het ontslag lag in het niet onnodig laten oplopen van de kosten, omdat KBC inmiddels de bewaring had overgenomen. Nu vast is komen te staan dat Veka c.s. de kosten van bewaring aan [naam 1] heeft voldaan (zie 4.10), en Veka c.s. deze kosten op de beslagene ( [naam bedrijf 1] ) kan verhalen, kan de vordering van Veka c.s. met betrekking tot deze post worden erkend tot een bedrag van ƒ 400,-.

4.49.

Voor beantwoording van de vraag of deze kosten kunnen worden gekwalificeerd als kosten van uitwinning als bedoeld in artikel 8:820 lid 1 BW, is van belang om te bepalen of de kosten zijn gemaakt in het kader van de executie van de casco’s. Veka c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat KBC (als uiteindelijke executant) belang heeft gehad bij de diensten van [naam 1] als bewaarder en daarvan tot het moment dat [naam 1] uit zijn functie als gerechtelijk bewaarder werd ontheven, heeft geprofiteerd. Noch deze stelling, noch de overige stellingen van Veka c.s. kunnen naar het oordeel van de rechtbank leiden tot de conclusie dat de thans door Veka c.s. gevorderde kosten passen binnen de beperkt uit te leggen reikwijdte van artikel 8:820 lid 1 BW, zoals weergegeven in 4.6. Niet gebleken is dat de gemaakte kosten gemoeid waren met het (gedwongen) te gelde maken van een goed. Zoals reeds in 4.27 is overwogen, heeft de gerechtelijke bewaring plaatsgehad in het kader van het door Veka c.s. gelegde conservatoir beslag. De door Veka c.s. gevorderde kosten kunnen niet worden aangemerkt als kosten van uitwinning.

4.50.

Ten aanzien van de vraag of aan deze kosten het voorrecht van artikel 8:821 aanhef en onder a BW toekomt, is de rechtbank van oordeel dat - gelet op het uitgangspunt in 4.7 - deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten tot behoud.

16 en 17 – kosten griffierecht en proceskostenveroordeling

4.51.

Uit de stukken die Veka c.s. heeft overgelegd blijkt dat het gaat om kosten die [naam 1] dan wel Veka c.s. heeft gemaakt in verband met de procedure in kort geding

genoemd in 2.5. In die procedure is [naam 1] bij vonnis van 8 december 2000 geboden (onder meer) medewerking te verlenen aan alle werkzaamheden die KBC in het kader van de voorgenomen executie van de casco’s heeft ondernomen dan wel zal willen ondernemen. Uit dat vonnis blijkt voorts dat [naam 1] is veroordeeld in de proceskosten van KBC, waaronder het griffierecht. Veka c.s. vordert thans vergoeding van deze kosten.

KBC heeft zich (onder meer) verweerd met de stelling dat de kosten niet redelijk zijn en niet in redelijkheid zijn gemaakt. Dit verweer slaagt op grond van het volgende. Niet in geschil is dat KBC reeds op 4 december 2000 beschikte over een verlof van de voorzieningenrechter om de casco’s in beheer te nemen, zodat de procedure in kort geding, waarin op 8 december 2000 vonnis is gewezen, achterwege had kunnen blijven. Of de beslissing van 4 december 2000 gerechtvaardigd was (hetgeen door Veka c.s. wordt betwist), is daarbij niet van belang.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Veka c.s. op dit punt niet voor erkenning in aanmerking komen. De rechtbank komt niet toe aan de vraag of deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van uitwinning c.q. kosten tot behoud.

18 – kosten Kadaster

4.52.

Veka c.s. heeft ten aanzien van deze post gesteld dat dit bedrijfskosten van [naam 1] zijn, maar zij heeft die stelling - welke wordt betwist door KBC - niet althans niet voldoende onderbouwd. Veka c.s. heeft niet duidelijk gemaakt waarom [naam 1] , als bewaarder, in januari 2001 (nader) onderzoek diende te doen naar (mogelijke) op de casco’s gelegen beslagen. Gelet op de betwisting van KBC dat de kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt, lag het op de weg van Veka c.s. om feiten en omstandigheden aan te voeren om haar stelling (nader) te onderbouwen. De door Veka c.s. overgelegde factuur biedt daar te weinig aanknopingspunten voor. Op grond van het voorgaande kan de vordering van Veka c.s. op dit punt niet worden erkend. De rechtbank komt niet toe aan de vraag of de kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van uitwinning dan wel kosten tot behoud.

19 – proceskostenveroordeling

4.53.

Gelet op de door Veka c.s. overgelegde brief van 6 maart 2001 van de deurwaarder aan [naam 1] , hebben deze kosten betrekking op een proceskostenveroordeling van [naam 1] krachtens een vonnis van 27 februari 2001 in een procedure in kort geding tussen KBC en (onder meer) [naam 1] . In voornoemd vonnis is [naam 1] geboden een bankgarantie te aanvaarden door KBC ten aanzien van zijn gepretendeerde kosten als bewaarder. [naam 1] is voorts veroordeeld om aan de notaris schriftelijk te bevestigen dat hij noch jegens de kopers van de casco’s noch jegens de casco’s een retentierecht zal pretenderen c.q. handhaven of beslag zal leggen (dan wel beslagverlof zal aanvragen).

4.54.

Vaststaat dat de gerechtelijke bewaring van [naam 1] op 26 januari 2001 is geëindigd. In artikel 857 lid 2 Rv is bepaald dat de bewaarder voor al hetgeen hem ter zake van de bewaring toekomt een retentierecht heeft op de in bewaring gestelde zaken, dat hij kan uitoefenen tegen een ieder die recht op afgifte van die zaken mocht hebben. Ingevolge artikel 860 lid 3 Rv behoudt de bewaarder zijn retentierecht na opheffing van de bewaring. [naam 1] kon dus (in beginsel) een beroep doen op zijn retentierecht. Echter, in voornoemd vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het [naam 1] niet paste om te dreigen met het leggen van beslag op de casco’s, omdat KBC kenbaar had gemaakt bereid te zijn een bankgarantie af te geven. Tegen deze achtergrond kan worden aangenomen dat [naam 1] onnodig kosten heeft veroorzaakt door de bankgarantie van KBC niet te aanvaarden. KBC werd daardoor min of meer gedwongen om een gerechtelijke procedure te starten, in welke procedure [naam 1] vervolgens in de proceskosten van KBC is veroordeeld. De rechtbank is gezien het voorgaande, met KBC, van oordeel dat de door [naam 1] gemaakte kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt en niet voor vergoeding uit de executieopbrengst in aanmerking komen. Aan de vraag of deze kosten kunnen worden gekwalificeerd als kosten van uitwinning c.q. kosten tot behoud komt de rechtbank niet toe.

20 – kosten beslag

4.55.

Deze kosten zijn door Veka c.s. gevorderd als kosten van de gerechtelijke bewaarder [naam 1] . Veka c.s. heeft ter zake een factuur overgelegd van [naam bedrijf 2] aan Veka c.s. van 23 maart 2001. KBC heeft betwist dat de kosten (in redelijkheid) zijn gemaakt.

4.56.

Overwogen wordt dat Veka c.s. slechts heeft gesteld dat dit kosten zijn die [naam 1] heeft gemaakt. De factuur vermeldt weliswaar dat de kosten zijn gemaakt in verband met het in opdracht van Veka c.s. uit te voeren beslag, maar Veka c.s. heeft niet geconcretiseerd om welk beslag het hier gaat. Niet kan worden vastgesteld waarvoor deze kosten zijn gemaakt en of deze kosten betrekking hebben op de onderhavige zaak. Van Veka c.s. mocht daarom een (nadere) onderbouwing worden verwacht. Nu Veka c.s. dit heeft nagelaten, zal de vordering ten aanzien van deze post als onvoldoende onderbouwd niet worden erkend. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of dit kosten van uitwinning c.q. kosten tot behoud (kunnen) zijn.

21 en 22 – advocaatkosten

4.57.

Veka c.s. heeft gesteld dat [naam 1] deze kosten heeft moeten maken voor juridische bijstand in de executiegeschillen met betrekking tot de casco’s en dat deze kosten kwalificeren als bedrijfskosten van [naam 1] .

4.58.

Het betreft hier twee facturen (van 28 februari 2001 en 26 maart 2001) gericht aan Veka Handelsonderneming B.V. Veka c.s. heeft ter zake volstaan met de stelling dat de kosten zijn gemaakt in verband met de procedures in kort geding tegen KBC. Zij heeft - ondanks het verweer van KBC dat niet kan worden vastgesteld waar de advocaatkosten op zien - niet nader aangegeven welke factuur betrekking heeft op welke specifieke procedure. De rechtbank stelt vast dat op de factuur van 28 februari 2001 is vermeld dat deze betrekking heeft op een procedure in kort geding van 15 februari 2001. Volgens het vonnis van 27 februari 2001 in kort geding, heeft de terechtzitting in die zaak plaatsgevonden op 15 februari 2001. Daaruit kan worden afgeleid dat de factuur van 28 februari 2001 betrekking heeft op die procedure. Zonder nadere toelichting van Veka c.s. valt echter niet in te zien waarom de advocaatkosten die Veka c.s. in die procedure heeft gemaakt dienen te worden aangemerkt als kosten van [naam 1] , terwijl die factuur is gericht aan Veka Handelsonderneming B.V. in plaats van bijvoorbeeld [naam 1] of [naam bedrijf 2] . In het licht van de gemotiveerde betwisting van KBC ter zake, lag het op de weg van Veka c.s. om haar stellingen voldoende te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan de vordering met betrekking tot deze posten niet worden erkend.

Aan de vraag of deze kosten kunnen worden gekwalificeerd als kosten van uitwinning of kosten tot behoud komt de rechtbank dan ook niet toe.

23 – kosten bewaarder

4.59.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft Veka c.s. een factuur overgelegd van [naam bedrijf 2] aan Veka van 26 maart 2001.Volgens Veka c.s. ziet deze factuur op alle werkzaamheden die [naam 1] heeft verricht in het kader van de gerechtelijke bewaring. De werkzaamheden bestaan onder meer uit het onderhouden van het contact met de door [naam 1] ingeschakelde hulppersonen, het coördineren van alle activiteiten en het geven van instructies, aldus Veka c.s.

4.60.

KBC heeft betwist dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

4.61.

De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens de omschrijving op de factuur heeft [naam 1] gedeclareerd voor werkzaamheden die hij heeft uitgevoerd in de periode van 29 november 2000 t/m 26 januari 2001 en van 27 januari 2000 t/m 27 februari 2001. Dat betekent dat de kosten deels zien op de periode nadat [naam 1] uit zijn functie als gerechtelijk bewaarder was ontheven (op 26 januari 2001). Zonder nadere toelichting van Veka c.s. valt niet in te zien waarom [naam 1] daarna nog kosten heeft moeten maken in het kader van de bewaring van de casco’s en wat zijn werkzaamheden dan nog inhielden. Dit temeer nu de casco’s op 30 januari 2001 zijn geveild. In ieder geval kan ten aanzien van de kosten die zijn gemaakt in de periode 27 januari 2000 t/m 27 februari 2001 niet worden aangenomen dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt, zodat het verweer van KBC ten aanzien hiervan slaagt. Wat betreft de kosten in de periode van 29 november 2001 t/m 26 januari 2001 gaat het verweer van KBC niet op. [naam 1] heeft in die periode opgetreden als gerechtelijk bewaarder van de casco’s (hetgeen ook niet in geschil is) en het is derhalve niet onbegrijpelijk dat hij in het kader daarvan kosten heeft gemaakt. Ter onderbouwing van haar stelling dat de kosten niet redelijk zijn, verwijst KBC naar haar bezwaren tegen de posten 1 tot en met 22, waaruit volgens KBC blijkt dat Veka c.s. ten onrechte allerlei dubieuze kosten probeert te verhalen. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - valt echter niet in te zien waarom uit de ten aanzien van de andere posten genoemde bezwaren (wat er ook zij van die bezwaren) blijkt dat de kosten opgenomen in post 23 onredelijk zijn. KBC heeft ook de redelijkheid van het door [naam 1] berekende tarief niet gemotiveerd betwist (door bijvoorbeeld aan te geven welk tarief in haar visie redelijk zou zijn), zodat het er voor moet worden gehouden dat de door [naam 1] gemaakte kosten redelijk zijn. De conclusie is dat de vordering van Veka c.s. ten aanzien van deze post kan worden erkend voor zover deze ziet op de periode tot en met 26 januari 2001.

4.62.

De kosten die [naam 1] heeft gemaakt in de periode van 29 november 2000 t/m 26 januari 2001 worden geacht te zijn gemaakt in het kader van de gerechtelijke bewaring, die in het kader van het conservatoir beslag heeft plaatsgevonden. Deze kosten kunnen van de beslagene worden teruggevorderd. [naam 1] heeft per kwartdagdeel een tarief van ƒ 750,- in rekening gebracht. Blijkens de factuur gaat het hier om 26 kwart-dagdelen, hetgeen neerkomt op een bedrag van ƒ 23.205,- (ƒ 19.500,- + ƒ 3.705,- btw). Dit houdt in dat de vordering van Veka c.s. met betrekking tot deze post kan worden erkend tot een bedrag van ƒ 23.205,-.

4.63.

Ten aanzien van de vraag of die bewaarkosten kunnen worden aangemerkt als kosten van uitwinning in de zin van artikel 8:820 lid 1 BW, geldt het volgende. Veka c.s. heeft gesteld dat zij de executie mogelijk heeft gemaakt door de casco’s uit de macht van [naam bedrijf 1] te brengen en dat de gerechtelijke bewaring om die reden in het belang van de executie is geweest. Deze stelling van Veka c.s. kan niet slagen, nu – zoals ook KBC aangevoerd – de gerechtelijke bewaring door Veka c.s. is verzocht in het kader van de conservatoire beslaglegging (zie 4.6). Voor zover kan worden aangenomen dat de gerechtelijke bewaring ertoe heeft geleid dat de casco’s uiteindelijk konden worden geveild, is dat - ook indien KBC van de gerechtelijke bewaring heeft geprofiteerd - onvoldoende om te concluderen dat de bewaring in het kader van de executie is geweest. In dit geval vloeiden de bewaarwerkzaamheden voort uit het conservatoir beslag door Veka c.s., zodat de kosten daarvan (gelijk de beslagkosten) gelet op het uitgangspunt in 4.6 niet kunnen worden gekwalificeerd als kosten van uitwinning. De (subsidiaire) stelling van Veka c.s. dat zij middels subrogatie executant is geworden en dat dit meebrengt dat de kosten hebben te gelden als kosten van uitwinning, kan Veka c.s. niet baten nu subrogatie door Veka c.s. niet is komen vast te staan (zie 4.14).

4.64.

Dan resteert de vraag of de bewaarkosten kunnen worden aangemerkt als kosten tot behoud als bedoeld in artikel 8:821 aanhef en onder a BW. Veka c.s. heeft ten aanzien van de onderhavige kosten niet (voldoende) onderbouwd gesteld waarvoor de kosten zijn gemaakt en waarom dat het behoud van de casco’s aantoonbaar diende. De door Veka c.s. overgelegde factuur bevat de omschrijving: “Inzake door [naam 1] uitgevoerde bewaring inzake China Casco’s (…)”. Veka c.s. heeft vervolgens volstaan met de stelling dat het gaat om werkzaamheden van [naam 1] met betrekking tot het contact met de ingeschakelde hulppersonen, het coördineren van alle activiteiten en het geven van instructies. In het licht van de betwisting van KBC dat deze door [naam 1] gemaakte kosten kunnen worden gekwalificeerd als kosten tot behoud, mocht van Veka c.s. een nadere, meer specifieke, onderbouwing worden verwacht ten aanzien van de vraag waarom de werkzaamheden van [naam 1] zien op het behoud van de casco’s. Nu deze ontbreekt, kan niet worden geconcludeerd dat de bewaarkosten kosten tot behoud zijn.

Conclusie

4.65.

Conclusie is dat de vordering van Veka c.s. zal worden erkend tot een bedrag van ƒ 251.147,54 (hetgeen omgerekend neerkomt op een bedrag van € 113.965,78), vermeerderd met de - door KBC niet zelfstandig betwiste - wettelijke rente vanaf 30 januari 2001. Het bedrag van ƒ 251.147,54 is als volgt opgebouwd: ƒ 211.912,65 + ƒ 11.206,60 + ƒ 3.903,29 + ƒ 520,00 + ƒ 400,00 + ƒ 23.205,00.

Aan de vordering van Veka c.s. komt tot een beloop van (ƒ 176.250,00 + ƒ 3.903,29 =) ƒ 180.153,29 (zijnde omgerekend € 81.750,00), vermeerderd met de wettelijke rente, het voorrecht van artikel 8:821 aanhef en onder a BW toe.

4.66.

Omdat partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, is er aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

erkent de vordering van Veka c.s. tot een bedrag van € 113.965,78, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2001, en oordeelt dat aan deze vordering tot een beloop van € 81.750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2001, het voorrecht van artikel 8:821 aanhef en onder a BW toekomt;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Volker en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2019.

[3085/2221/1885]