Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:941

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
6672024 CV EXPL 18-6110
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rechtsbijstand door professional niet-advocaat, beroep op 'semi no-cure no-pay' afspraak in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, artikel 6:248 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 6672024 CV EXPL 18-6110

Datum: 8 februari 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser 1] , handelend onder de naam ‘[handelsnaam 1]’, ‘[handelsnaam 2]’ en ‘[handelsnaam 3]’, hierna: ‘ [eiser 1] ’,

wonende te Vaals,

eiser bij exploot van dagvaarding van 9 februari 2018,

verweerder in reconventie,

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] , hierna: ‘ [gedaagde] ’,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. A.J.M. Vélu te Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

 de (herziene) conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

 de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie;

 de conclusie van dupliek in reconventie, met producties;

 het vonnis van 7 december 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

 de brief van 14 december 2018, met producties, van [eiser 1] ;

 het proces-verbaal van de op 21 december 2018 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De datum van deze uitspraak is door de kantonrechter (nader) op heden bepaald.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld danwel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend of niet (voldoende) gemotiveerd zijn betwist:

2.1

[eiser 1] houdt zich vanuit de door hem gedreven eenmanszaak bezig met het verzorgen van rechtskundig advies op het gebied van arbeidsrecht, en dan met name het ontslagrecht, met inbegrip van het verlenen van rechtskundige bijstand in gerechtelijke procedures.

2.2

In april 2017 heeft [gedaagde] zich tot [eiser 1] gewend met het verzoek hem juridische bijstand te verlenen in een tussen zijn werkgever, Croonwolter & dros B.V. (‘CW&D’), en [gedaagde] gerezen arbeidsrechtelijk geschil.

2.3

[gedaagde] , geboren op [geboortedatum] 1953, was toen al sinds 1 november 1989 bij (de rechtsvoorganger van) CW&D in dienst, laatstelijk in de functie van hoofdmonteur, tegen een bruto maandsalaris van € 2.842,- te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.4

[eiser 1] heeft in dit verzoek bewilligd en heeft [gedaagde] vervolgens schriftelijk de opdracht bevestigd. De opdrachtbevestiging van 29 april 2017, die door [gedaagde] voor akkoord werd ondertekend, bevat de volgende inhoud:

“(…)

Graag bevestigen wij uw verzoek om juridische bijstand inzake ede door uw werkgever voorgenomen beëindiging van uw arbeidsovereenkomst.

Wij zullen contact opnemen met uw werkgever of diens gemachtigde teneinde voor u de best mogelijk beëindigingsvoorwaarden / een zo goed en / of hoog mogelijk bruto resultaat te bereiken, waaronder de hoogst mogelijke transitie- en / of billijke bruto vergoeding en / of ontslagvergoeding, nader ook te noemen “het bruto resultaat”. (…)

Tevens bevestigen wij onderstaand de gemaakte afspraken betreffende het honorarium voor de door ons te verlenen juridische bijstand in opgemelde kwestie. Uitgangspunt daarbij is de “semi no-cure no-pay basis”.

Wij spraken af dat wij u eenmalig een bedrag ad EUR 750,00 basisvergoeding en ad EUR 186,00 administratiekosten exclusief 27,5% kantoorkosten en 21% BTW in rekening brengen.


Uw werkgever verzoeken wij de basisvergoeding, administratiekosten, kantoorkosten en BTW, voor haar rekening te nemen, alsmede om een eigen bijdrage ter hoogte hiervan.

Voorbeeld: door u aan ons betaald ad EUR 1,-. Wij verzoeken uw werkgever aan ons ad EUR 2,- te betalen. Indien uw werkgever in de kosten juridische bijstand bijdraagt zoals door ons verzocht, wordt de door u aan ons betaalde basisvergoeding volledig aan u terug betaald of verrekend.

Daarnaast kwamen wij overeen dat u over het door ons bereikte totale bruto resultaat, waaronder bijvoorbeeld een bruto vergoeding, doorbetaling van het (gedeeltelijke) bruto salaris inclusief vakantietoeslag en emolumenten bij vrijstelling van arbeid / op non-actief stelling, het langer genieten van salaris in verband met een latere beëindigings- / ontbindingsdatum, uitbetaling van opgebouwde doch niet opgenomen vakantiedagen, boven de u reeds aangeboden voorwaarden zoals opgenomen in de u overlegde vaststellingsovereenkomst, een percentage kosten juridisch bijstand (Fee) wordt berekend. U betaalt met toepassing van het bruto / netto voordeel bij met een maximaal belastingvoordeel circa 19% netto*.

Voornoemde kosten wijken af van onze reguliere kantoorkosten, omdat wij over het percentage aan kosten juridische bijstand (Fee) over een (eventueel) behaald bruto resultaat, geen enkele kantoorkosten in rekening brengen, indien uw werkgever ermee akkoord gaat dat het percentage kosten juridische bijstand (Fee) verrekend wordt met het bruto resultaat.

Wij spraken af dat wij uw werkgever verzoeken om de kosten juridische bijstand (Fee) volgens bovengenoemde berekenwijze in te houden op uw bruto vergoeding / vakantiegeld en / of eindafrekening. Omdat hieraan voor uw werkgever geen extra kosten zijn verbonden is onze ervaring dat daaraan nagenoeg altijd medewerking wordt verleend. Deze wijze van inhouding is voor u aanzienlijk voordeliger omdat u in dat geval over de in te houden kosten het bruto / netto voordeel geniet.

Het bruto / netto voordeel betekent dat op uw bruto vergoeding een percentage aan kosten juridische bijstand (Fee) wordt ingehouden, alvorens hierop ongeveer de helft aan premies en belastingen dient te worden ingehouden. Het in te houden percentage aan kosten juridische bijstand (Fee) bedraagt derhalve voor u netto circa de helft. Het exacte percentage aan kosten juridische bijstand (Fee) hangt af van het belastingtarief dat op u van toepassing is.

Indien uw werkgever in het uitzonderlijke geval geen medewerking verleent om een percentage aan kosten juridische bijstand (Fee) in te houden op uw bruto vergoeding en / of eindafrekening, berekenen wij u een percentage (Fee) van 25% exclusief 7,5% kantoorkosten en 21% BTW over het bereikte bruto resultaat. In de praktijk is dit de laatste tijd zo goed als niet voorgekomen.

Indien uw werkgever na mijn onderhandelingen het dienstverband alsnog met u wil continueren, bent u mij een bedrag ter hoogte van 1 ½ bruto maandsalaris inclusief emolumenten verschuldigd. In de praktijk is dit de laatste tijd zo goed als niet voorgekomen.

U verleent ons in voornoemde twee uitzonderlijke gevallen een onherroepelijke machtiging waarin uw werkgever door u wordt gemachtigd om uw bruto vergoeding / eindafrekening, uit te betalen op onze derden- / kantoorrekening. Na ontvangst van het bedrag wordt dit na verrekening van bovengenoemd percentage aan kosten juridische bijstand (Fee) gestort op een door u schriftelijk nader aan te geven rekeningnummer.

(…)

Aangezien onze vergoeding rechtstreeks in verband staat met het door ons bereikte resultaat, kunt u er zeker van zijn dat wij voor u een zo gunstig mogelijk resultaat zullen trachten te bereiken. Onze belangen lopen immers parallel.

Indien u de opdracht om u moverende redenen intrekt, bent u gehouden om de basisvergoeding te voldoen alsmede het door ons te derven percentage (Fee), zoals wij daarvoor naar onze verwachting in aanmerking hadden kunnen komen bij de volledige afronding van uw zaak. Wij kunnen er daarnaast tevens voor kiezen om de tot dan toe gewerkte uren in rekening te brengen ad EUR 227,50 exclusief 7,5% kantoorkosten en exclusief 21% BTW. Dit is enkel indien u de opdracht intrekt.

De inhoud van deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van art, 7:900 BW en is u persoonlijk uitgebreid mondeling toegelicht. U heeft aangegeven dat de inhoud u duidelijk is.

(…)

(…) * Het bruto percentage bedraagt 39%.”

2.5

Op 5 juli 2017 heeft ten overstaan van de kantonrechter te Rotterdam de mondelinge behandeling van een door CW&D jegens [gedaagde] , die daarbij door [eiser 1] werd bijgestaan, ingediend verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst plaatsgehad. Uit het ter zake opgemaakte proces-verbaal blijkt dat toen de volgende regeling werd overeengekomen:

“(…)

Partijen zijn het er uiteindelijk over eens dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 december 2017 wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Daarbij geldt dat deze ontbinding aan geen der partijen te verwijten valt.

[gedaagde] is vanaf 21 april 2017 vrijgesteld van zijn werkzaamheden en wordt geacht voor 1 december 2017 alle vakantiedagen opgenomen te hebben. CW&D zal tot 1 december 2017 het loon van [gedaagde] doorbetalen. CW&D zal voorts aan [gedaagde] een bedrag van € 22.000,00 bruto aan beëindigingsvergoeding, waarin de transitievergoeding wordt geacht te zijn begrepen, en een bedrag van € 5.000,00 ex btw aan advocaatkosten betalen, een en ander onder verstrekking van een deugdelijke eindafrekening.

(…)”.

2.6

Aan deze regeling is vervolgens ook uitvoering gegeven, in die zin dat bij beschikking van 12 juli 2017 de arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 december 2017, onder toekenning aan [gedaagde] van genoemde vergoeding van € 22.000,- bruto.

2.7

Voor de door hem verrichte werkzaamheden heeft [eiser 1] van [gedaagde] een bedrag van € 1.750,- betaald gekregen en van CW&D voornoemd bedrag van € 5.000,- exclusief btw.

2.8

Bij brief van 14 juli 2017, die door [gedaagde] voor akkoord werd ondertekend, heeft [eiser 1] [gedaagde] het volgende geschreven:

“(…)

Geachte heer [gedaagde] ,

Omdat uw arbeidsovereenkomst thans door de Edelachtbare rechter wordt ontbonden per 1 december 2017, doch niet op grond van (ernstig) verwijtbaar gedrag, hetgeen wel de grond van het ontbindingsverzoek van uw werkgever was, maakt u thans aanspraak op een WW-uitkering (door het UWV-Werkbedrijf te bepalen).

Indien ontbinding zou hebben gevolgd op grond van (ernstig) verwijtbaar gedrag, zou u geen enkele WW-uitkering ontvangen.

Uw WW-uitkering bedraagt voor u, onder voorbehoud van de berekening van het UWV-Werkbedrijf, in totaal ad EUR 62.728,-- bruto. Het daadwerkelijke bedrag kan mogelijk afwijken.

Voornoemd bedrag wordt u, onder voorbehoud van de berekening van het UWV-Werkbedrijf, met ingang van 1 december 2017, in 30 maandelijkse termijnen uitbetaald, de eerste twee maanden ad EUR 2.230,-- bruto en de resterende 28 termijnen ad EUR 2.081,-- bruto.

Tot 1 december 2017 blijft u in dienst van uw werkgever, doch bent u vanaf 21 april 2017 vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon en emolumenten. Gerekend vanaf 1 juli 2017 tot en met 1 december 2017 ontvangt u aan loon en emolumenten over deze periode ad (EUR 2.842,-- + EUR 227,36) x 7,4185 = EUR 22.770,37 bruto.

Vanaf uw pensioengerechtigde leeftijd maakt u aanspraak op uw pensioen, dat u tot 1 december 2017 opbouwt. Voorts maakt u aanspraak op een AOW-uitkering volgens de voor u geldende bepalingen.

Tevens ontvangt u ter extra aanvulling van uw WW-uitkering een ontslagvergoeding ad EUR 22.000,-- bruto van uw werkgever.

Totaal resultaat bedraagt ad EUR 107.498,37 bruto (EUR 62.728,-- EUR 22.770,37 EUR 22.000,--)

Conform onze gemaakte afspraken gaat van voornoemde ontslagvergoeding ad EUR 22.000,00 en loon + emolumenten ad EUR 22.770,37 bruto, bij vrijstelling van werkzaamheden, (het door ons bereikte bruto resultaat) een percentage kosten juridische bijstand (Fee) af. Deze Fee wordt door ons verrekend met uw ontslagvergoeding. Het percentage kosten juridische bijstand wordt verrekend conform de gemaakte afspraken zoals wij deze met elkaar zijn overeengekomen en vastgelegd in de opdrachtbevestiging (…)

(…)”.

3 Het geschil

3.1

[eiser 1] heeft -in conventie- gevorderd [gedaagde] bij vonnis, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen € 13.170,29 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 januari 2018 tot aan de dag van algehele voldoening, € 906,70 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening, één en ander tezamen een bedrag van € 25.000,- niet te boven gaand, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, daaronder een gemachtigdensalaris begrepen nu [eiser 1] in deze tijd ook als gemachtigde in een andere zaak had kunnen optreden, en in de nakosten en de beslagkosten.

3.2

Ter toelichting daarop heeft [eiser 1] -naast de onder 2 genoemde feiten en samengevat en voor zover thans van belang weergegeven- het volgende aangevoerd.

Nadat CW&D [gedaagde] kenbaar had gemaakt geen enkel vertrouwen meer in hem te hebben vanwege koperdiefstal heeft zij hem een beëindigingsvoorstel gedaan dat door [gedaagde] is afgewezen. Vervolgens heeft CW&D jegens [gedaagde] een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend wegens (ernstig) verwijtbaar handelen. Op diens verzoek heeft [eiser 1] [gedaagde] in en buiten rechte bijgestaan en uiteindelijk heeft hij voor hem een, zeker gezien de omstandigheden en de ernst van het verwijt, zeer gunstige regeling getroffen (zie 2.5). Deze hield in dat [gedaagde] geen verwijt (meer) werd gemaakt zodat hij aanspraak kon maken op een WW-uitkering, hij nog een half jaar zou worden doorbetaald terwijl hij vrijgesteld was van arbeid en hij daarnaast nog een beëindigingsvergoeding zou ontvangen.

Hoewel (zie 2.4) tussen [eiser 1] en [gedaagde] werd overeengekomen dat hij vooraf een bedrag zou betalen en dat [eiser 1] daarenboven bij het behalen van resultaat een percentage daarover zou toekomen, is [gedaagde] niet bereid gebleken nog enig bedrag te betalen. Ook heeft hij de ter zake door hem aan [eiser 1] verstrekte machtiging, op basis waarvan CW&D het netto equivalent van het door haar aan [gedaagde] verschuldigde bedrag rechtstreeks aan [eiser 1] zou betalen waarna [eiser 1] na aftrek van zijn fee aan [gedaagde] zou doorbetalen, gefrustreerd.

In dit verband wijst [eiser 1] erop dat de afspraken met betrekking tot de hem toekomende vergoeding vooraf duidelijk telefonisch en persoonlijk zijn besproken met [gedaagde] en zijn vrouw en daarna schriftelijk zijn vastgelegd en bevestigd, zodat daarover later geen enkele discussie zou kunnen ontstaan. Onder meer werd daarbij overeengekomen dat [eiser 1] een percentage van 25% exclusief 7,5% kantoorkosten te vermeerderen met 21% btw toekomt over het door hem bereikte totale bruto resultaat, indien CW&D geen medewerking zou verlenen om zelf rechtstreeks een percentage aan kosten juridische bijstand in te houden op de bruto vergoeding en/of eindafrekening. Helaas was CW&D daartoe hier niet bereid. Resultaat kan onder andere zien, zo is ook opgenomen in de opdrachtbevestiging, op een bruto beëindigingsvergoeding, doorbetaling van het bruto salaris inclusief vakantietoeslag en emolumenten bij vrijstelling van arbeid, bruto uitbetaling van opgebouwde doch niet opgenomen vakantiedagen en/of het langer genieten van salaris in verband met een latere beëindigings-/ontbindingsdatum.

Op basis van de gemaakte afspraken en het bereikte resultaat is [gedaagde] [eiser 1] nog een bedrag van € 13.170,29 inclusief kantoorkosten en btw verschuldigd, opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    25% van de beëindigingsvergoeding van € 22.000,- bruto: € 5.500,00

  • -

    25% over het bruto loon over de periode van 21 april 2017

tot 1 december 2017, zijnde € 22.770,37 bruto: € 5.692,59

  • -

    7,5% kantoorkosten over deze bedragen, samen € 11.192,59: € 839,44 + € 12.032,03

  • -

    reeds door [gedaagde] betaalde basisvergoeding, naar rato berekend,

met inachtneming van de gemaakte afspraken: € 1.147,49 -/-

€ 10.884,54

 21% 21% btw € 2.285,75 +

totaal: € 13.170,29

[gedaagde] is ondanks aanmaning echter niet bereid gebleken tot betaling van dit bedrag noch is hij ingegaan op door [eiser 1] gedane schikkingsvoorstellen. Derhalve maakt [eiser 1] thans jegens [gedaagde] aanspraak op voormelde hoofdsom en € 906,70 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten, één en ander vermeerderd met wettelijke rente.

3.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het door [eiser 1] gevorderde, met veroordeling van [eiser 1] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten. Ook heeft [gedaagde] een tegenvordering ingesteld. In reconventie heeft [eiser 2] gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat de overeenkomst van 29 april 2017 nietig is wegens strijd met de goede zeden danwel de overeenkomst van 29 april 2017 te vernietigen wegens dwaling danwel wegens het feit dat deze als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen,

  2. te verklaren voor recht dat [verweerder] geen andere vergoeding toekomt voor zijn werkzaamheden dan het door CW&D reeds betaalde bedrag van € 5.000,- exclusief btw,

  3. [verweerder] te veroordelen het bedrag van € 1.750,- dat hij van [eiser 2] ontvangen heeft, aan [eiser 2] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.

  4. [verweerder] te veroordelen het gelegde conservatoir beslag binnen twee werkdagen na betekening van het te wijzen vonnis op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat het beslag daarna voortduurt, tot een maximum van € 40.000,-, en

  5. te verklaren voor recht dat het gelegde beslag onrechtmatig is en [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 770,- ter zake van schade door dit onrechtmatig beslag,

met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure.

3.4

Het door [eiser 2] daartoe betrokken standpunt laat zich -eveneens voor zover thans van belang- als volgt samenvatten.

Op 21 april 2017 werd [eiser 2] door CW&D geconfronteerd met haar verdenking dat hij zich schuldig gemaakt had aan diefstal. Hoewel hij die beschuldiging met klem ontkende, werd hij daarop geschorst, met behoud van loon, waarbij hem duidelijk was dat CW&D aanstuurde op beëindiging van het dienstverband.

[eiser 2] , die geen ervaring had met arbeids- en ontslagkwesties, op juridisch gebied een leek is en als hoogst genoten opleiding LTS (de Lagere Technische School) heeft gedaan, is zich vervolgens via internet gaan oriënteren en zo is hij uitgekomen bij [verweerder] .

Meteen bij de eerste ontmoeting diende [eiser 2] een contract (de opdrachtbevestiging) te tekenen, hetgeen volgens [verweerder] een gebruikelijke formaliteit was. De verplichtingen die uit dit contract voortvloeien, zijn echter in verregaande mate onevenwichtig en feitelijk is [eiser 2] door [verweerder] ‘erin geluisd’. Zo wordt daarin als uitgangspunt genoemd de ‘semi no-cure no-pay basis’, maar niet wordt uit de doeken gedaan hoe dat dan moet worden ingevuld. Verder wekt de overeenkomst de indruk, en garandeert deze zelfs min of meer, dat door toepassing van bepaalde fiscale constructies de kosten van rechtsbijstand voor [verweerder] veel gunstiger zullen uitpakken, terwijl die constructies, zoals [verweerder] als professional moet weten, helemaal niet zijn toegestaan en CW&D daaraan ook niet heeft willen meewerken. Ten onrechte verkeerde [eiser 2] , als leek, hierdoor dan ook in de veronderstelling dat hij hiermee akkoord kon gaan omdat [verweerder] min of meer garandeerde dat hij voor [eiser 2] een veel gunstigere regeling zou kunnen treffen met CW&D. Niet alleen rekent [verweerder] echter een fors percentage van 25% als ‘fee’, te vermeerderen met 7,5% kantoorkosten, en dit alles te vermeerderen met 21% btw, maar ook berekent [verweerder] die fee over bruto bedragen terwijl [eiser 2] netto uitbetaald krijgt, en dan niet alleen over de beëindigingsvergoeding maar ook over het bruto salaris inclusief emolumenten en inclusief een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen vanaf de datum van schorsing (21 april 2017) tot datum einde dienstverband. Feitelijk zou ieder bereikt resultaat voor [eiser 2] zeer nadelig zijn nu hij 25% over het bruto loon als netto vergoeding aan [verweerder] zou zijn verschuldigd zodat hij minder overhoudt dan bij een WW-uitkering. Daarbij komt dat volgens de overeenkomst de door [eiser 2] betaalde ‘basisvergoeding’ (groot € 1.750,-) volledig zou worden terugbetaald indien de werkgever de juridische kosten zou vergoeden en dat laatste is hier gebeurd. Overeenkomstig de ter zitting getroffen regeling heeft [verweerder] immers € 5.000,- exclusief btw/€ 6.050,- inclusief btw van CW&D ontvangen. Overigens blijkt niet dat [verweerder] dit door hem ontvangen bedrag in de vordering heeft verdisconteerd.

[eiser 2] betwist voorts dat, naar [verweerder] heeft gesteld, [verweerder] veel werk aan het dossier heeft moeten besteden. Al vrij snel was immers duidelijk dat CW&D haar beschuldiging aan het adres van [eiser 2] niet hard kon maken en dat de door haar aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde e-grond (ernstig verwijtbaar handelen) omgebogen zou gaan worden naar een beëindiging op neutrale gronden.

[eiser 2] stelt zich op het standpunt dat hier sprake is van excessief en dubbel declareren gegeven dat [verweerder] reeds € 7.800,- inclusief btw heeft ontvangen. De overeenkomst kan worden aangemerkt als een wurgcontract en is nietig wegens strijd met de goede zeden. Voorts is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiser 2] nog enig bedrag aan [verweerder] verschuldigd zou zijn. Daarnaast heeft [eiser 2] de (ver)nietig(baar)heid van de overeenkomst ingeroepen wegens dwaling danwel een oneerlijke handelspraktijk. Hij heeft bij het aangaan van de overeenkomst immers gedwaald doordat [verweerder] hem een niet realistisch scenario heeft geschetst waarbij de kosten van rechtsbijstand kunstmatig laag gehouden zouden kunnen worden en bij een juiste voorstelling van zaken zou [eiser 2] de overeenkomst niet zijn aangegaan. Bovendien heeft [verweerder] zich bediend van een oneerlijke handelspraktijk door [eiser 2] onjuist te informeren waardoor hij beperkt is om juist te besluiten danwel dat hij door die onjuiste informatie een overeenkomst is aangegaan die hij anders niet was aangegaan en waarbij [verweerder] essentiële informatie heeft weggelaten danwel verhuld waardoor [eiser 2] een besluit over de overeenkomst heeft genomen dat hij anders niet zou hebben genomen (artikel 6:193b e.v. BW).

3.5

[verweerder] heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van het door [eiser 2] gevorderde.

Op hetgeen partijen (overigens) ter onderbouwing van de eigen vordering danwel ter afwering van die van de ander naar voren hebben gebracht, wordt hierna teruggekomen.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1

Gezien de nauwe feitelijke samenhang tussen de vorderingen over en weer worden de vorderingen in conventie en die in reconventie hierna gezamenlijk behandeld.

4.2

Vooropgesteld wordt dat hoewel in het Nederlandse rechtsstelsel de contractsvrijheid het uitgangspunt is, op grond van artikel 6:2 lid 1 BW schuldeiser en schuldenaar ook verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Bij de vraag wat redelijkheid en billijkheid meebrengen, moet volgens artikel 3:12 BW rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.

4.3

Voor wederkerige overeenkomsten als hier aan de orde is deze norm (nader) uitgewerkt in artikel 6:248 BW. Daarvan bepaalt het tweede lid dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing is voor zover dit onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uit deze formulering blijkt dat de rechter bij toepassing van deze rechtsregel de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten. Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van tal van omstandigheden, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich van de strekking van het beding bewust is geweest.

4.4

Gegeven dat toetsingskader wordt vooropgesteld dat [eiser 1] zich in deze kwestie heeft geprofileerd als zeer ervaren jurist op het gebied van het arbeidsrecht, en dan met name het ontslagrecht, terwijl [gedaagde] , naar hij onbetwist heeft gesteld, op dat terrein een leek is en geen hogere opleiding heeft genoten dan LTS. Dat verschil in achtergrond maakt dat op [eiser 1] , als goed opdrachtnemer, des te meer de verplichting rust om [gedaagde] telkens tijdig en zo volledig mogelijk te informeren over de wijze waarop hij invulling wenst te geven aan de hem verstrekte opdracht alsook over de arbeidsrechtelijke en financiële implicaties van één en ander en zich er daarbij behoorlijk van te vergewissen dat dit alles [gedaagde] voldoende duidelijk is opdat hij op basis van alle relevante informatie kan wikken en wegen en tot een afgewogen beslissing kan komen.

4.5

Naar het oordeel van de kantonrechter is de opdrachtbevestiging, en zeker voor een laag opgeleide consument zoals [gedaagde] , een tekstueel lastig te doorgronden document en wordt daarin niet voldoende duidelijk gemaakt welke financiële implicaties de diverse mogelijke scenario’s voor [gedaagde] kunnen hebben, terwijl evident is dat voor hem vooral van belang is wat hij aan één en ander, onder de streep, netto overhoudt en wat hij (dus) in de betrokken periode (netto) te besteden heeft. Evenwel is mogelijk dat [eiser 1] , naar hij ook met zoveel woorden heeft aangevoerd, bij het aangaan van de overeenkomst aan die informatieplicht aanvullend mondeling invulling heeft gegeven aan de hand van rekenvoorbeelden maar dat is door [gedaagde] betwist en staat dus (nog) niet vast.

4.6

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder partijen met elkaar in zee zijn gegaan en zoals die waren tot aan de mondelinge behandeling van het door CW&D jegens [gedaagde] ingediende ontbindingsverzoek op 12 juli 2017, stelt de kantonrechter vooreerst vast dat, anders dan [eiser 1] in deze procedure aanvankelijk heeft gesteld, [gedaagde] op 21 april 2017 niet op staande voet was ontslagen maar (enkel) op non-actief was gesteld, (derhalve) met behoud van loon, op het moment dat de hij zich tot [eiser 1] wendde. Voorts blijkt uit de door [eiser 1] bij conclusie van dupliek in reconventie overgelegde productie a dat CW&D [gedaagde] toen, vanwege de gevolgen van een ontslag op staande voet en aangifte, in plaats van een ontslag wegens een dringende reden een vaststellingsovereenkomst heeft aangeboden, die inhield dat het dienstverband per 1 mei 2017 met wederzijds goedvinden zou eindigen, zonder dat CW&D [gedaagde] daarbij enige vergoeding zou uitkeren. Vast staat ook dat [eiser 1] in reactie op dat voorstel CW&D op 9 mei 2017 een aangepaste vaststellingsovereenkomst heeft doen toekomen, bij aanvaarding waarvan de arbeidsovereenkomst per ultimo 2017 zou eindigen, [gedaagde] tot dan zou zijn vrijgesteld van werkzaamheden, met behoud van loon, en hem nog een beëindigingsvergoeding van € 159.334,- bruto zou toekomen. Niet in geschil is voorts dat CW&D dit voorstel niet heeft aanvaard maar is overgegaan tot het indienen van een ontbindingsverzoek jegens [gedaagde] wegens (ernstig) verwijtbaar handelen. Uiteindelijk is dit uitgemond in de hiervoor onder 2.5 aangehaalde regeling, waardoor het dienstverband eindigde per 1 december 2017, [gedaagde] tot dan was vrijgesteld van werk (met behoud van loon) en hem een beëindigingsvergoeding van € 22.000,- bruto toekwam en een vergoeding van € 5.000,- exclusief btw (€ 6.050,- inclusief btw) ter zake van kosten rechtsbijstand.

4.7

Gesteld noch gebleken is echter dat [eiser 1] [gedaagde] , die op basis van het door [eiser 1] gedane tegenvoorstel kon menen dat er een fors hogere vergoeding voor hem inzat, voor het treffen van deze regeling deugdelijk heeft geïnformeerd wat dit, uitgaande van de in de opdrachtbevestiging neergelegde afspraken, concreet zou betekenen voor de hoogte van de [eiser 1] toekomende fee en, meer relevant voor [gedaagde] , zijn netto inkomen, gegeven ook dat, anders dan daarin als nagenoeg niet voorkomend voorgespiegeld, CW&D niet bereid was mee te werken aan de daarin genoemde fiscale constructie (het ‘bruto/netto-voordeel’).

4.8

Volgens [eiser 1] dient op basis van die afspraken de (25%) fee te worden berekend over het door zijn bemoeienis bereikte ‘bruto resultaat’, waaronder te verstaan het bruto loon (inclusief emolumenten) over de periode van 21 april 2017 tot 1 december 2017 groot (in totaal) € 22.770,37 bruto en de beëindigingsvergoeding van € 22.000,- bruto, deze bedragen te vermeerderen met 7,5% kantoorkosten en, na aftrek van een pro rata berekend deel van het door [gedaagde] reeds betaalde bedrag van € 1.750,-, met 21% btw.

4.9

Uit de door [eiser 1] overgelegde brief van 14 juli 2017 (zie 2.8) blijkt overigens dat ook het bruto inkomen dat [gedaagde] geniet van het UWV, zijn WW-uitkering, groot € 62.728,- bruto uit te keren in 30 termijnen, dient te worden aangemerkt als ‘bruto resultaat’ van de bemoeienis van [eiser 1] (omdat [gedaagde] daarop geen recht had gehad indien hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden). Dit kan hier verder buiten beschouwing blijven, nu [eiser 1] de hem toekomende fee niet ook over dit ‘bruto resultaat’ heeft berekend.

4.10

Ter comparitie van partijen heeft [eiser 1] gesteld dat hij bij de uitleg die hij [gedaagde] bij de totstandkoming van de overeenkomst aan de hand van ‘flip-overs’ heeft gegeven over de berekening van zijn fee, er steeds op heeft gewezen dat ongeveer de helft naar de belasting gaat en dat zijn fee er dan nog vanaf gaat. Dit impliceert dat daar waar [eiser 1] onder meer heeft gesteld dat de afspraak dat [gedaagde] tot 1 december 2017 door CW&D was vrijgesteld van werk maar wel werd doorbetaald, zijn verdienste is geweest, dit voor [gedaagde] betekent dat hij van zijn maandloon van € 2.842,- bruto vermeerderd met 8% vakantiegeld feitelijk (na aftrek van de door [eiser 1] gestelde 50% aan belasting/premies en 25% fee vermeerderd met 7,5% kantoorkosten en 21% btw) minder dan € 600,- netto per maand zou overhouden, gedurende deze -substantiële- periode totdat hij per 1 december 2017 in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering.

4.11

Voor wat betreft de beëindigingsvergoeding van € 22.000,- bruto, die volgens de door [eiser 1] als productie 8 overgelegde e-mail correspondentie overeenstemt met € 11.983,40 netto, geldt dat [gedaagde] van dit door [eiser 1] bereikte ‘bruto resultaat’, na aftrek van de 25% fee vermeerderd met 7,5% kantoorkosten en 21% btw, nog geen € 5.000,- netto overhoudt. Uit die correspondentie lijkt overigens te volgen dat het [gedaagde] in de opdrachtbevestiging voorgespiegelde ‘bruto-netto voordeel’ (doordat CW&D de overeengekomen vergoeding voor kosten rechtsbijstand zou verrekenen met de bruto beëindigingsvergoeding), pas veel later dan ten tijde van de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek door [eiser 1] bij CW&D aan de orde is gesteld en in ieder geval dat er ten tijde van het treffen van die regeling geen overeenstemming tussen [eiser 1] en CW&D ter zake was bereikt, met alle financieel nadelige consequenties vandien voor [gedaagde] . Als gevolg daarvan resteert voor hem volgens de methodiek van de opdrachtbevestiging immers een bepaald geringer bedrag. Bij de zorg van een goed opdrachtnemer past naar het oordeel van de kantonrechter echter dat [eiser 1] op dit punt al definitieve duidelijkheid had moeten hebben op het moment dat hij [gedaagde] adviseerde omtrent de uiteindelijk ter zitting getroffen regeling.

4.12

Ook betrekt de kantonrechter bij haar oordeel dat toewijzing van de door [eiser 1] hier gevorderde restant fee zou betekenen dat hij voor zijn werkzaamheden met een bedrag van € 1.750,- plus € 6.050,- plus € 13.170,29, derhalve € 20.970,29 inclusief btw wordt beloond.

4.13

Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit niets dat [eiser 1] , hoewel dat hier als goed opdrachtnemer op zijn weg had gelegen, [gedaagde] voorafgaand aan het treffen van de regeling ter zitting op de hiervoor omschreven implicaties van de ‘semi no-cure no-pay’ afspraak heeft gewezen of zich er anderszins behoorlijk van heeft vergewist dat [gedaagde] zich toen van de (concrete) strekking daarvan bewust is geweest.

4.14

Alle omstandigheden van dit geval, ook in onderling verband, in ogenschouw nemend komt de kantonrechter tot de slotsom dat het beroep van [eiser 1] ter zake van de door hem bedongen aanspraak op de, naast de reeds ontvangen substantiële bedragen, aanvullend gevorderde fee van € 13.170,29 inclusief btw hier naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De hiervoor al genoemde brief van 14 juli 2017, waarin [eiser 1] [gedaagde] het door hem bereikte ‘bruto resultaat’ heeft voorgerekend en welke brief door [gedaagde] voor akkoord werd ondertekend, kan tot geen ander oordeel leiden. Immers, ook daarin wordt niet concreet gemaakt welke voor [gedaagde] relevante financiële implicaties dit resultaat (netto) voor hem heeft noch wordt daarin concreet benoemd dat [eiser 1] op basis van de opdrachtbevestiging en het door hem bereikte resultaat, bovenop het door [gedaagde] betaalde bedrag en het door CW&D rechtstreeks te betalen bedrag, jegens [gedaagde] nog aanspraak maakte op een bedrag van € 13.170,29 inclusief btw .

4.15

Dat neemt uiteraard niet weg dat [eiser 1] een redelijk loon toekomt voor de door hem in opdracht van [gedaagde] verrichte werkzaamheden en in dit geval komt de kantonrechter, gelet op de ter zake gebruikelijke tarieven, het door [eiser 1] reeds ontvangen bedrag van € 7.800,- (inclusief btw) als redelijk voor. In de door [eiser 1] voorafgaand aan de comparitie in het geding gebrachte declaratie, volgens welke [eiser 1] 98,5 uur aan de zaak van [gedaagde] zou hebben besteed, ziet de kantonrechter geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Niet alleen komt dat aantal, gelet op de aard en omvang van het geschil zoals dat in deze procedure naar voren is gebracht, de kantonrechter bepaald buitensporig voor en is niet aannemelijk dat [eiser 1] in redelijkheid zoveel uren heeft moeten besteden aan deze zaak. Ook constateert de kantonrechter dat in die specificatie een fors aantal uren is opgenomen voor het bestuderen van de wet, literatuur, artikelen en jurisprudentie, terwijl die kennis (in overwegende mate althans) bekend mag worden verondersteld bij [eiser 1] , die zich immers profileert als zeer ervaren arbeidsrechtjurist. Niet aannemelijk is dan ook dat indien [eiser 1] de opdracht had aangenomen op basis van een uurtarief, het door hem genoemde aantal uren in redelijkheid te declareren zou zijn geweest bij [gedaagde] .

4.16

Het voorgaande betekent dat op grond van artikel 6:248 lid 2 BW het door [eiser 1] gevorderde, de nevenvorderingen daaronder begrepen, wordt afgewezen. Derhalve kan het door [gedaagde] (alternatief) gedane beroep op de (ver)nietig(baar)heid van de overeenkomst wegens strijd met de goede zeden of dwaling danwel omdat deze door een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, onbesproken blijven.

4.17

Voorts brengt dit oordeel met zich dat de door [gedaagde] onder a in reconventie jegens [eiser 1] gevorderde verklaring voor recht, wegens gebrek aan belang, wordt afgewezen en dat er ook geen grond bestaat voor toewijzing van zijn vorderingen onder b en c. Die worden derhalve eveneens afgewezen.

4.18

Onder d heeft [gedaagde] gevorderd het door [eiser 1] jegens hem onder CW&D gelegde conservatoir derdenbeslag bij uitvoer bij voorraad te verklaren vonnis op te heffen, op straffe van de door hem genoemde dwangsom. [eiser 1] heeft zich als zodanig verzet tegen de toewijsbaarheid van deze vordering voor het geval, zoals hier, zijn vordering in conventie zou worden afgewezen. Deze vordering van [gedaagde] wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de door hem ter zake gevorderde dwangsom wordt gemaximeerd op een totaalbedrag van € 25.000,-.

4.19

Sub e heeft [gedaagde] gevorderd voor recht te verklaren dat gemeld beslag onrechtmatig is en [eiser 1] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 770,- ter zake van geleden schade door dit onrechtmatig beslag. Deze vordering is echter in het geheel niet onderbouwd en wordt daarom afgewezen.

4.20

[eiser 1] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. Gezien de uitkomst van de procedure in reconventie, het feit dat deze is uitgevloeid uit het verweer in conventie en het feit dat in reconventie niet of nauwelijks afzonderlijk debat heeft plaatsgehad, worden de kosten van de procedure in reconventie gecompenseerd zodat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

 wijst de vordering af;

 veroordeelt [eiser 1] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 1.080,- (drie punten á € 360,-) aan gemachtigdensalaris;

in reconventie:

 veroordeelt [verweerder] het gelegde conservatoir beslag binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per (gedeelte van een) dag dat het beslag daarna voortduurt, tot een maximum van € 25.000,-;

 compenseert de kosten van de procedure zodat elk van partijen de eigen kosten draagt;

in conventie en in reconventie:

 verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.J. Smits en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654