Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9406

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-11-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
C/10/550004 / FA RK 18-3550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ambtshalve opleggen van een dwangsom bij een omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/550004 / FA RK 18-3550

Beschikking van 29 november 2019 betreffende de ondertoezichtstelling, het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. J.M. Wigman te ’s-Gravenhage,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. J.H. Rodenburg te Rotterdam,

ouders van de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige] .

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van 2 november 2018;

  • -

    de brief van de vrouw van 1 februari 2019;

  • -

    de brief van de vrouw van 30 april 2019;

  • -

    de brief van de man van 16 mei 2019;

  • -

    de brief met bijlage van de man van 6 november 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 november 2019.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordigster] .

2 De verdere beoordeling

2.1.

Beschikking 2 november 2018

2.1.1.

Bij beschikking van 2 november 2018 heeft de rechtbank, in afwachting van het mediationtraject, de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van het ouderlijk gezag en de zorg-/omgangsregeling. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat ten aanzien van die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.

In deze beschikking is de man ook vervangende toestemming verleend tot erkenning van [naam minderjarige] . Gebleken is dat de man dit nog niet heeft gedaan. Dit strookt niet met de verzoeken van de man in deze procedure. De rechtbank gaat er vanuit dat de man [naam minderjarige] binnen een week zal erkennen.

2.2.

Gezag en omgangsregeling

2.2.1.

Ter zitting is voornamelijk met partijen gesproken over de hervatting van de omgang tussen de man en [naam minderjarige] . Ondanks de mediation is de communicatie en het vertrouwen tussen partijen onverminderd verstoord.

De raad geeft ter zitting aan dat hij het [naam minderjarige] van harte gunt om zo snel mogelijk weer contact te hebben met de man, maar dat het wel goed moet gebeuren. Het zou schadelijk zijn voor [naam minderjarige] als de omgang na twee keer proberen weer wordt gestopt. Daarom adviseert de raad om de omgang onder begeleiding te hervatten. De vrouw geeft aan dat het wijkteam bereid is de omgang te begeleiden. Daarop adviseert de raad een voorlopige omgangsregeling te bepalen, waarbij [naam minderjarige] eens in de veertien dagen, in het bijzijn van het wijkteam, contact heeft met de man.

2.2.2.

De rechtbank acht het met de raad van belang voor [naam minderjarige] dat de omgang tussen de man en [naam minderjarige] zo snel mogelijk wordt hervat. Er zijn geen feiten komen vast te staan waaruit volgt dat de man, zoals de vrouw stelt, pas nadat hij aan zichzelf zou hebben gewerkt in staat zou zijn tot omgang. De rechtbank zal een voorlopige omgangsregeling vaststellen, waarbij [naam minderjarige] de eerste zes keer eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot 17:30 uur omgang met de man zal hebben. Het wijkteam zal deze omgang begeleiden en zal daarbij letten op het belang van [naam minderjarige] . De man en [naam minderjarige] zullen tijdens deze omgang in de buurt van de woning van de vrouw blijven. Zij kunnen bijvoorbeeld gaan winkelen in Barendrecht.

2.2.3.

Mocht het wijkteam niet bereid zijn om de omgang te begeleiden, dan zal de omgang alsnog doorgang vinden, zonder het wijkteam. Het staat partijen vrij om de omgang door iemand anders te laten begeleiden als het wijkteam niet bereid of beschikbaar is, als zij het daarover eens zijn. Zijn zij het daarover niet eens, dan vindt de omgang plaats zonder begeleiding.

2.2.4.

Nadat de man en [naam minderjarige] zes keer een vrijdagmiddag met elkaar hebben doorgebracht, zal de omgangsregeling worden uitgebreid naar eens per veertien dagen een zaterdagmiddag van 13:00 uur tot 19:00 uur. Deze omgang zal vier keer plaatsvinden, waarna hij wordt uitgebreid met een overnachting.

[naam minderjarige] zal dan eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot zaterdag 13:00 uur bij de man verblijven. Na nog eens vier keer deze omgangsregeling, zal de regeling worden uitgebreid naar een weekendregeling waarbij [naam minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur bij de man zal verblijven.

Dwangsom

2.2.5.

Voor het contact tussen een kind en zijn ouder(s) bepaalt artikel 1:377a BW voor het geval dat een van de ouders het gezag heeft, dat het kind het recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Artikel 1:253a BW kent een vergelijkbare bepaling voor het geval ouders gezamenlijk het gezag hebben. Het artikel bepaalt dat de rechtbank een toedeling kan bepalen aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De wetgever verwijst ook expliciet naar artikel 1:377a BW (lid 3) voor de situaties waarin een ouder tijdelijk moet worden verboden om met het kind contact te hebben.

Het contact tussen een kind en zijn ouder(s) wordt in geval van een van de ouders het gezag heeft een omgangsregeling genoemd (1:377a BW), in geval van gezamenlijk gezag wordt dat een zorgregeling genoemd (1:253a BW).

2.2.6.

Artikel 1:253a lid 5 BW geeft de rechtbank de opdracht, ook bij een geschil over het contact tussen een kind en zijn ouder(s), om alvorens te beslissen, te beproeven of een vergelijk tussen de ouders mogelijk is. De rechtbank kan, aldus nog steeds lid 5, desverzocht en ook ambtshalve, zulks indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812, lid 2 Rv ten uitvoer kunnen worden gelegd.

2.2.7.

Anders dan het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in zijn uitspraak van 13 juni 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:5114 onder 4.7) is de rechtbank in navolging van het hof Den Haag in zijn uitspraak van 14 maart 2012 (ECLI:NL:GHSGR:2012:CA1130) van oordeel dat het de rechtbank is toegestaan ambtshalve een dwangsom op te leggen bij een omgangsregeling, ook al vermeldt artikel 1:377a BW dit niet.

Ter motivering van dit oordeel wijst de rechtbank op de samenhang die er is tussen artikel 1:377a BW en 1:253a BW. Er is geen grond om aan te nemen dat het de bedoeling is van de wetgever dat hij de rechtbank die, mede gelet op het belang van het kind, een noodzaak ziet tot het opleggen van een dwangsom voor contact tussen een kind en zijn ouder(s) die mogelijkheid wel wil geven voor het kind van wie beide ouders het gezag hebben, maar niet voor het kind waarvan een van de ouders het gezag heeft. Contact tussen een kind en een ouder is niet minder belangrijk als de ouders geen gezamenlijk gezag hebben. Daarbij, zoals het hof Den Haag heeft overwogen, maakt de Minister van Justitie in zijn Nota, Vergaderjaar 2006-2007, Kamerstuk 30145, nr. 6 onder 4, voor de ambtshalve toepassing van de in artikel 1:253a lid 5 BW bedoelde dwangmiddelen geen onderscheid tussen het vaststellen van een omgangsregeling en een zorgregeling.:

“Indien het belang van het kind het noodzakelijk maakt om dwangmiddelen in te zetten, behoort hiervan uiteraard ook gebruik te worden gemaakt. Om een en ander tot uitdrukking te brengen, is de redactie van artikel 1:253a BW (nieuw) aangepast. Door de wijziging die is opgenomen in de bijgevoegde nota van wijziging, geeft de wettekst nu met zoveel woorden aan dat de rechter een door de wet toegelaten dwangmiddel kan opleggen, dit eventueel ook ambtshalve, en voorts kan bevelen dat de beschikking met de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd. Een algemene, meer automatische toepassing van dwangmiddelen acht ik niet in het belang van het kind. In ieder concreet geval dient de belangenafweging te worden gemaakt of, en zo ja, welk dwangmiddel moet worden ingezet. Ik deel de zorg van de leden van de fracties van de PvdA, VVD, SP en D66 dat het niet naleven van een zorg- of omgangsregeling de belangen van kinderen kan schaden. Dit heeft aanleiding gegeven om, zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, de wettekst te verduidelijken door aan te geven dat het, wanneer de situatie dit vereist, mogelijk is om een dwangmiddel op te leggen. Dit creëert geen nieuwe wettelijke sanctiemogelijkheden, maar het expliciet opnemen van de mogelijkheid tot het opleggen van een dwangmiddel kan er wel aan bijdragen dat de zorg- of omgangsregeling in meer gevallen wordt nageleefd.” [markering door de rechtbank]

2.2.8.

In deze procedure maakt het belang van [naam minderjarige] het noodzakelijk dat een dwangmiddel wordt ingezet.

De raad, die tijdens de behandeling ter zitting aanwezig is om de rechtbank te adviseren welke beslissing het meest in het belang is van [naam minderjarige] en zich dus specifiek richt op de belangen van [naam minderjarige] en niet van de man of de vrouw, adviseert een dwangsom op te leggen, ook al verzoekt de man daar niet toe (omdat hij vreest dat de vrouw dat verzoek zal gebruiken om het vaderbeeld van [naam minderjarige] nog negatiever te maken). Ondanks dat daartoe niet wordt verzocht, acht de raad het dus kennelijk in het belang van [naam minderjarige] dat een dwangsom wordt opgelegd. Naar de rechtbank begrijpt weegt voor de raad zwaar dat de vrouw tijdens de zitting van 19 oktober 2018 heeft ingestemd met het advies van de raad om met behulp van specialisten de omgang te herstellen en dat dit niet is gebeurd..

De rechtbank voegt daar aan toe dat de vrouw bij brief van 1 februari 2019 en ter zitting stelt dat de omgang tussen de man en [naam minderjarige] nog niet zou moeten worden hervat.

2.3.

Kinderen uit de knel

2.3.1.

Partijen zijn ter zitting overeengekomen deel te nemen aan het programma Kinderen uit de knel. Zij zullen zich hiervoor aanmelden bij één van de volgende aanbieders:

- Kinderen uit de Knel Rotterdam,

website: www.kinderenuitdeknelrotterdam.nl,

e-mail: info@kinderenuitdeknelrotterdam.nl,

telefoon: 06-17405328,

locatie: Heindijk 16, 3079 PM Rotterdam,

- Enver (voorheen Stek Jeugdhulp),
website: www.stekjeugdhulp.nl,
e-mail: aanmelden@stekjeugdhulp.nl,
telefoon: 010-2023044,
locatie: Kralingseweg 463, 3065 RG Rotterdam,

- De Viersprong,
website: www.deviersprong.nl,
e-mail: rotterdam@deviersprong.nl,
telefoon: 088-7656501 / 06-11602677,
locatie: Westblaak 180, 3012 KN Rotterdam.

2.3.2.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aanhouden tot na te noemen datum, de verzoeken van de man tot

  • -

    een ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] ,

  • -

    wijziging van het ouderlijk gezag naar gezamenlijk gezag en

  • -

    vaststelling van een definitieve omgangs-/zorgregeling.

Omdat over deze verzoeken nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

stelt vast dat de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht voorlopig zal zijn als volgt:

- op 6 en 20 december 2019, 3, 17 en 31 januari 2020 en 14 februari 2020 vanaf het tijdstip dat school (normaal) eindigt tot 17:30 uur, bij voorkeur in het bijzijn van het wijkteam;

- op 29 februari 2020, 14 en 28 maart 2020 en 11 april 2020 van 13:00 uur tot 19:00 uur;

- van 24 april 2020 tot 25 april 2020, van 8 mei 2020 tot 9 mei 2020, van 22 mei 2020 tot 23 mei 2020 en van 5 juni 2020 tot 6 juni 2020, waarbij [naam minderjarige] vanaf het tijdstip dat school (normaal) eindigt naar de man gaat en op zaterdag om 13:00 uur terug zal zijn bij de vrouw;

- vanaf 19 juni 2020 zal [naam minderjarige] een weekend per veertien dagen van vrijdag vanaf het tijdstip dat school (normaal) eindigt tot zondag 19:00 uur bij de man verblijven;

3.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

3.3.

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 juli 2020 PRO FORMA, in afwachting van nader bericht van partijen over het verloop van het programma Kinderen uit de Knel en in afwachting van antwoord op de vraag of een voortzetting van de mondelinge behandeling gewenst is of dat de zaak verder schriftelijk kan worden afgedaan;

3.4.

verzoekt partijen het eindverslag van Kinderen uit de Knel te doen toekomen aan de rechtbank.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A.C. van Dijk op

29 november 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.