Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9300

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
ROT 18/4508
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing. Is de hoorplicht geschonden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/4508

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

en

de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, verweerder,

gemachtigde: mr. Y. Kievit.

Procesverloop

Bij aanslagbiljet van 28 februari 2018 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2018 voor de onroerende zaak [adres] in Rijswijk een aanslag waterschapsbelastingen opgelegd van in totaal € 401,97, bestaande uit € 121,47 watersysteemheffing (ingezetenen) en € 280,50 zuiveringsheffing (woonruimte).

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 18 juli 2018 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 14 maart 2019 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is, met aankondiging kort vooraf de zitting, niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] .

De rechtbank heeft het onderzoek in deze procedure geschorst en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Hierbij is eiseres in de gelegenheid gesteld om op de ter zitting van 14 maart 2019 overgelegde pleitnota met nadere stukken van verweerder te reageren en verweerder is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het nadere stuk van eiser van 1 maart 2019.

Verweerder heeft bij brief van 9 april 2019 een reactie gegeven.

Van eiseres is geen reactie ontvangen.

De zaak is op 14 juni 2019 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiseres is, met aankondiging kort vooraf de zitting, niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] .

Overwegingen

1. Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak. In geschil zijn de door verweerder opgelegde aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing voor 2018. Verder is in geschil of verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

Schending hoorplicht

2. Eiseres heeft op 2 april 2018 pro-forma bezwaar gemaakt tegen de aanslagen, waarna eiseres op 22 mei 2018 haar bezwaargronden heeft ingediend. Vervolgens heeft eiseres verweerder op 19 juni 2018 in gebreke gesteld. Verweerder heeft de ingebrekestelling afgewezen, omdat deze prematuur is. Verweerder heeft eiseres verzocht een afspraak te maken voor een hoorzitting. Bij e-mail van 3 juli 2018 heeft de gemachtigde van eiseres doorgeven dat hij vanaf 16 juli 2018 met verlof is en dat in de periode daarvoor zijn agenda bezet is, zodat een hoorzitting in juli 2018 niet mogelijk is. De gemachtigde van eiseres heeft vier opties gegeven om een telefonische hoorzitting te houden: op 2, 7, 8 of 9 augustus tussen 15.00 en 17.00 uur.

Bij e-mail van 6 juli 2018 heeft verweerder laten weten dat zijn voorkeur uitgaat naar een telefonische hoorzitting op 8 augustus 2018 tussen 15.00 en 17.00 uur.

In zijn e-mail van 9 juli 2018 heeft de gemachtigde van eiseres ingestemd met een telefonische hoorzitting op 8 augustus 2018 om 15.30 uur.

Bij aangetekende brief van 9 juli 2018 heeft eiseres verweerder vervolgens nogmaals in gebreke gesteld.

In reactie hierop heeft verweerder op 10 juli 2019 aan de gemachtigde van eiseres gemaild dat hij de ingebrekestelling niet kan rijmen met het verzoek van eiseres om te worden gehoord. Verweerder verzoekt de ingebrekestelling in te trekken of de hoorzitting te houden vóór 22 juli 2018. Verweerder is bereid de (telefonische) hoorzitting te houden voor de vakantie van de gemachtigde van eiser, eventueel in de avonduren. Ook wijst verweerder de gemachtigde op de mogelijkheid zich te laten vervangen door een kantoorgenoot.

Bij e-mail van 12 juli 2018 heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat de ingebreke-stelling niet wordt ingetrokken en dat er geen afstand wordt gedaan van het recht om te worden gehoord.

Bij e-mail van 13 juli 2018 heeft verweerder het aanbod om te worden gehoord binnen de termijn van de ingebrekestelling herhaald en aangegeven dat horen in de avonduren of in het weekend ook mogelijk is.

In reactie hierop heeft de gemachtigde van eiseres op 13 juli 2018 verweerder laten weten dat zijn verlofperiode inmiddels is verlengd tot en met 10 augustus 2018.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres ondanks haar verzoek daartoe niet is gehoord.

De vraag is of hiermee de hoorplicht is geschonden.

3.1

Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verweerder een dwangsom verschuldigd nadat twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling zijn verstreken. De wetgever heeft met deze termijn van twee weken verweerder enige tijd willen geven om alsnog een beslissing te nemen.

De gemachtigde van eiseres had zich daarom moeten realiseren dat op het moment dat hij verweerder in gebreke stelde, verweerder binnen een termijn van twee weken een uitspraak op het bezwaar zou willen nemen en dat, alvorens die uitspraak te nemen, ook een hoorzitting zou worden gepland. Een ingebrekestelling dient immers in de eerste plaats om het bestuursorgaan tot een spoedige beslissing aan te zetten. Van een professioneel gemachtigde mag worden verlangd dat hij zich in deze twee weken voldoende beschikbaar houdt voor een hoorzitting en dat hij, indien hij op de door verweerder voorgestelde datum verhinderd is, in samenspraak met verweerder naar een redelijke oplossing zoekt, ook als de gemachtigde al een vakantie heeft gepland. Aan de andere kant mag ook van verweerder een inspanning worden gevergd om tot een redelijke oplossing te komen.

3.2

Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om (binnen de termijn van twee weken na de ingebrekestelling, die eindigde op 24 juli 2019) te worden gehoord. Verweerder heeft aangeboden om in de week van 10 juli 2018, dat is voor de vakantie van de gemachtigde, de hoorzitting te houden of anders in ieder geval voor 22 juli 2018, eventueel in de avonduren of in het weekend. De gemachtigde van eiseres heeft daarentegen vastgehouden aan de datum van de reeds geplande hoorzitting, te weten 8 augustus 2018. Deze datum ligt echter na de termijn van twee weken na de ingebrekestelling, die eindigde op 24 juli 2019 en waaraan gemachtigde nadrukkelijk heeft vastgehouden. De gemachtigde van eiseres heeft geen enkel alternatief voorgesteld, terwijl hij kon verwachten dat verweerder de hoorzitting binnen de termijn van de ingebrekestelling zou willen plannen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gemachtigde van eiseres zich onvoldoende heeft ingespannen om in samenspraak tot een redelijke oplossing te komen voor het inplannen van de hoorzitting. Dat de voorbereidingstijd voor de gemachtigde voor een hoorzitting kort zou zijn, is een situatie die de gemachtigde door de ingebrekestelling zelf heeft gecreëerd en daarmee voor zijn rekening komt. Van een professioneel gemachtigde mag worden verwacht dat hij ook in die situatie in staat is om zich voor te bereiden op een hoorzitting.

Van schending van de hoorplicht is geen sprake.

Bevoegdheid heffingsambtenaar

4. Eiseres voert verder aan dat de aanslag en het bestreden besluit onbevoegd zijn genomen.

4.1

Uit de notulen van de vergadering van het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep van 14 april 2016 blijkt dat de clustermanager Productie als heffingsambtenaar is aangewezen. Het dagelijks bestuur is daartoe het bevoegde orgaan.

Met betrekking tot het betoog van eiseres dat verweerder geen bewijs heeft geleverd van de publicatie van het aanstellingsbesluit overweegt de rechtbank het volgende. Voor zover het aanstellingsbesluit niet op de in artikel 3:42 van de Awb voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, hoeft aan dit eventuele formele gebrek gelet op artikel 6:22 van de Awb geen sanctie te worden verbonden, tenzij eiseres hierdoor is benadeeld (vergelijk de arresten van de Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2162, en 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3224). Eiseres stelt dat zij is benadeeld door het opleggen van de aanslag, maar dat de aanslag is opgelegd, is niet een zodanig nadeel. Een ander nadeel heeft eiseres onvoldoende concreet gesteld.

Verweerder heeft het aanstellingsbesluit van [naam 2] bij de Regionale Belasting Groep als clustermanager bij het cluster Incasso van 21 maart 2013 overgelegd, alsmede een brief aan de heer [naam 2] van 5 september 2017 waarin staat vermeld: “In mijn brief met kenmerk [kenmerk] is abusievelijk vermeld dat jouw nieuwe functie Productiemanager is geworden. Dit moet zijn clustermanager Productie.”. Hieruit blijkt dat [naam 2] is aangesteld als clustermanager Productie. Hiermee is [naam 2] rechtsgeldig aangewezen als heffingsambtenaar.

Het bestreden besluit is dan ook bevoegd door [naam 2] als heffingsambtenaar genomen.

Op grond van vaste rechtspraak (vergelijk Hoge Raad 16 december 1998, ECLI:NL:HR1998:AA2596) moet, als het aanslagbiljet niet vermeldt wie de aanslag heeft opgelegd, ervan worden uitgegaan dat de aanslag door de heffingsambtenaar is opgelegd. Anders dan eiseres aanvoert, zijn er geen aanwijzingen dat de aanslag niet door de heffingsambtenaar is opgelegd. In tegendeel, in de bezwaarclausule op de achterkant van het aanslagbiljet staat dat bezwaar gemaakt kan worden bij de heffingsambtenaar.

4.2

Eiseres voert aan dat de in het kader van de bevoegdheid van de heffingsambtenaar overgelegde stukken door verweerder al in de bezwaarfase overgelegd hadden moeten worden. Voor zover dit al het geval is, ziet de rechtbank aanleiding dit eventuele gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu eiseres in beroep (uitgebreid) heeft kunnen reageren op de overgelegde stukken.

Kostentoedelingsverordening voor de watersysteemheffing

5. Eiseres voert aan dat de aanslag watersysteemheffing niet in stand kunnen blijven, omdat verweerder gehouden was een nieuwe kostentoedelingsverordening vast te stellen.

5.1

Artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet luidt als volgt:

Het algemeen bestuur stelt ten behoeve van de in artikel 117 bedoelde heffing een verordening vast, waarin voor elk van de categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Bij die verordening kan worden bepaald dat kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken categorieën van heffingplichtigen.

Artikel 120, vijfde lid, van de Waterschapswet luidt als volgt:

De in het eerste lid bedoelde verordening wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien.

5.2

In dit geval is de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Delfland 2016 van toepassing. Deze is op 1 januari 2016 in werking is getreden en was op het moment van de aanslag watersysteemheffing twee jaar oud. Anders dan eiseres aanvoert was het Hoogheemraadschap van Delfland in redelijkheid niet gehouden om een nieuwe kostentoedelingsverordening vast te stellen en verweerder kon zich dus op deze verordening baseren. Uit het vijfde lid van artikel 120 van de Waterschapswet volgt dat verweerder enkel gehouden is om de Kostentoedelingsverordening ten minste een keer in de vijf jaar te herzien. Tot een vaker herzien verplicht dit artikel niet. Als eiseres van mening is dat verweerder desondanks gehouden was om dit eerder dan vijf jaar na 1 januari 2016 te doen, ligt het op haar weg feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat dit noodzakelijk was. Dat doet eiseres niet. Voor een omkering van de bewijslast hiertoe, zoals door eiseres bepleit, bestaat geen grondslag.

Tarief watersysteemheffing

6. Eiseres betoogt voorts dat niet inzichtelijk is hoe het tarief van de watersysteem-heffing ingezetenen van € 121,47 tot stand is gekomen en dat niet te controleren is of dit tarief juist is.

Verweerder heeft bij brief van 9 april 2019 een (nieuwe) berekening en onderbouwing van het tarief overgelegd. Ook is uiteengezet hoe de toedeling van de kosten aan de categorie ingezetenen heeft plaatsgevonden. Het Hoogheemraadschap heeft in dit geval het kostenaandeel van ingezetenen op 54 % vastgesteld, wat binnen de daarvoor in de Waterschapwet gegeven bandbreedte valt.

Hoewel zij daartoe de gelegenheid heeft gehad, heeft eiseres niet op de berekening gereageerd. Nu eiseres niets tegen de berekening van verweerder van 9 april 2019 heeft aangevoerd en ook de rechtbank niet is gebleken dat deze onjuist is, heeft verweerder inzichtelijk gemaakt dat het tarief van de watersysteemheffing in overeenstemming met de regelgeving tot stand is gekomen. Omdat is niet gebleken dat eiseres is benadeeld door het feit dat die berekening pas in beroep is gegeven, zal de rechtbank dit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Opbrengstlimiet

7. Eiseres voert aan dat zowel bij de watersysteemheffing als de zuiveringsheffing de zogenoemde opbrengstlimiet is overschreden. De opbrengstlimiet verbiedt dat de totale geraamde opbrengst de totale geraamde kosten overschrijdt.

7.1

Bij de beoordeling of de opbrengstlimiet is overschreden, gelden de regels van de Hoge Raad, zoals gegeven in zijn arrest van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777.

Uit dit arrest volgt dat, als wordt aangevoerd dat de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden, het primair aan verweerder is inzicht te verschaffen in de ramingen. Dat kan op basis van de begroting, maar ook op basis van andere gegevens. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij de vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. Er kan niet worden verlangd dat van alle genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vast is gelegd hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd.

Het verstrekken van nadere inlichtingen door verweerder wordt uitsluitend verlangd voor zover eiseres voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. Aan de nadere inlichtingen die verweerder in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat verweerder naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de door eiseres opgeworpen twijfel betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door eiseres opgeworpen twijfel ongegrond is. Hierbij geldt voorts dat pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van een raming, indien verweerder deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen.

Verder is het zo dat, indien eiseres stelt dat de door verweerder aangeleverde gegevens feitelijk onjuist zijn, op haar de bewijslast rust dit aannemelijk te maken.

7.2

In beroep heeft verweerder op 15 februari 2019 de begroting van het Hoogheemraadschap Delfland overgelegd, die hij nader heeft toegelicht in zijn brief van 9 april 2019.

Nu eiseres niet heeft gesteld dat deze gegevens onjuist zijn of dat ten aanzien van een of meer bepaalde posten van de begroting in combinatie met de toelichting van 9 april 2019 redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake, maakt verweerder op basis van deze twee stukken aannemelijk dat de opbrengstlimiet voor zowel de watersysteemheffing als de zuiveringsheffing niet is overschreden.

7.3.

Pas in beroep heeft verweerder met de begroting in combinatie met de brief van

9 april 2019 aannemelijk maakt dat de opbrengstlimiet niet is overschreden. Omdat niet is gebleken dat eiseres hierdoor benadeeld is, zal de rechtbank dit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

Slot

8. Ook wat eiseres overigens aanvoert leidt niet tot de conclusie dat de aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing niet konden worden opgelegd.

9.. Het voorgaande onder 6 en 7 betekent dat het bestreden besluit op grond van de in beroep gegeven nieuwe motivering stand kan houden. Omdat niet is gebleken dat eiseres is benadeeld door het feit dat die motivering pas in beroep is gegeven, zal de rechtbank dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren. Het beroep is ongegrond. Wel dient verweerder vanwege de late motivering aan eiseres het door haar betaalde griffierecht en haar in beroep gemaakte proceskosten te vergoeden.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten.

Hierbij geldt bij de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dat deze zaak samenhangend is in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht met de zaken ROT 18/4513 en ROT 18/4953. De zaken zijn gelijktijdig op beide zittingen behandeld en in alle drie de zaken spelen dezelfde (rechts)vragen.

De beroepsschriften en de nadere stukken van eisers zijn in alle drie de zaken ook nagenoeg hetzelfde.

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank daarom voor de drie zaken in totaal vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1). Omdat in alle drie de procedures de aanslagen niet worden herroepen bestaat geen aanleiding om voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Om praktische redenen is de proceskostenvergoeding in zijn geheel in zaak ROT 18/4513 vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mrs. P. Vrolijk en

A.P. Bliek-Monsma, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 oktober 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).