Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9213

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-10-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
10/660085-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift medisch verschoningsgerechtigde ex art. 552a juncto artt. 126nf lid 2, 96a lid 3 en 98 Sv. Dit klaagschrift is gericht tegen de beslissing van de RC d.d. 3 juni 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:8910), waarin het bezwaar van de klagers (ziekenhuis/behandelend arts) tegen een vordering van de OvJ ex art. 126nf Sv tot verstrekking van gevoelige gegevens (een medisch dossier van een patiënt) ongegrond is verklaard.

De klagers hebben zich beroepen op het verschoningsrecht van de behandelend arts ex art. 218 Sv. De rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard, omdat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen.

1. de aard en ernst van de verdenking in de strafzaak;

2. het grote belang van de betreffende gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek;

3. de aard (waaronder de relatief geringe privacygevoeligheid) en omvang van de betreffende (patiënt)gegevens, die met doorbreking van het verschoningsrecht in de strafprocedure zullen worden ingebracht;

4. de omstandigheid dat op dit moment de betreffende gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660085-19

Raadkamernummer: 19/1611

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift van:

[naam klager 1] (hierna: [naam klager 1] ),

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats klager] , aan het [vestigingsadres adres klager]

en

drs. [naam klager 2] , als traumachirurg werkzaam bij het [naam klager 1] (hierna: de behandelend arts),

(hierna ook te noemen: de klagers).

Procedure

Op 18 juni 2019 is op grond van artikel 552a, in samenhang met de artikelen 126nf, tweede lid, 96a, derde lid, en 98 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.

Het klaagschrift is op 8 oktober 2019 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. H. van Galen en mr. J. Groot, jurist bij het [naam klager 1] , die uitdrukkelijk is gemachtigd om de klagers bij deze behandeling in raadkamer te vertegenwoordigen, zijn gehoord.

Feiten

Bij beschikking van 28 maart 2019 heeft de rechter-commissaris in het strafrechtelijk onderzoek tegen [naam verdachte] (hierna: de verdachte) met opgemeld parketnummer aan de officier van justitie, op diens vordering, een machtiging verleend voor een vordering tot het verstrekken van gevoelige gegevens op grond van artikel 126nf Sv gericht aan het [naam klager 1] , afdeling spoedeisende hulp. Deze machtiging dient ter bevestiging van de op 19 maart 2019 mondeling gegeven machtiging.

De vordering ziet op de volgende gegevens:

  • -

    het medisch dossier van de verdachte die, naar aanleiding van het verkeersongeval waar hij bij betrokken was, op 11 maart 2019 medisch was behandeld op de spoedeisende hulp van het [naam klager 1] ;

  • -

    welke medicatie(s) was (waren) toegediend en of er bloedtransfusie had plaatsgevonden voor de afname van bloed door de Forensische Artsen Rotterdam Rijnmond in verband met het mogelijk rijden onder invloed door de verdachte.

De officier van justitie heeft op 28 maart 2019 het [naam klager 1] , afdeling spoedeisende hulp, op grond van artikel 126nf Sv gevorderd deze gegevens te verstrekken.

Het [naam klager 1] heeft, mede namens de behandelend arts, bij e-mail van 9 april 2019 op grond van artikel 126nf, tweede lid, Sv in samenhang met de artikelen 96a, derde lid, en 98 Sv bezwaar gemaakt tegen deze vordering en zich daarbij beroepen op het verschoningsrecht van de behandelend arts als bedoeld in artikel 218 Sv.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 3 juni 2019 het bezwaar ongegrond verklaard en aan het [naam klager 1] het bevel gegeven tot afgifte van het medisch dossier van de verdachte voor zover dat betrekking heeft op 11 maart 2019, op een elektronische gegevensdrager in een verzegelde envelop. Het [naam klager 1] heeft aan dit bevel voldaan. De verzegelde envelop wordt door de rechter-commissaris in bewaring gehouden totdat op het klaagschrift is beslist.

Standpunt klagers en standpunt officier van justitie

Het klaagschrift strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechter-commissaris en daartoe is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. De gevorderde gegevens vallen onder het beroepsgeheim van de behandelend arts en daarom wordt een beroep gedaan op het verschoningsrecht van die arts. Verder is er - anders dan de rechter-commissaris heeft geoordeeld - geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht. Het [naam klager 1] is daarom niet verplicht om deze gegevens te verstrekken.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Hij heeft aangevoerd dat de rechter-commissaris op goede gronden heeft geoordeeld dat zich in dit geval zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die tot gevolg hebben dat het belang van waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De gevorderde gegevens zijn noodzakelijk voor de beoordeling van de verwijtbaarheid van de verdachte met betrekking tot het ongeval. Daarvoor is het van belang om te weten te komen wat de gezondheidstoestand van de verdachte was op dat moment; onder andere of het klopt dat hij toen een ‘hypo’ heeft gehad, of daarvoor al signalen waren en of hij gelet daarop in de vrachtwagen had mogen stappen. De gevorderde gegevens moeten daarvoor worden onderzocht door een deskundige, die al is benoemd. Mede op basis hiervan zal ook worden beoordeeld of de verdachte hiervoor zal worden vervolgd.

Beoordeling klacht

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden.

De klagers hebben een beroep gedaan op het verschoningsrecht dat de behandelend arts toekomt op grond van artikel 218 Sv. Zij hebben gesteld dat verstrekking van de gevorderde gegevens in strijd is met de geheimhoudingsplicht van de behandelend arts. Nu het een medisch dossier van een patiënt betreft, ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Daarom wordt geconcludeerd dat de gevorderde gegevens onder het verschoningsrecht van de behandelend arts vallen.

De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen.

Daarbij worden allereerst de aard en de ernst van de verdenking in aanmerking genomen. De verdachte wordt verdacht van het verwijtbaar veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop op 11 maart 2019. Uit het dossier komt ten aanzien van deze verdenking het volgende naar voren. De verdachte is vrachtwagenchauffeur en belast met het transport van gevaarlijke stoffen. Hij reed ten tijde van het verkeersongeval met een vrachtwagen en is daarmee tegen de auto van het slachtoffer gebotst. Voorafgaand aan het ongeval zou hij over een afstand van ongeveer 15 kilometer slingerend hebben gereden en éénmaal of meermalen de vangrail langs de weg hebben geschampt. Ook zou hij zonder te remmen met hoge snelheid door rood licht de kruising zijn opgereden, waar het ongeval plaatsvond. De verdachte is diabetespatiënt en bij controle van de glucosemeter zou zijn gebleken dat hij twee uur voor het ongeval mogelijk een zeer lage bloedsuikerspiegel had. Hij zou ook zelf het vermoeden hebben uitgesproken dat hij voorafgaand aan en ten tijde van het ongeval een te lage bloedsuikerspiegel, een zogenaamde ‘hypo’, heeft gehad. Ook zou hij in de periode voor het ongeval veelvuldig (gemiddeld tweemaal per dag) een ‘hypo’ hebben gehad.

Het strafrechtelijk onderzoek is gericht op het achterhalen van de toedracht van het verkeersongeval. Gelet op voornoemde omstandigheden zijn de gevorderde gegevens van groot belang voor dat onderzoek. Duidelijkheid over de toedracht is nodig om te kunnen beoordelen of en in hoeverre het ongeval aan de verdachte te wijten was. Inzicht in zijn gezondheidstoestand op dat moment is daarvoor essentieel. Daarnaar zal onderzoek worden verricht door een deskundige en de gevorderde gegevens zijn daarvoor noodzakelijk. Dit is ook van belang voor de door de officier van justitie te nemen vervolgingsbeslissing.

De omvang van de gevorderde gegevens is beperkt en de privacygevoeligheid van de informatie is relatief gering. Het betreft alleen het medische dossier met betrekking tot het onderzoek van de verdachte in het [naam klager 1] op 11 maart 2019; de dag van het verkeersongeval. Ook betreft het informatie die mogelijk ontlastend kan zijn voor de verdachte, wat ook zijn privacybelang relativeert.

Deze gegevens zijn bovendien niet op een andere wijze te verkrijgen, ook omdat in dit stadium van het onderzoek kennelijk niet aan de verdachte zelf kan worden gevraagd of hij toestemming geeft voor verstrekking van die gegevens.

Gelet op al deze factoren, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot gevolg hebben dat het belang van waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beklag ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. C.E. Bos en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2019.