Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:912

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
07-02-2019
Zaaknummer
10/702026-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak uitvoer harddrugs wegens ontbreken wetenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/702026-17

Datum uitspraak: 6 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

Raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2019.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

Waardering van het bewijs

Vrijspraak

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert het bewijs op het volgende. De verdachte was op 10 maart 2016 aanwezig bij de loods waar volgens de chauffeur de lading van zijn vrachtwagen met Pools kenteken is uit- en ingeladen. De verdachte heeft de uit de vrachtwagen afkomstige lading met een vorkheftruck uit de vrachtwagen en naar de loods gereden. Korte tijd later heeft de verdachte diezelfde lading, op andere wijze verpakt, weer in de vrachtwagen geplaatst. In deze lading blijken zich dan verdovende middelen te bevinden. De vrachtwagen had als bestemming Polen, zodat het inladen heeft plaatsgevonden met de bedoeling om zo de betreffende partij verdovende middelen uit te voeren.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat in de loods, buiten het zicht van de camera’s, de aangetroffen partij MDMA door de verdachte in de lading kan en ook moet zijn geplaatst. In de loods is sealfolie aangetroffen die overeenkomt met de folie waarmee de ingeladen lading is geseald. Op de folie in de loods zijn vingerafdrukken van de verdachte aangetroffen. Ook zijn in de loods latex handschoenen met het DNA van de verdachte aangetroffen.

Op de vrachtbrief staat bovendien een handtekening die overeenkomst met die van de verdachte.

Standpunt verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat zich op de bewuste dag, naast de verdachte, nog 17 of 18 andere mensen in, bij of in de directe omgeving van de loods hebben bevonden. Volgens de verdediging moet de verdachte worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, omdat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf handelingen heeft verricht ten aanzien van de in de vrachtwagen geplaatste lading. Hij wist niet dat die lading MDMA bevatte.

Beoordeling

Voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is vereist dat de verdachte wetenschap had van en daarmee opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de voor uitvoer bestemde verdovende middelen in de lading die op 10 maart 2016 is aangetroffen.

De verdachte heeft daarover verklaard dat hij op 10 maart 2016 aanwezig was bij de loods behorend bij het bedrijf van zijn vader aan de [adres] in Hoogvliet en dat hij daar met regelmaat komt om in opdracht van anderen hand- en spandiensten te verrichten, zoals het laden en lossen van goederen. Volgens de verdachte kan het zijn dat hij op 10 maart 2016 met een vorkheftruck een lading goederen uit en enige tijd daarna een lading goederen in een vrachtwagen met een Pools kenteken heeft geladen. De verdachte heeft echter ontkend dat hij verdovende middelen in een lading heeft geplaatst en stelt dat hij ook niet wist dat zich in de lading die hij kennelijk op 10 maart 2016 met de vorkheftruck in die vrachtwagen heeft geplaatst verdovende middelen bevonden.

De verdachte heeft ten slotte verklaard dat het aantreffen van zijn DNA op meerdere goederen die zich in de loods bevonden, kan worden verklaard door het feit dat hij al sinds zijn 16e jaar in de loods komt en tijdens de klusjes die hij daar heeft verricht ook van alles heeft beetgepakt en aangeraakt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet kan worden uitgesloten dat een ander dan de verdachte de aangetroffen verdovende middelen in de lading heeft geplaatst en dat de verdachte daarvan geen wetenschap had.

Conclusie

Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en A.A.T. Werner, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 maart 2016 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet,

althans opzettelijk heeft vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 152,94 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA, zijnde MA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst 1, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;