Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:9010

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
8028890 VZ VERZ 19-17591
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek om uitbetaling opgebouwde niet genoten vakantiedagen en transitievergoeding als onweersproken toewijsbaar. Vergoeding wegens onregelmatige opzegging afgewezen nu verzoek niet binnen vervaltermijn is ingediend. Billijke vergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8028890 VZ VERZ 19-17591

uitspraak: 12 november 2019

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. W.T.M. Uilhoorn, advocaat te Dordrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente Brielle,

verweerster,

gemachtigde: mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoeker] ” en “ [verweerster] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 10 september 2019;

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2019. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer mr. W.T.M. Uilhoorn als gemachtigde. Daarnaast is namens [verweerster] verschenen de heer [naam] , bijgestaan door mevrouw mr. K.M. van Wijngaarden als gemachtigde. Partijen hebben ieder het eigen standpunt (nader) toegelicht. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3

De uitspraak van de beschikking is door de kantonrechter op heden bepaald.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum verzoeker] , is sinds 1 januari 2016 bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van kabellasser.

2.2

[verzoeker] was in dienst op basis van een 38-urige werkweek tegen een maandloon van

€ 2.931,07 bruto te vermeerderen met 8,25% vakantietoeslag.

2.3

[verzoeker] is op 12 juni 2017 ziek geworden.

2.4

[verweerster] bericht [verzoeker] bij brief d.d. 26 juni 2019:

Betreft: Beëindiging arbeidsovereenkomst

Geachte heer [verzoeker]

Hierbij delen wij u mede dat uw arbeidsovereenkomst met [verweerster] V&S BV. per 10 juni 2019 is beëindigd.

2.5

[verzoeker] ontvangt sedert 10 juni 2019 een WIA-uitkering.

3 Het verzoek

3.1

[verzoeker] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. een dag vast te stellen waarop deze zaak ter terechtzitting wordt behandeld;

II. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het netto-equivalent van de transitievergoeding ad € 3.172,- (bruto), dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

III. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de niet-genoten opgebouwde vakantiedagen te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, nader op te maken bij staat, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

IV. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de billijke vergoeding ad € 5.000,- (netto), dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

V. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het netto-equivalent van een bedrag van € 4.885,12 (bruto) in verband met het niet door [verweerster] in acht nemen van de termijn van opzegging (artikel 7:672 BW), dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

Subsidiair:

VI. in het geval het verzoek/de verzoeken onder IV en/of V wordt dan wel worden afgewezen, [verweerster] te veroordelen aan [verzoeker] een schadevergoeding te betalen, op grond van onrechtmatige daad, ter grootte van hetgeen onder IV en/of V is gevorderd, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

Primair en subsidiair:

VII. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele betaling;

VIII. [verweerster] te veroordelen tot verstrekking aan [verzoeker] van correct op schrift gestelde loonstroken en eindafrekening, die voldoen aan de van toepassing zijnde fiscale regelgeving, dit op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan, ten laste van [verweerster] en ten gunste van [verzoeker] , dat [verweerster] na twee dagen na betekening van het in deze te wijzen beslissing in gebreke blijft aan de veroordeling tot verstrekking over te gaan;

IX. [verweerster] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

3.2

Aan het verzoek heeft [verzoeker] – samengevat weergegeven – het volgende te grondslag gelegd.

3.3

[verzoeker] heeft op 27 juni 2019 de als productie 5 bij verzoekschrift overgelegde brief d.d. 26 juni 2019 van [verweerster] ontvangen. Aangezien [verzoeker] niet juridisch onderlegd is, heeft hij het belang van deze brief in beginsel niet onderkend. Pas tijdens een gesprek met zijn advocaat d.d. 5 september 2019 inzake een huurkwestie, is het [verzoeker] duidelijk geworden dat de wet aan – o.a. de datum van – de brief van [verweerster] consequenties verbindt. Gebleken is het [verzoeker] dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte heeft opgezegd zonder dat zij beschikte over een ontslagvergunning van het UWV. Daarnaast heeft [verweerster] de arbeidsovereenkomst opgezegd met terugwerkende kracht en zonder inachtneming van de opzegtermijn.

3.4

[verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd met terugwerkende kracht, hetgeen niet mogelijk is. De opzegging is niettemin een opzegging en doet de arbeidsovereenkomst eindigen, echter rekening houdend met de datum waarop [verzoeker] de brief heeft ontvangen, zijnde 27 juni 2019. [verzoeker] berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 27 juni 2019. Wel maakt [verzoeker] op grond van artikel 7:671 BW jo. 7:681 BW aanspraak op een billijke vergoeding, nu [verweerster] in strijd met de wet de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd zonder toestemming van het UWV. [verzoeker] acht een bedrag van € 5.000,- redelijk.

3.5

[verweerster] is op grond van artikel 7:672 BW een schadevergoeding verschuldigd aan [verzoeker] omdat zij bij de eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst geen rekening heeft gehouden met de van toepassing zijnde opzegtermijn. Bij de berekening is uitgegaan van de door [verweerster] beoogde beëindigingsdatum per 10 juni 2019, een aanzegging tegen het einde van de maand en de van toepassing zijnde opzegtermijn van één maand. Bij een regelmatige opzegging zou de opzegtermijn duren van 10 juni 2019 tot 1 augustus 2019. Op basis van het 100% bruto maandloon van € 2.931,07 en de vakantietoeslag van 8,25%, bedraagt de vergoeding wegens onregelmatige opzegging € 4.885,12 bruto. Het door [verweerster] gedane beroep op de vervaltermijn is gelet op de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar en in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Ten aanzien van deze omstandigheden brengt [verzoeker] naar voren dat van hem niet kon worden verwacht dat hij het belang van de brief d.d. 26 juni 2019 begreep. Daarnaast is mogelijk sprake geweest van kwade opzet aan de zijde van [verweerster] .

3.6

[verweerster] is op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding aan [verzoeker] verschuldigd nu het dienstverband ten minste 24 maanden heeft geduurd. De transitievergoeding bedraagt € 3.172,- bruto.

3.7

[verweerster] heeft geen eindafrekening opgemaakt ten aanzien van de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen. Betwist wordt door [verzoeker] dat er geen opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen zouden zijn. Ook tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid worden vakantiedagen opgebouwd, terwijl [verzoeker] niet of nauwelijks vakantiedagen heeft opgenomen. Het is aan [verweerster] de ter zake doende vakantiedagenadministratie te overleggen zodat [verzoeker] kan nagaan of het saldo dat uit die administratie blijkt ook juist is.

Uit artikel 16 van de CAO Landbouwwerktuigen Exploiterende Ondernemingen, welke CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, volgt dat de werkgever verplicht is om de werknemer bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een verklaring te geven waaruit blijkt hoeveel vakantiedagen en verlof zonder behoud van loon hij nog tegoed heeft.

3.8

Voor zover het verzoek/de verzoeken van [verzoeker] voor vergoeding voor het door [verweerster] niet in acht nemen van een termijn van opzegging en/of opzegging zonder toestemming van het UWV, wordt/worden afgewezen, is dat in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, en verzoekt [verzoeker] een schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van [verweerster] jegens [verzoeker] . Voor wat betreft de hoogte van deze vergoeding sluit [verzoeker] aan bij de door hem gevorderde bedragen voor de billijke vergoeding en de vergoeding voor het niet in achtnemen van de termijn van opzegging.

3.9

Ter mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard akkoord te gaan met het door [verweerster] ten aanzien van de niet-genoten vakantiedagen in haar verweerschrift genoemde bedrag. Wel maakt [verzoeker] nog aanspraak op de wettelijke verhoging daarover, door de kantonrechter nader te bepalen.

4 Het verweer

4.1

[verweerster] verzoekt de kantonrechter om de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen met uitzondering van de verzoeken als genoemd in de randnummers 8 en 14 van het verzoekschrift.

4.2

[verweerster] heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.3

[verweerster] heeft na informatie te hebben ingewonnen bij het UWV het dienstverband met [verzoeker] per brief gedateerd op 26 juni 2019 met ingang van 10 juni 2019 beëindigd. Nu het UWV [verweerster] had verzekerd dat zij vanaf 10 juni 2019 geen verplichtingen meer had jegens [verzoeker] , heeft [verweerster] aldus begrepen dat zij de arbeidsovereenkomst op kon zeggen op de wijze als zij nu heeft gedaan. [verweerster] heeft de informatie verkregen van het UWV opgevolgd, dan wel de door het UWV gedane uitlatingen verkeerd geïnterpreteerd. [verweerster] erkent nu dat zij een fout heeft gemaakt. Aan de zijde van [verweerster] is slechts sprake geweest van onwetendheid en geenszins van kwade opzet zoals door [verzoeker] wordt gesteld.

4.4

Een rechtsgrond voor de vaststelling van een billijke vergoeding ontbreekt in dit geval. [verweerster] wijst er daarbij op dat [verzoeker] door de opzegging niet in een nadeligere situatie is geraakt. Dit, nu het evident is dat het UWV de ontslagvergunning aan [verweerster] op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid zou hebben verleend in het geval dat [verweerster] deze zou hebben aangevraagd. Voorgaande volgt uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van het UWV alsmede de voortgangsrapportage van 27 februari 2019 van de door [verweerster] in het kader van de re-integratie tweede spoor ingeschakelde arbeidsdeskundige. Dat [verzoeker] nadelige gevolgen ondervindt is ook niet aangetoond door [verzoeker] .

4.5

Hoewel [verweerster] erkent dat zij het dienstverband met [verzoeker] op onregelmatige wijze heeft beëindigd, is de vordering van [verzoeker] met betrekking tot de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 10 BW niet toewijsbaar gelet op de vervaltermijn van twee maanden als bedoeld in artikel 7:686a lid 4 onder a BW. [verzoeker] stelt de brief van 26 juni 2019 op 27 juni 2019 te hebben ontvangen en heeft het onderhavige verzoek pas ingediend op 9 september 2019.

4.6

Door de opzegging van het dienstverband door [verweerster] kan [verzoeker] aanspraak maken op de transitievergoeding als genoemd in artikel 7:673 BW. [verweerster] verzet zich niet tegen de vaststelling van de transitievergoeding op het bedrag van € 3.172,-.

4.7

Het saldo aan niet-genoten vakantiedagen bedraagt volgens de administratie van [verweerster] 61,5 dagen x 7,6 uur = 467,4 uren. Van het door [verzoeker] gemelde maandloon inclusief vakantiebijslag ad € 3.172,88 kan een uurloon worden afgeleid van € 19,19 bruto. [verzoeker] heeft op grond hiervan van [verweerster] te vorderen het bedrag van € 8.969,41.

4.8

[verweerster] heeft zich door het UWV laten adviseren en heeft bij de opzegging geheel te goeder trouw gehandeld. Ingeval [verweerster] niet tot beëindiging van het dienstverband was overgegaan – zij was daartoe immers geenszins verplicht – was [verweerster] niet gehouden het tegoed aan vakantiedagen uit te betalen, althans had niet zonder meer kunnen worden vastgesteld dat [verweerster] hiertoe in verzuim was door het tegoed niet uit te betalen. Ingeval in rechte wordt vastgesteld dat [verzoeker] genoegdoening dient te ontvangen voor een in rechte vast te stellen verlate uitbetaling, hetgeen door [verweerster] wordt betwist, verzoekt [verweerster] om een matiging van de gevorderde wettelijke verhoging tot 5%.

5 De beoordeling

5.1

[verweerster] heeft [verzoeker] bij brief d.d. 26 juni 2019 gemeld dat de arbeidsovereenkomst per 10 juni 2019 is beëindigd. Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW, in samenhang gelezen met artikel 7:669 lid 3 sub b BW en artikel 7:670 lid 1 sub a BW, kan de werkgever het dienstverband met een werknemer opzeggen indien de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van deze werknemer ten minste twee jaar heeft geduurd. Vaststaat in het onderhavige geval dat die situatie zich hier voordoet. Artikel 7:671a lid 1 BW bepaalt echter dat de werkgever in een dergelijk geval voor opzegging van het dienstverband schriftelijk toestemming moet hebben van het UWV. Deze toestemming ontbreekt hier. [verzoeker] heeft niet met de opzegging ingestemd, terwijl [verweerster] evenmin beschikte over de vereiste toestemming van het UWV voor opzegging. De opzegging van het dienstverband per 10 juni 2019 door [verweerster] is derhalve in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW. De door [verweerster] bij brief d.d. 26 juni 2019 gedane opzegging heeft dus niet tot een rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband geleid. Het staat [verzoeker] echter vrij om zich neer te leggen bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst, hetgeen hij heeft gedaan.

5.2

[verzoeker] heeft onder meer aanspraak gemaakt op de transitievergoeding. Uit artikel 7:673 lid 1 BW vloeit voort dat een werkgever aan de werknemer een transitievergoeding is verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en door de werkgever is opgezegd. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. Gelet op het voorgaande alsmede de omstandigheid dat [verweerster] de verschuldigdheid en hoogte van de door [verzoeker] gevorderde transitievergoeding ad € 3.172,- bruto ook heeft erkend, ligt dit deel van het verzoek voor toewijzing gereed.

5.3

[verzoeker] heeft daarnaast aanspraak gemaakt op uitbetaling van de door hem opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen. [verweerster] heeft erkend dat de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen niet zijn uitbetaald. Door [verweerster] zijn de opgebouwde niet-genoten vakantierechten begroot op 467,4 uren, zijnde gelijk aan een bedrag van € 8.969,41 bruto. [verzoeker] heeft het voorgaande niet betwist, zodat in rechte uitgegaan wordt van de juistheid daarvan. Het verzochte bedrag ad € 8.969,41 bruto wordt dan ook toegewezen.

5.4

Door [verzoeker] is voorts een vergoeding ad € 4.885,12 verzocht wegens onregelmatige opzegging. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Om aanspraak te maken op deze vergoeding dient een verzoek daartoe, gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijn, echter wel binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd te worden gedaan. Het verzoek van [verzoeker] is echter niet binnen de geldende vervaltermijn ontvangen, zodat [verzoeker] voor wat betreft dit deel van zijn verzoek niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.

5.5

Door [verzoeker] is nog aangevoerd dat het toepassen van artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gewezen is daarbij onder meer op de omstandigheid dat [verzoeker] niet juridisch geschoold is en hij het belang van de brief d.d. 26 juni 2019 niet heeft onderkend. Daarnaast zou mogelijk sprake zijn geweest van kwade opzet van de zijde van [verweerster] .
In dit geval staat als onweersproken vast dat [verweerster] de geldende opzegtermijn van één maand niet in acht heeft genomen alsmede dat de arbeidsovereenkomst bij een regelmatige opzegging op 1 augustus 2019 tot een einde zou zijn gekomen, doch het laten verstrijken van de vervaltermijn moet in beginsel fataal worden geacht. Dat betekent niet dat een beroep op de redelijkheid en billijkheid per definitie in alle gevallen kansloos is, maar de rechter dient grote terughoudendheid te betrachten bij de honorering van een dergelijk beroep. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden bestaat ruimte om af te wijken van een strikte toepassing van de vervaltermijnen. De kantonrechter is van oordeel dat van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden in dit geval niet gebleken is. [verzoeker] heeft gesteld dat mogelijk sprake is geweest van kwade opzet, doch dit is hiervoor te vaag. Dat sprake is geweest van kwade opzet aan de zijde van [verweerster] is door [verweerster] bovendien gemotiveerd betwist en bij gebreke van een (deugdelijke) onderbouwing daarvan door [verzoeker] , in rechte niet komen vast te staan. Daarnaast volgt uit de brief voldoende duidelijk dat deze betrekking had op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en maakt de enkele omstandigheid, inhoudende dat [verzoeker] niet juridisch is geschoold, nog niet dat sprake is van een uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld. De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging is gelet op het voorgaande dan ook niet toewijsbaar.

5.6

Subsidiair heeft [verzoeker] aanspraak gemaakt op schadevergoeding gelijk aan het netto-equivalent van het bedrag van € 4.885,12 bruto op grond van onrechtmatige daad. De enkele omstandigheid dat een gedraging schending van een contractuele norm oplevert, brengt op zich nog niet mee dat deze gedraging niet tevens als een onrechtmatige daad jegens de wederpartij kan worden aangemerkt. Of dit het geval is, zal moeten worden beoordeeld aan de hand van de strekking van de geschonden norm, de aard van de gedraging en de verdere omstandigheden van het geval. De stelplicht en de bewijslast van de omstandigheden die maken dat sprake is van een onrechtmatige daad rusten in dit geval op [verzoeker] . De enkele schending van een arbeidsrechtelijke norm levert alleen dan een onrechtmatige daad op als de bewuste schending ook los van en buiten het gesloten stelsel van het arbeidsrecht, als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Nu het niet toekennen van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging op grond van de wet is gelegen in het laten verstrijken van de vervaltermijn door [verzoeker] , en niet als zodanig in een gedraging van [verweerster] , en voor het overige door [verzoeker] geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld, ziet de kantonrechter eveneens geen aanleiding voor toewijzing van de vergoeding op de subsidiaire grond.

5.7

Op grond van artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW had [verzoeker] de keuze om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen of om een verzoek te doen tot toekenning van een billijke vergoeding. [verzoeker] heeft berust in de opzegging en om een billijke vergoeding verzocht.

5.8

De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis kan een rechter een billijke vergoeding toekennen als het ontslag als zodanig het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan wel ernstig verwijtbaar is omdat de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd (bijvoorbeeld heeft opgezegd zonder preventieve toets van het UWV of rechter waar die wel was vereist).

5.9

Nu hiervoor geoordeeld is dat niet rechtsgeldig is opgezegd en [verweerster] daarmee in beginsel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zou het verzoek van [verzoeker] om toekenning van

een billijke vergoeding zich voor toewijzing kunnen lenen. Het is daarbij aan de rechter om aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval te beoordelen, of en zo ja, in welke omvang, het toekennen van een billijke vergoeding aan de werknemer in de rede ligt (zie: Kamerstukken I, 2013 – 2014, 33 818, nummer C pagina 99). Bij het vaststellen van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1, aanhef en onder a BW, gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187 (New Hairstyle) waarbij - als het gaat om de omvang van de vergoeding - rekening dient te worden gehouden met de gevolgen, van het ontslag. Die gevolgen kunnen mede zien op het loon dat de werknemer zou hebben ontvangen als de opzegging zou zijn vernietigd, de mogelijke verdere duur van de arbeidsovereenkomst en - indien de werkgever op rechtmatige wijze zou kunnen hebben beëindigd - de termijn waarop dit mogelijk zou zijn geweest, de vraag of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden of zal kunnen vinden en de daarmee gepaard gaande inkomsten.

De kantonrechter is – alle omstandigheden in aanmerking nemende – van oordeel dat een billijke vergoeding zoals door [verzoeker] verzocht niet in de rede ligt. [verzoeker] heeft dit verzoek en de aanspraak daarop ad € 5.000,- onvoldoende onderbouwd. Niet aannemelijk is dat vernietiging van de opzegging zou hebben geleid tot een loonaanspraak van [verzoeker] , zodat ook geen aanleiding bestaat hem op dat punt te compenseren en aan hem een billijke vergoeding toe te kennen. Immers, [verweerster] is vanwege de twee jaar durende arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] geen loon meer verschuldigd aan [verzoeker] . [verzoeker] ontvangt sinds 10 juni 2019 ook een WIA-uitkering. Na een eventuele vernietiging van de opzegging zou [verweerster] ongetwijfeld alsnog toestemming aan het UWV hebben verzocht om wegens twee jaar ziekte de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen op grond van artikel 7:669 lid 3, onder b, BW. [verzoeker] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd op grond waarvan verwacht zou mogen worden dat het UWV een ontslagvergunning zou weigeren. Ook ten aanzien van de mogelijkheden tot herplaatsing heeft [verzoeker] zijn stellingen niet onderbouwd. Evenmin is door [verzoeker] aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden binnen afzienbare tijd weer bij [verweerster] had kunnen hervatten. Bij het voorgaande is betrokken het rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV in het kader van de aanvraag WIA per 10 juni 2019. Daarin staat dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%, (op dit moment) geen mogelijkheden tot werkhervatting zijn en het niet mogelijk is om in het kader van de WIA passende arbeid te duiden, waarbij [verzoeker] zelf heeft aangegeven dat hij terugkeer bij [verweerster] in het kader van re-integratie niet als optie ziet. Niet gebleken is dan ook dat [verzoeker] in een nadeligere positie is komen te verkeren. Dat sprake is geweest van kwade opzet aan de zijde van [verweerster] is (zoals hiervoor onder 5.5. reeds overwogen) bovendien niet gebleken. De verzochte billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.

5.10

[verzoeker] heeft subsidiair nog aanspraak gemaakt op schadevergoeding gelijk aan de billijke vergoeding op grond van onrechtmatige daad. Ook hier geldt dat door [verzoeker] dezelfde feiten en omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag zijn gelegd als bij de primaire grond, en geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die een toewijzing van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad rechtvaardigen.

5.11

De gevorderde wettelijke verhoging is toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter met het oog op de gegeven omstandigheden aanleiding ziet deze te matigen tot 15%. De wettelijke rente is eveneens toewijsbaar.

5.12

Tegen het verzoek van [verzoeker] tot het verstrekken van loonstroken en de eindafrekening is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Dat verzoek wordt voor wat betreft de eindafrekening toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking. De kantonrechter ziet aanleiding de dwangsom te maximeren tot een bedrag van € 2.500,-. Het verzoek ten aanzien van de loonstroken wordt als onvoldoende gespecificeerd afgewezen. Hetgeen hierna in de beslissing wordt toegewezen wordt geacht als zijnde in de eindafrekening verwerkt te zijn.

5.13

Als de deels in het ongelijk gestelde partij dient [verweerster] verwezen te worden in de kosten van het geding. Nu [verzoeker] procedeert op basis van een toevoeging blijven de verschotten beperkt tot het verschuldigde griffierecht.

6 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek [verweerster] te veroordelen tot betaling van het netto-equivalent van een bedrag van € 4.885,12 (bruto) in verband met het niet door [verweerster] in acht nemen van de termijn van opzegging (artikel 7:672 BW);

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het netto-equivalent van de transitievergoeding ad € 3.172,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het netto-equivalent van het bedrag

ad € 8.969,41 bruto ter zake van opgebouwde en niet-genoten vakantierechten, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 15% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster] tot afgifte aan [verzoeker] van een deugdelijke eindafrekening, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij nalatig zal zijn hieraan te voldoen, met ingang van de vijftiende na betekening van het vonnis, met een maximum van € 2.500,-;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verzoeker] begroot op

€ 81,- aan verschotten en € 780,- aan salaris voor de gemachtigde van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

495