Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8960

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
C/10/580097 / FA RK 19-7012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De vrouw heeft een fulltime dienstverband terwijl de man niet werkt. Dit gegeven is op zich onvoldoende om de man als hoofdverzorger aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/580097 / FA RK 19-7012

Beschikking van 18 oktober 2019 betreffende voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

advocaat mr. M.J.J.A. Ooms te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

advocaat mr. P.V. Hübner te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de man, ingekomen op 14 augustus 2019;

  • -

    de twee faxberichten met bijlage(n), beide van 3 oktober 2019, van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 3 oktober 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 oktober 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam] .

1.3.

Na de behandeling heeft de vrouw, zoals ter zitting is besproken, nog een kopie van de huwelijksakte van partijen toegestuurd.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op 28 juli 2011 te Tianjin, China, met elkaar gehuwd.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2014 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.3.

De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan.

3. De beoordeling

3.1.

Uit de BRP-registraties van partijen blijkt niet dat zij gehuwd zijn. Volgens de vrouw is de oorzaak daarvan in de praktische sfeer gelegen. Met de nagezonden (kopie van de) huwelijksakte van partijen maakt de vrouw aannemelijk dat tussen hen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, zodat zij ontvangen worden in hun verzoeken.

3.2.

Toevertrouwing van de minderjarige

3.2.1.

Partijen verzoeken beiden de minderjarige aan haar respectievelijk aan hem toe te vertrouwen.

3.2.2.

De rechtbank acht het, met de raad, in het belang van de minderjarige dat hij wordt toevertrouwd aan de ouder die tot op heden diens hoofdverzorger was. Zowel de vrouw als de man stelt die ouder te zijn. De wederzijdse lezingen over de wijze waarop partijen hun gezinsleven tot het feitelijk uiteengaan hadden ingericht, lopen sterk uiteen.

3.2.3.

De vrouw heeft een fulltime dienstverband terwijl de man niet werkt. Dit gegeven is op zich onvoldoende om de man als hoofdverzorger aan te merken. Onweersproken is dat de vrouw voor haar vader werkt en haar werkzaamheden vanuit huis verricht.

Uit een door de vrouw in het geding gebrachte brief van de directeur van de basisschool van de minderjarige blijkt dat de vrouw degene is die de minderjarige naar school brengt en hem daar ophaalt, de ouderavonden bezoekt en bij schoolactiviteiten aanwezig is. De man, daarentegen, is nog nooit op school gezien.

De vrouw heeft een overzicht gemaakt van de reizen van de man naar China in de afgelopen drie jaar. Het gaat om zes reizen, in duur variërend van twee weken tot drie maanden. De man is er – desgevraagd – niet in geslaagd te duiden hoe deze reizen zich verhouden tot de rol van hoofdverzorger van de minderjarige.

3.2.4.

De vrouw maakt op grond van het vorenstaande aannemelijk dat zij hoofdverzorger van de minderjarige is. Het is dan ook in diens belang dat hij aan de vrouw zal worden toevertrouwd. Het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen, onder afwijzing van het verzoek van de man op dit punt.

3.3.

Woning

3.3.1.

Partijen verzoeken beiden met uitsluiting van de ander gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning.

3.3.2.

Gezien de omstandigheid dat de vrouw de dagelijkse zorg heeft over de minderjarige en hun huidige verblijfplaats – een privéruimte van een beautysalon –

daarvoor ongeschikt is, is het belang van de vrouw bij het gebruik van de echtelijke woning in ieder geval op de lange termijn groter dan het belang van de man daarbij. Voor de korte termijn is van belang dat de man onweersproken stelt dat hij nergens naar toe kan en geen bron van inkomsten heeft. Op grond van de redelijkheid en billijkheid zal de rechtbank daarom 8 november 2019 bepalen als datum voor het ingaan van het recht tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Dit stelt de man nog enigszins in de gelegenheid maatregelen te treffen voor het moment waarop hij de woning niet meer mag gebruiken.

3.3.3.

Omdat in het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning mede is begrepen het gebruik van de tot die woning behorende inboedel, behoeft dit onderdeel van het verzoek van de vrouw geen afzonderlijke beslissing.

3.4.

Zorgregeling

3.4.1.

De man verzoekt – subsidiair, voor het geval de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd – een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen.

3.4.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.4.3.

De man betwist dat er een risico is dat hij de minderjarige zal meenemen naar China, zoals de vrouw vreest, maar is bereid om in het kader van de zorgregeling zijn paspoort aan de vrouw af te geven. De regeling die de man verzoekt, laat de vrouw onweersproken. De rechtbank zal om die reden overeenkomstig het verzoek beslissen.

Voor de volledigheid vermeldt de rechtbank daarbij dat de vrouw ter zitting heeft toegezegd dat de omgang, ook in de situatie dat zij het uitsluitend gebruik van de woning heeft, kan plaatsvinden in de woning zolang de man nog niet over zelfstandige woonruimte beschikt.

3.5.

Onderhoudsbijdragen

3.5.1.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) met een bedrag van

€ 225,- per maand, alsmede dat zij moet bijdragen in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) met een bedrag van € 500,- per maand.

3.5.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.5.3.

Het verzoek om een kinderbijdrage wordt afgewezen omdat de minderjarige aan de vrouw zal worden toevertrouwd.

3.5.4.

Ten aanzien van de partnerbijdrage overweegt de rechtbank het volgende.

Behoefte

3.5.5.

De man heeft geen inkomsten. Dat hij behoefte heeft aan een partnerbijdrage van

€ 500,- per maand staat niet ter discussie.

Draagkrachtberekening

3.5.6.

De vrouw betwist dat zij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.

3.5.7.

De rechtbank zal de draagkracht van de vrouw berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport).

3.5.8.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2019 op € 1.960,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 2.006,-

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting.

3.5.9.

Het belastbare inkomen uit eigen woning van de vrouw bedraagt € 3.573,- per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 939,- verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 4.512,-.

3.5.10.

De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de vrouw de navolgende, niet betwiste maandelijkse lasten in mindering op het hiervoor berekende netto besteedbaar inkomen:

  • -

    Het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 1.030,-.

  • -

    De woonlasten van € 514,-, bestaande uit de rentebetaling in verband met de hypotheek gevestigd op de voormalige echtelijke woning van € 376,-, de aflossing van € 269,- en de overige eigenaarslasten, die worden gesteld op € 95,-, verminderd met de gemiddelde basishuur van € 226,-.

  • -

    De ziektekosten van € 81,-, bestaande uit de premie voor een zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekeringen, van € 166,-, verminderd met het al in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 35,- en de zorgtoeslag van € 82,- en vermeerderd met het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden van € 32,-;

  • -

    Het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarige bedraagt € 184,- per maand.

Conclusie

3.5.11.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw een draagkrachtruimte resteert voor betaling van een uitkering tot levensonderhoud van de man van € 27,- per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

3.6.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de vrouw met ingang van 8 november 2019 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] ;

4.2.

bepaalt dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd, waarbij de vrouw krachtens artikel 812 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van rechtswege het recht heeft tot het aan haar doen afgeven van de minderjarige, zonodig met behulp van de sterke arm;

4.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zolang de man nog niet over zelfstandige woonruimte zal beschikken, als volgt zal zijn:

de minderjarige zal iedere week een woensdagmiddag en een zaterdag of zondag met de man doorbrengen;

4.4.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vanaf het moment dat de man over zelfstandige woonruimte zal beschikken, als volgt zal zijn:

de minderjarige zal iedere woensdagavond en een weekend per twee weken bij de man doorbrengen alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

4.5.

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man zal verstrekken van € 27,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Ligthart op 18 oktober 2019.