Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8958

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
10/710133-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kofferbakmoord Oostvoorne

Gevangenisstraf 15 jaar met aftrek voorarrest

Slachtoffer levend in haar eigen auto verbrand. Daarna met haar bankpas gepind.

Moord en mededaderschap bij pinnen bewezen.

Bewijs daderschap verdachte gebaseerd op getuigenverklaringen over uitlatingen verdachte en DNA-spoor verdachte in stropdas die om polsen slachtoffer zat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/710133-06

Datum uitspraak: 19 november 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] , op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadslieden mrs. P.J. Hoogendam, D.J.G.J. Cornelissen en J.W. Grift, allen advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek terechtzitting

Het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen op 20 december 2007 en vervolgens voortgezet op 18 maart 2008 en 3 juni 2008. Het onderzoek op de terechtzitting is daarna opnieuw aangevangen op 1 november 2017 en voortgezet op 23 januari 2018, 17 april 2018, 22 mei 2018, 20 augustus 2018, 8 januari 2019, 2 april 2019, 18 april 2019, 15 mei 2019,

13 september 2019, 16 september 2019, 19 september 2019, 23 september 2019,

30 september 2019, 8 oktober 2019 en 5 november 2019.

Op de terechtzitting van 13 september 2019 is het openbaar ministerie ten aanzien van de onder 3 subsidiair impliciet subsidiair (schuldheling), 4 (vernieling/beschadiging/ onbruikbaar maken van goederen) en 7 (vernieling/beschadiging/onbruikbaar maken van goederen) ten laste gelegde feiten niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het verstrijken van de absolute verjaringstermijn.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis openbaar ministerie

De officieren van justitie mrs. M. Luijpen en N. Klip hebben gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 primair (diefstal), 6 (bedrijfsinbraak) en 8 (diefstal) ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair (medeplegen van moord), 2 (diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel), 3 subsidiair impliciet primair (opzetheling) en 5 (brandstichting met gevaar voor goederen) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar, met aftrek van voorarrest;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

4 Beroep partiële nietigheid dagvaarding feit 8

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde feit een beroep gedaan op de partiële nietigheid van de dagvaarding, omdat in de tenlastelegging de diefstal van een autoradio is opgenomen, terwijl in de aangifte de diefstal van twee autoradio’s wordt genoemd en niet duidelijk is op welke van die twee autoradio’s wordt gedoeld.

Dit verweer is een herhaling van een eerder gevoerd preliminiar verweer. Dat verweer is verworpen om de volgende redenen. Onder 8 is ten laste gelegd, voor zover thans van belang, dat is weggenomen: het bedieningsfront van een autoradio CD combinatie. De aangifte met betrekking tot het onder 8 tenlastegelegde feit houdt - kort gezegd - in dat uit het voertuig met het kenteken [kentekennummer 1] de ingebouwde autoradio is weggenomen en voorts dat uit het voertuig met het kenteken [kentekennummer 2] het bedieningsfront van de ingebouwde autoradio CD combinatie is weggenomen. Wanneer de tenlastelegging wordt bezien tegen de achtergrond van die aangifte is voldoende duidelijk dat deze het oog heeft op (het bedieningsfront van) laatstbedoelde autoradio.

Aan het (opnieuw gevoerde) verweer zijn dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan het preliminiare verweer. De rechtbank is intussen niet tot nieuwe inzichten gekomen. Het verweer wordt daarom op dezelfde gronden verworpen als het preliminaire verweer.

5 Beroep niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie (feiten 3, 5, 6 en 8)

De verdediging heeft ten aanzien van de onder 3 (primair en subsidiair impliciet primair), 5, 6 en 8 tenlastegelegde feiten, welke feiten zouden zijn gepleegd in 2003 of 2005, een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens een grove mate van overschrijding van de redelijke termijn van berechting waardoor de verdachte zich niet op een adequate en effectieve wijze kan verdedigen en daarom sprake is van schending van artikel 6 EVRM.

Dit verweer is een herhaling van een eerder gevoerd preliminiar verweer. Dat verweer is verworpen om de volgende redenen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn van berechting en daarmee van schending van artikel 6, eerste lid EVRM onder omstandigheden kan worden gecompenseerd door strafvermindering.

Hoewel in dit geval sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank geen reden om van bovengenoemd uitgangspunt af te wijken. Op zichzelf is juist dat er in de tussendtijd geen nadere onderzoekshandelingen naar deze (door de verdachte ontkende) feiten hebben plaatsgevonden, hoewel daartoe ten aanzien van feit 5 zoals aangevoerd, wel mogelijkheden bestonden. Nog daargelaten dat de verdediging ook zelf niet heeft gevraagd om die onderzoekshandelingen, staat dit niet aan een eerlijke berechting van de verdachte in de weg, nu het niet verricht zijn van die onderzoekshandelingen betrokken kan worden bij de verdere beoordeling van de hier aan de orde zijnde feiten, meer in het bijzonder de hierna te beantwoorden vraag of die feiten kunnen worden bewezen.

Aan het (opnieuw gevoerde) verweer zijn dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd als aan het preliminiare verweer. De rechtbank is intussen niet tot nieuwe inzichten gekomen. Het verweer wordt daarom op dezelfde gronden verworpen als het preliminaire verweer.

6 Bewijsmiddelen daderschap feiten 1 en 2

6.1.


De volgende feiten en omstandigheden worden op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan.

Op 3 september 2005 is aan het Kruininger Gors te Oostvoorne, nabij de Kogeloven parkeerplaats, een in brand staande auto aangetroffen. Na het blussen van de brand werd in de kofferbak van de auto het levenloze en grotendeels verbrande lichaam aangetroffen van de in de tenlastelegging genoemde Caroline J. van Toledo (hierna: het slachtoffer). De armen van het slachtoffer bevonden zich achter haar rug en om haar polsen zaten een stuk textiel (een stropdas), de restanten van tape en een deel van een kabelbinder. De auto waarin zij is aangetroffen was eigendom van het slachtoffer en van het merk Opel Astra. De melding van de brand van de auto was rond 06.22 uur.

Diezelfde ochtend heeft ook brand gewoed in de woning van het slachtoffer aan de [adres slachtoffer] . De melding van die brand is binnengekomen rond 05.58 uur. De auto van het slachtoffer stond bij de komst van de brandweer niet meer, zoals gebruikelijk, geparkeerd bij haar woning. Het slachtoffer was ook niet in de woning aanwezig. De hond van het slachtoffer stond met zijn riem vastgezet aan een stapel pallets op ongeveer 200 meter van de woning. De afstand tussen de woning van het slachtoffer en het Kruininger Gors bedraagt ongeveer 4,6 kilometer.

Op of omstreeks 07.16 uur die ochtend is door iemand anders dan het slachtoffer, namelijk door een man, met de bankpas van het slachtoffer onbevoegdelijk € 350,- van haar rekening gepind bij de Rabobank aan het Raadhuisplein te Rozenburg.

Voor het bewijs dat de verdachte als (mede)dader betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer en bij het pinnen met haar bankpas wordt gebruik gemaakt van onder meer

de volgende getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen:

a. de op de terechtzitting afgelegde verklaring van de getuige [getuige S.]

b. de op de terechtzitting afgelegde verklaring van getuige [getuige de J. (1)]

c. het proces-verbaal met de verklaring van de anonieme, bedreigde getuige

d. de processen-verbaal met de verklaring van getuige [getuige L.]

e. het proces-verbaal met de verklaring van getuige [getuige van B.]

f. de resultaten van het DNA-onderzoek naar het spoor in de stropdas om de polsen van het

slachtoffer

g. de onderzoeksresultaten met betrekking tot de kabelbinders

h. de onderzoeksresultaten met betrekking tot (de kleding van) de pinner
i. de onderzoeksresultaten met betrekking tot het OVC-gesprek van 4 februari 2007 waarin

het pinbedrag van € 350,- wordt genoemd
j. het proces-verbaal met de verklaring van getuige [getuige C.] .

6.3.


Hierna worden de verweren besproken die de verdediging tegen deze voor het bewijs te gebruiken getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen heeft gevoerd.

Getuigenverklaringen algemeen

Voordat wordt overgegaan tot bespreking van de getuigenverklaringen wordt voorop gesteld dat deze zaak (de gewelddadige dood van het slachtoffer en het onbevoegdelijk pinnen met haar bankpas) een coldcase-zaak betreft die in 2005, maar ook in de jaren daarna, veel media-aandacht heeft gekregen. Verder is het zo dat de feiten zijn gepleegd binnen een kleine gemeenschap op Voorne-Putten waar inwoners logischerwijs veel met elkaar hebben gesproken over deze zeer ernstige zaak. Deze omstandigheden hebben de rechtbank ertoe genoopt kritisch te zijn ten aanzien van de verklaringen van getuigen, temeer nu een aantal van hen heeft verklaard over wat zij van de verdachte - soms enkele jaren later - hebben vernomen. Een aantal getuigen zou toen bovendien onder invloed van alcohol of verdovende middelen zijn geweest. De rechtbank heeft zich gerealiseerd dat met dergelijke verklaringen behoedzaam moet worden omgegaan waar het de betrouwbaarheid en validiteit van die getuigenverklaringen betreft. Anders dan de verdediging in sommige gevallen heeft gesteld dient dit echter niet zo ver te gaan dat die verklaringen om deze redenen reeds op voorhand onbetrouwbaar en daarmee onbruikbaar voor het bewijs zijn.

Verklaring getuige [getuige S.] (hierna: [getuige S.] )

[getuige S.] is door de politie als getuige ondervraagd op 30 juli 2007, 7 augustus 2007,

10 september 2012 en 15 september 2015. Tevens heeft hij een getuigenverklaring afgelegd bij de rechter-commisaris op 20 juli 2018 en is hij op de terechtzitting van

13 september 2019 onder ede als getuige gehoord.

De verklaring die [getuige S.] op 15 september 2015 tegen de politie heeft afgelegd houdt - kort gezegd - onder meer het volgende in: de verdachte vertelde hem in 2012 dat hij het slachtoffer had vermoord, dat hij het had gedaan, dat hij was overlopen en door haar was herkend en dat hij haar een paar ketsen had gegeven. De hond had hem gegrepen en hij had deze een paar rotschoppen gegeven en vastgebonden aan een boom. De verdachte vertelde dat hij niet alleen was, maar vertelde niet met wie hij was.

Tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris op 20 juli 2018 heeft [getuige S.] herhaald dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij de moord had gepleegd. Dat was in juni of juli 2012. De verdachte vertelde dat hij een alibi had voor die nacht. Toen [getuige S.] hem vroeg waarom hij die naam (de naam van degene die hem een alibi kon verschaffen) niet gewoon noemde kwam de verdachte er niet meer uit en zei hj tegen [getuige S.] de letterlijke woorden: “tuurlijk heb ik het gedaan, maar laat ze het maar bewijzen”.

Op de terechzitting van 13 september 2019 heeft [getuige S.] bevestigd dat de verdachte dit tegen hem heeft gezegd.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige S.] onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het roept volgens de verdediging vragen op waarom [getuige S.] pas op 15 september 2015 voor het eerst heeft verklaard over de bekentenis die de verdachte tegen hem zou hebben gedaan, terwijl [getuige S.] dit al op 3 juli 2012 (dus ruim drie jaar eerder) van de verdachte had gehoord. [getuige S.] heeft bovendien niet over die bekentenis gesproken tijdens het opnemen van zijn aangifte ter zake van bedreiging door de verdachte op 10 september 2012, terwijl hij toen wel heeft verklaard over het valse alibi waarover de verdachte met hem had gesproken. De verklaring van [getuige S.] op de terechtzitting dat hij het tijdens dat gesprek misschien wèl over de bekentenis van de verdachte heeft gehad maar dat dit niet is opgenomen in het proces-verbaal, bevestigt de onbetrouwbaarheid van [getuige S.] .

Ook is merkwaardig dat [getuige S.] op 20 juli 2018 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij tijdens het verhoor door de politie op 15 september 2015 uitsluitend heeft gezegd dat de verdachte tegen hem heeft gezegd “dat hij het gedaan had en dat ze het maar moesten bewijzen”, meer niet. Uit het proces-verbaal van het verhoor van [getuige S.] van 15 september 2015 blijkt wat anders. Dat proces-verbaal houdt namelijk in dat [getuige S.] tijdens dit verhoor heeft verklaard dat de verdachte, behalve die aangehaalde ene zin, nog meer dingen over de moord tegen hem heeft verteld, zoals onder andere over de hond van het slachtoffer. De verklaring van [getuige S.] op de terechtzitting dat dit komt omdat hij er bij de rechter-commissaris op een gegeven moment geen zin meer in had is pure nonsens. Voorts is nog aangevoerd dat er andere beweegredenen van [getuige S.] kunnen zijn (frustratie/boosheid naar de verdachte, het ontvangen van tipgeld, (media-)aandacht) voor het afleggen van valse, belastende verklaringen over de verdachte.

Dit verweer wordt verwopen.

[getuige S.] heeft bij de rechter-commissaris en ook op de terechtzitting verklaard waarom hij pas in 2015 en niet meteen in 2012 alles wat hij van de verdachte over de moord had gehoord aan de politie heeft verteld. Dat komt er op neer dat hij er eerst niet helemaal zeker van was of wat de verdachte hem had verteld waar was, dan wel slechts cynisch of sarcastisch was bedoeld. Verder speelde mee dat hij, net als de verdachte, zelf ook een strafrechtelijk verleden heeft en hij de politie niet vertrouwt en de politie hem vaak ook niet vertrouwt. Als de verdachte zou ontkennen dan zou bovendien sprake zijn geweest van een ‘één-op-één verklaring’, de ontkennende verklaring van de verdachte tegenover zijn verklaring. Later hoorde [getuige S.] van [getuige de J. (1)] , dat de verdachte ook tegen haar een uitspraak had gedaan over zijn betrokkenheid bij de moord. Na het zien van de uitzending van Opsporing Verzocht van 8 september 2015, waarin details over de moord naar voren kwamen die hij niet eerder in de media had gehoord maar waarover de verdachte ook tegen hem had gesproken, zoals over de hond van het slachtoffer, hebben [getuige de J. (1)] en hij besloten om allebei naar de politie te gaan om te vertellen wat zij wisten.

Deze verklaring van [getuige S.] over de redenen waarom hij pas later over de bekentenis van de verdachte heeft verklaard zijn naar het oordeel van de rechtbank invoelbaar en plausibel. Hierin wordt dan ook geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [getuige S.] over die bekentenis.

Er is ook geen reden om aan die verklaring van [getuige S.] te twijfelen vanwege het feit dat hij tegenover de rechter-commissaris - naar zijn zeggen later op de terechtzitting, in strijd met de waarheid - heeft verklaard dat de verdachte uitsluitend de zin met de bekentenis tegen hem heeft geuit en niet ook nog de verdere details die hij in zijn verklaring van 15 september 2015 heeft genoemd. Tijdens het verhoor door de rechter-commissaris heeft [getuige S.] verklaard dat hij in 2015 de waarheid heeft verklaard en dat die ene zin hem het meest was bijgebleven van het gesprek met de verdachte. Hij heeft op de terechtzitting verklaard dat hij tijdens het verhoor door de rechter-commissaris heeft ontkend dat hij ook nog verdere details van de verdachte had vernomen, omdat het verhoor bij de rechter-commissaris lang duurde en hij veel vragen moest beantwoorden. Op een gegeven moment had hij daar geen zin meer in en werd het hem te veel, ook omdat hij niet had verwacht dat zijn verklaring zo’n cruciale rol zou kunnen spelen in de onderhavige zaak. Ditzelfde beeld heeft de verdachte laten zien tijdens zijn ondervraging op de terechtzitting.

Dat [getuige S.] heeft verklaard onder de toezegging dat hij tipgeld zou ontvangen is niet aannemelijk geworden. Ook eventuele boosheid of frustratie van [getuige S.] jegens de verdachte omdat deze hem naar zijn zeggen in 2012 met een wapen had bedreigd en tevens brand had gesticht in zijn woning, is voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de hiervoor weergegeven kern van de verklaringen van [getuige S.] over de bekentenis van de verdachte tegen hem dat hij de moord op het slachtoffer heeft gepleegd.

Die verklaringen van [getuige S.] zijn betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. In de bewijsmotivering wordt hierop nog verder ingegaan.

Verklaring getuige [getuige de J. (1)] (hierna: [getuige de J. (1)] )

[getuige de J. (1)] heeft achtereenvolgens verklaringen afgelegd op 11 september 2015 (tegenover de politie), op 29 augustus 2018 (ten overstaan van de rechter-commissaris) en op

13 september 2019 (onder ede op de terechtzitting).

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige de J. (1)] onbetrouwbaar zijn, omdat zij is beïnvloed door [getuige S.] , met wie zij na de uitzending van Opsporing Verzocht van 8 september 2015 afsprak om naar de politie te gaan om beiden hun verhaal te doen over deze zaak. Bovendien heeft [getuige S.] haar voorafgaande aan haar verhoor door de rechter-commissaris op 29 augustus 2018 herhaaldelijk over deze zaak en wat zij zou moeten verklaren benaderd. Voorts zijn de verklaringen die [getuige de J. (1)] bij de politie, de rechter-commissaris en op de terechtzitting heeft afgelegd op een aantal punten inconsistent en op sommige punten niet in overeenstemming met wat [getuige S.] heeft verklaard.

Dit verweer wordt verworpen.

De verklaringen van [getuige de J. (1)] komen er in de kern op neer dat de verdachte in 2014 bij haar thuis, toen hij kwaad op haar was, tegen haar heeft gezegd dat zij een moordenaar in huis had. De verdachte doelde daarmee op zichzelf. Zij heeft daarover bij de politie verklaard en die verklaring later herhaald tegenover de rechter-commissaris en vervolgens onder ede tijdens haar verhoor op de terechtzitting.

Niet aannemelijk is dat [getuige de J. (1)] door haar contacten met [getuige S.] zodanig is beïnvloed dat er van moet woren uitgegaan dat haar verklaringen niet in overeenstemming zijn met de waarheid.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige de J. (1)] inconsistent zijn wat betreft de reden van de kwaadheid van de verdachte. Die stelling mist feitelijke grondslag. Zowel uit de verklaring die [getuige de J. (1)] tegenover de politie heeft afgelegd als uit haar verklaring tegenover de rechter-commissaris volgt dat die boosheid van de verdachte verband hield met het feit dat [getuige de J. (1)] de verdachte er mee confronteerde dat hij spullen (in ieder geval ringen) van haar had gestolen. Op de terechtzitting heeft zij dit herhaald. Van een noemenswaardige inconsistentie tussen de verklaringen omtrent dit punt is geen sprake.

Ook het feit dat [getuige de J. (1)] , anders dan tijdens haar verhoor door de rechter-commissaris, bij de politie niet heeft verteld dat de verdachte ook nog tegen haar heeft gezegd dat hij hoopte dat de ouders van het slachtoffer snel zouden komen te overlijden zodat hij er dan minder last van zou hebben, levert geen reden op om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [getuige de J. (1)] . Daarbij wordt opgemerkt dat het verhoor door de politie (vastgelegd in één pagina) in vergelijking met het verhoor door de rechter-commissrais (vastgelegd in vijf pagina’s) veel minder uitgebreid is geweest. In ieder geval wordt in het feit dat [getuige de J. (1)] over dit laatste niet heeft gesproken tijdens haar verhoor door de politie geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de kern van haar verklaring dat ze uit de mond van de verdachte heeft gehoord dat zij een moordenaar in huis had.

Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige de J. (1)] doet ook niet af dat de verklaringen van [getuige de J. (1)] en [getuige S.] verschillen wat betreft de duur en status van de omgang die zij destijds met elkaar hebben gehad (al dan niet een relatie). Evenmin is gebleken van - zoals de verdediging heeft gesteld - ‘niet-zuivere motieven’ bij [getuige de J. (1)] om de verdachte in een kwaad daglicht te stellen.

De verklaring van [getuige de J. (1)] is bruikbaar voor het bewijs. In de bewijsmotivering wordt hierop nog verder ingegaan.

Verklaring anonieme, bedreigde getuige
Inleiding
Bij beschikking van 27 maart 2019 heeft de rechter-commissaris op vordering van de CI-officier van justitie aan deze getuige de status van bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv verleend. Tegen deze beslissing is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 4 april 2019 heeft de meervoudige raadkamer het hoger beroep afgewezen.

De rechter-commissaris heeft vervolgens op 26 april 2019 gemotiveerd beslist dat zij de getuige, zoals haar oorspronkelijke plan was, niet op de gebruikelijke manier zou horen, maar dat het verhoor zou plaatsvinden buiten tegenwoordigheid van de officieren van justitie en de verdediging, die allen uitsluitend schriftelijke vragen aan de getuige mochten opgeven. De rechter-commissaris vond deze werkwijze noodzakelijk vanwege de afscherming van de identiteit van de getuige. De verdediging en de officieren van justitie hebben hun vragen aan de getuige tevoren schriftelijk ingediend bij de rechter-commissaris. Daarna heeft de rechter-commissaris de getuige tweemaal gehoord. Deze verhoren hebben dus buiten aanwezigheid van de officieren van justitie en de verdediging plaatsgevonden. Bij de verhoren van de getuige waren wel aanwezig twee rechercheurs van het Team bijzondere getuigen en de raadsman van de getuige.

Van de verhoren zijn niet-gedateerde processen-verbaal van verhoor en vervolg verhoor opgemaakt. De processen-verbaal houden in als relaas van de rechter-commissaris: alle opgegeven vragen zijn aan de getuige gesteld en door de getuige beantwoord. De antwoorden zijn in de processen-verbaal weergegeven voor zover de noodzakelijke afscherming van de identiteit van de getuige dat toelaat. Geprobeerd is zoveel mogelijk van de antwoorden van de getuige in de netto-verklaringen op te nemen. De verklaringen van de getuige zijn buiten aanwezigheid van de getuige door de rechter-commissaris opgemaakt. Deze ‘concept netto-verklaringen’ zijn vervolgens voorgelegd aan de getuige voor een check op de juistheid van de weergave en tevens aan de twee rechercheurs en de raadsman van de getuige voor een advies over de afscherming van de identiteit van de getuige. Op een later moment heeft de rechter-commissaris de concept netto-verklaringen voorgelegd aan de CI-officier, aangezien hij niet aanwezig was bij de verhoren, waarna de rechter-commissaris nog één zin heeft geschrapt uit één van de concepten.

Op 20 mei 2018 heeft de rechter-commissaris een proces-verbaal als bedoeld in artikel 226e Sv opgemaakt waarin zij rekenschap aflegt omtrent de betrouwbaarheid van de getuige.

In de kern heeft de getuige verklaard lange tijd geleden van de verdachte over de dood van het slachtoffer het volgende te hebben gehoord. [betrokkene K.] en [betrokkene van M.] zijn naar de woning van het slachtoffer gegaan om te stelen. Het slachtoffer heeft hen betrapt. In de woning is het slachtoffer geslagen. De verdachte is gebeld door [betrokkene K.] en [betrokkene van M.] . De verdachte is met de auto naar de woning van het slachtoffer gegaan. De verdachte heeft [betrokkene van M.] en [betrokkene K.] weggestuurd naar Rozenburg en zelf ‘de rommel opgeruimd’. [betrokkene K.] en [betrokkene van M.] zijn met de auto van de verdachte naar Rozenburg gegaan. De verdachte heeft het slachtoffer in de kofferbak van haar auto gedaan en is met die auto naar de Brielse Maas gegaan. De verdachte heeft daar de auto van het slachtoffer in brand gestoken. De verdachte heeft gemerkt dat het slachtoffer tijdens de brand nog leefde.

Standpunt van de verdediging
Primair is aangevoerd dat de rechter-commissaris de getuige ten onrechte de status van bedreigde getuige heeft toegekend. Zij heeft nagelaten de getuige zelf kritisch te ondervragen over waaruit de beweerdelijke bedreiging concreet bestond en ook verder de bedreiging niet zelfstandig onderzocht. Evenmin heeft de rechter-commissaris onderzocht of de vrees van de getuige aannemelijk was en of er een causaal verband aanwezig was tussen de beweerdelijke bedreiging en de weigering van de getuige om anders dan anoniem een verklaring af te leggen. De rechter-commissaris is louter afgegaan op de door de CI-officier van justitie verstrekte en door hem toegelichte algemene (oude) gegevens waaruit de reputatie van de verdachte zou blijken, maar waaruit niet blijkt van een dreiging naar de getuige.

Voorts is aangevoerd dat de wijze van horen van de bedreigde getuige niet juist is geweest, nu er eerst sprake zou zijn van het horen van de getuige via telehoren, terwijl er later zonder toereikende motivering door de rechter-commissaris voor is gekozen om de getuige buiten aanwezigheid van de verdediging te horen en deze slechts in de gelegenheid is gesteld schriftelijke vragen op te geven, welke vragen niet allemaal aan de getuige zijn gesteld. Verder is ontoelaatbaar dat de rechter-commissaris wel een tweetal rechercheurs, in strijd met de wettelijke voorschriften en zonder noodzaak daartoe, bij het verhoor van de getuige aanwezig heeft laten zijn. Ook heeft de rechter-commissaris de CI-officier van justitie advies gevraagd over de conceptverklaring van de getuige en op zijn voorstel daaruit nog een zin geschrapt. Het openbaar ministerie heeft hierdoor veel meer controle uitgeoefend op het verhoor van de getuige dan de verdediging. Als gevolg van de handelwijze van de rechter-commissaris is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim en is het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden. De verklaring van de bedreigde getuige kan daarom niet meewerken aan het bewijs.

Indien niet kan worden vastgesteld wat de precieze rol en bijdrage is geweest van de rechercheurs die bij het verhoor aanwezig waren en/of daarbij door de rechter-commissaris alle wettelijke voorschriften in acht zijn genomen, wordt het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de rechter-commissaris mr. A. Buizer en de beide rechercheurs.


Subsidiair is aangevoerd dat de verklaring van de anonieme getuige niet betrouwbaar is en niet kan meewerken aan het bewijs. De inhoud van de verklaring, die door de verdachte wordt betwist, vindt geen steun in objectieve gegevens in het dossier, is op onderdelen innerlijk tegenstrijdig, verdraagt zich niet met de verklaring van de uiterst betrouwbare getuige [getuige C.] en de verklaring is bovendien niet uniek omdat hetzelfde verhaal al in het dorp rond ging over andere personen.

Beoordeling primaire verweren
Met betrekking tot het primaire verweer tegen de toekenning aan de getuige van de status van anonieme bedreigde getuige wordt het volgende overwogen.

De wetgever heeft de beoordeling van de vraag of een persoon kan en moet worden aangemerkt als bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Sv exclusief opgedragen aan de rechter-commissaris en de vraag of die status terecht is toegekend willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter. Dit is anders indien aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter-commissaris gegeven bevel dat bij het verhoor van de getuige de identiteit verborgen wordt gehouden zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking van de resultaten van het nadien gehouden verhoor op gespannen voet komt te staan met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM (vgl. HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:666; HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1664).

In de beschikking van de raadkamer van deze rechtbank, rechtdoende op het tegen de beschikking van de rechter-commissaris ingestelde hoger beroep, zijn de bezwaren die door de verdediging thans opnieuw naar voren zijn gebracht gemotiveerd verworpen. De raadkamer van de rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat aan de totstandkoming van de beschikking van de rechter-commissaris geen wettelijke gebreken kleven. In dat verband is onder meer overwogen dat daarvoor niet is vereist dat de getuige zelf wordt gehoord over de beweerdelijke bedreiging. Voorts heeft de raadkamer, net als de rechter-commissaris, de dreiging ten aanzien van de getuige voldoende aannemelijk en objectiveerbaar geacht en tevens vastgesteld dat er causaal verband bestaat tussen de dreiging en de weigering van de getuige om anders dan anoniem te verklaren. Het hoger beroep is daarom afgewezen.

De verdediging heeft geen andere punten genoemd waardoor geoordeeld zou moeten worden dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van de beschikking van de rechter-commissaris fundamentele gebreken kleven.

Dit verweer wordt daarom verworpen.

Het (eveneens) primaire verweer over (de wijze van) het verhoor van de bedreigde getuige slaagt evenmin.

Evident is dat het recht van de verdediging om het ondervragingsrecht uit te oefenen zo min mogelijk ingeperkt moet worden. Uit de door de rechter-commissaris opgemaakte stukken (de beslissing van 26 april 2019 en de niet-gedateerde processen-verbaal van verhoor en vervolg verhoor van de anonieme getuige) blijkt genoegzaam dat de noodzakelijke afscherming van de identiteit van de getuige er uiteindelijk de reden van is geweest dat de verhoren niet via telehoren maar buiten aanwezigheid van de verdediging en het openbaar ministerie op basis van schriftelijke vragen hebben plaatsgevonden. Voorts blijkt uit die stukken dat - tijdens beide verhoren tezamen - alle vragen van de verdediging en het openbaar ministerie aan de getuige zijn gesteld, dat deze door de getuige zijn beantwoord en dat alle gegeven antwoorden in de processen-verbaal zijn weergegeven, voor zover de afscherming van de identiteit van de getuige dat toeliet. Er is geen enkele reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

Ook het verweer over de aanwezigheid van de twee rechercheurs bij het verhoor van de bedreigde getuige wordt verworpen.

De bedoelde rechercheurs maken deel uit van het Team bijzondere getuigen, niet van het onderzoeksteam in deze zaak. De processen-verbaal van de rechter-commissaris houden in dat de rol van deze rechercheurs is geweest het de rechter-commissaris gevraagd of ongevraagd adviseren op het gebied van afscherming van de identiteit van de getuige. Met het oog op die afscherming heeft de rechter-commissaris de ‘concept netto-verklaringen’ van de getuige ter advisering aan de rechercheurs voorgelegd. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de rol van de rechercheurs anders is geweest dan door de rechter-commissaris in haar processen-verbaal is verwoord, mede gezien het team waarin de rechercheurs werkzaam zijn. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de rechercheurs alleen hebben gelet op de bescherming van de identiteit van de getuige, dat hun bemoeienis daartoe beperkt is gebleven en dat hun aanwezigheid niet van invloed is geweest op het verloop van de verhoren en evenmin op het in het oog houden van de bewijsgaring. Deze zaak verschilt in zoverre dan ook van de door de verdediging aangehaalde uitspraak van het Hof Den Bosch van 29 november 2001(ECLI:NL:GHSHE:2001:AD9978).

Onder de geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een schending van het bepaalde in artikel 226, eerste lid, laatste zin Sv, welk artikel dient ter voorkoming van strijd met het equality of arms-beginsel, in dit geval: dat er geen ongelijkheid mag zijn tussen het openbaar ministerie en de verdediging om op het getuigenverhoor zelf invloed en controle uit te oefenen.

In het verlengde hiervan ziet de rechtbank geen noodzaak om, zoals door de verdediging voorwaardelijk is verzocht, de beide rechercheurs en de rechter-commissaris als getuigen te horen. Die verzoeken worden afgewezen.

Het verweer over het feit dat de CI-officier van justitie op een later moment na het getuigenverhoor in de gelegenheid is gesteld de concept netto-verklaringen van de getuige door te lezen, waarna de rechter-commissaris één zin uit een verklaring heeft geschrapt, wordt op dezelfde gronden verworpen, nu vaststaat dat ook de rol van de CI-officier van justitie uitsluitend tot doel had de afscherming van de identiteit van de getuige. Deze werkwijze is ook niet ongebruikelijk, gelet op de door het LOVS op 2 juni 2017 landelijk vastgestelde “Werkafspraken over de bijzondere getuige in strafzaken”.

Beoordeling subsidiaire verweer

Het subsidiaire verweer omtrent de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaring van de bedreigde getuige wordt eveneens verworpen.

Zowel bij de CI-officier van justitie als onder ede bij de rechter-commissaris heeft de getuige verklaard over wat hij (of zij) van de verdachte heeft gehoord over diens betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer. De verklaringen van de getuige zijn wat betreft de hiervoor weergegeven kern van de verklaringen, consistent.

De verklaringen van de getuige over het precieze moment waarop de verdachte, naar zijn zeggen, zou hebben gemerkt dat het slachtoffer nog leefde zijn inderdaad, zoals door de verdediging is aangevoerd, wisselend en zullen daarom in zoverre niet voor het bewijs worden gebruikt. Dat maakt echter niet dat ook de rest van wat de getuige heeft verklaard niet betrouwbaar is.

De stelling van de verdediging dat de verklaringen van de getuige geen steun vinden in objectieve gegevens in het dossier mist feitelijke grondslag, zoals zal blijken uit onder meer de hierna in de bewijsmotivering nog te bespreken resultaten van het DNA-onderzoek naar het spoor in de stropdas om de polsen van het slachtoffer.


Mede gezien het door de rechter-commissaris gegeven oordeel dat zij geen reden heeft gezien om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuige, is de conclusie van een en ander dat de verklaring van de anonieme bedreigde getuige bruikbaar is voor het bewijs. In de bewijsmotivering wordt hierop nog verder ingegaan.


Verklaringen getuigen [getuige L.] en [getuige van B.]

[getuige L.] heeft tegenover de politie als getuige verklaringen afgelegd op 16 november 2015,
19 april 2006 en 26 april 2006. Daarna heeft hij tegenover de politie als verdachte verklaringen afgelegd op 16 (2x), 17, 18, 19 (3x), 24 augustus en 4 september 2006. Tevens heeft op 22 november 2006 nog een gesprek tussen [getuige L.] en de politie plaatsgevonden dat in een proces-verbaal is vastgelegd. [getuige L.] is niet door de rechter-commissaris en ook niet op de terechtzitting als getuige gehoord.

Tijdens zijn verhoren als verdachte heeft [getuige L.] belastend over de verdachte verklaard. Die belastende verklaringen van [getuige L.] houden - kort samengevat - onder meer het volgende in:

- Korte tijd nadat de moord op het slachtoffer had plaatsgevonden was ik op het strand in Rockanje. De verdachte was daar ook evenals een aantal anderen. Ik heb toen gehoord dat de verdachte, op een vraag van [betrokkene K.] waar hij was geweest, wat hij had gedaan, antwoordde dat hij, verdachte, was wezen barbecueën aan de Brielse Maas, dat het aardig fikte, dat dat wel goed gaat bij benzine, dat hij bij het rubber was begonnen, dat toen de kofferbak kwam en dat ze toen nog harder begon te gillen.

- Tevens heb ik gehoord dat de verdachte tegen mij en de anderen zei: “Hierover moeten jullie echt je bek houden, anders heb je ook een probleem”.

Voorts heeft [getuige L.] tijdens zijn verhoren ook nog verklaringen afgelegd die voor zowel de verdachte als zijn broer [betrokkene van M.] belastend zijn. Die belastende verklaringen van [getuige L.] houden - kort samengevat - het volgende in:

- Ik herken op de door mij getoonde bewegende beelden van de pinner (de persoon die met de pinpas van het slachtoffer heeft gepind) voor 100% [betrokkene van M.] . Daar twijfel ik niet over. [betrokkene S.] en [betrokkene K.] hebben de beelden van de pinner ook gezien en vertelden mij dat ook zij er hierdoor zeker van waren dat dit [betrokkene van M.] is.

- Ik heb van [betrokkene S.] gehoord dat hij enige tijd na het incident, toen hij op bezoek was in het huis van de ouders van de verdachte, had gehoord en gezien dat [betrokkene van M.] bij [naam verdachte] (de verdachte) in het oor fluisterde: "Waarvoor heb je mij nou laten pinnen, klootzak. Dat had je nooit moeten doen. Dat gaat nooit goed komen. Ze herkennen mij toch.”

[getuige L.] heeft de meeste van deze punten in zijn verklaringen diverse malen herhaald. Zijn verklaringen hierover zijn consistent. [betrokkene S.] heeft laatsgenoemde verklaringen van [getuige L.] ook in grote lijnen bevestigd. De verklaring van hetgeen de verdachte volgens [getuige L.] op het strand heeft gezegd wordt deels bevestigd door [getuige van B.] . Uit de verklaring van [getuige van B.] blijkt immers dat hij destijds op enig moment ook op het strand was, volgens zijn zeggen was dit op de maandag nadat het slachtoffer om het leven was gekomen. Hij heeft verklaard dat hij de verdachte toen heeft horen zeggen dat hij van het weekend had gebarbecued en spareribs had gegeten bij de Kogeloven. Uit de verklaring van [getuige van B.] wordt afgeleid dat hij begreep dat de verdachte hierbij refereerde aan de brand waarbij het slachtoffer om het leven was gekomen. [getuige van B.] vond dit een misselijke grap.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [getuige L.] met betrekking tot de opmerkingen van de verdachte over het barbecueën niet wordt bevestigd door [betrokkene K.] . Volgens [betrokkene K.] werd gedoeld op de barbecue die even daarvoor bij de verdachte thuis was gehouden. Getuige [getuige de J. (2)] heeft bevestigd dat er in augustus 2005 een barbecue bij de verdachte thuis had plaatsgevonden. Hij was daarvoor uitgenodigd door de verdachte en [getuige van B.] .

Hierin wordt evenwel geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de aangehaalde verklaringen van [getuige L.] . Dat verdachte doelde op een barbecue bij hem thuis verdraagt zich niet met zowel de verklaring van [getuige L.] als die van [getuige van B.] dat de verdachte het had over een barbecue aan de Brielse Maas/de Kogeloven en niet over een barbecue bij hem thuis.

Voor de voorts nog door de verdediging aangehaalde verklaringen van [getuige el Y.] en [betrokkene S.] , die ook op het strand aanwezig waren, inhoudende dat hij zich niet kan herinneren dat er over een barbecue is gesproken, respectievelijk dat er wel over barbecueën is gesproken maar niet over barbecueën bij het Kruininger Gors, geldt hetzelfde. Ook die verklaringen zijn geen reden om de verklaringen van [getuige L.] als onbetrouwbaar te bestempelen. Deze verklaringen sluiten immers niet uit dat [getuige L.] wel heeft gehoord waarover hij heeft verklaard.

Op zichzelf is juist dat, zoals door de verdediging is aangevoerd, [getuige L.] tijdens zijn verhoren als getuige niet belastend over de verdachte heeft verklaard, doch dit pas is gaan doen nadat hij zelf als verdachte werd aangemerkt. [getuige L.] heeft daarvoor echter een plausibele verklaring gegeven. Hij heeft verklaard dat hij aanvankelijk erg bang was om te verklaren vanwege de veiligheid van zijn familie: hij vreesde voor represailles. Verder hoopte hij toen nog dat de politie er zelf achter zou komen wie de daders waren. Omdat hij later van de politie heeft begrepen dat, behalve door hem, de pinner ook was herkend door anderen en hij van de politie tevens hoorde dat er ook werd meegewerkt aan het onderzoek door de persoon die een fleecetrui van de verdachte had gekregen lijkend op de fleecetrui die de pinner droeg en hij het voorts vanwege de ernst van de zaak inmiddels ook belangrijk vond dat de zaak werd opgelost, heeft hij besloten om alsnog te verklaren wat hij van deze zaak wist. Daar komt ook nog bij dat het niet zonder meer merkwaardig is dat wanneer tegen iemand - zoals [getuige L.] - de verdenking ontstaat van betrokkenheid bij een zeer ernstig strafbaar feit als waarvan hier sprake is en die verdenking door hem wordt ontkend, terwijl hij over informatie beschikt dat een ander mogelijk bij het delict betrokken is, er eerder aanleiding bestaat om openheid van zaken te geven dan wanneer die verdenking er nog niet is en hij nog uitsluitend als getuige wordt gehoord.

Conclusie van één en ander is dat de verklaringen van [getuige L.] en [getuige van B.] bruikbaar zijn voor het bewijs. In de bewijsmotivering wordt hierop nog verder ingegaan.

Het (voorwaardelijk) verzoek van de verdediging om [getuige L.] als getuige te horen, evenals [betrokkene R.] , die heeft verklaard dat [getuige L.] het zogenaamde strandverhaal ook tegen hem heeft verteld maar dat [getuige L.] een leugenaar is, wordt afgewezen. De rechtbank ziet, mede gezien het late stadium waarin dit verzoek is gedaan, geen noodzaak tot het horen van [getuige L.] en [betrokkene R.] .

Resultaten DNA-onderzoek textiel/tape om polsen slachtoffer

Binding om polsen slachtoffer

Bij het aantreffen van het stoffelijk overschot van het slachtoffer waren haar armen achter haar rug gebonden; om haar polsen zaten een stuk textiel, de restanten van tape en een deel van een tiewrap.

Bemonsteringen en onderzoek

Tijdens de sectie is onder andere bovengenoemd textiel/tape veiliggesteld. Dit textiel/tape kreeg het nummer S-103 , identiteitszegel AFN878 . Het stuk textiel/tape, dat later delen van stropdassen bleek te zijn, was zeer sterk beroet, vochtig en vettig. In februari 2007 is dit textiel/tape door de afdeling Vezels & Textiel van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uit de papieren zakken (een binnen- en een buitenzak) gehaald waarin het was verpakt, samen met een aantal andere stukken van overtuiging. Op beide zakken waren toen vochtige/vettige plekken aanwezig ten gevolge van het doorlekken van het vochtige/vettige onderzoeksmateriaal. Het textiel/tape is uit elkaar gehaald en daarvan zijn meerdere bemonsteringen genomen. Eén van die bemonsteringen betreft AFN878#5 . De locatie van de bemonstering AFN878#5 betreft de binnenzijde van een knoop gelegd in een stropdas.

Independent Forensic Services (IFS) heeft DNA-onderzoek gedaan op deze bemonstering waarbij meerdere analyse-kits zijn gebruikt. Voor het onderzoek uitgevoerd door IFS zijn extracten ontvangen van het NFI, waaronder het van AFN878#5 afgesplitste contra-extract AAIR9498NL . Bij het DNA-onderzoek van IFS hebben de vervaardigde profielen van bemonstering AFN878#5 diverse benamingen gekregen. Er zijn van elkaar afhankelijke en onafhankelijke profielen verkregen. Het profiel NFI05 is een onafhankelijk profiel, verkregen uit een ander PCR-product, hebben de deskundigen van IFS op de zitting toegelicht. Er zijn partiële (onvolledige) DNA-mengprofielen verkregen uit bemonstering AFN878#5 . De DNA-profielen zijn verkregen door de in de afgelopen jaren verbeterde technieken waarbij de kits voor forensisch DNA-onderzoek gevoeliger zijn geworden. Van de betrokkenen in deze zaak, onder wie de verdachte, zijn ook DNA-profielen vervaardigd. Om de bewijskracht van het aangetroffen DNA op bronniveau te bepalen is gebruik gemaakt van het computerprogramma LRmixStudio.

Beoordeling verweer over verpakking monster

De rechtbank acht, anders dan door de verdediging als verweer is aangevoerd, niet aannemelijk dat het DNA-materiaal in de binnenkant van de stropdasknoop waarvan bemonstering AFN878#5 afkomstig is, daar is terechtgekomen door (directe) aanraking met andere stukken van overtuiging die in dezelfde papieren zakken werden bewaard als de stropdasknoop. Door de geraadpleegde deskundigen zijn op dat punt ook geen kanttekeningen geplaatst. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van deze bemonstering voor (verder) onderzoek.

Referentieprofielen

In 2017 zijn de verkregen DNA-mengprofielen door IFS vergeleken met referentieprofielen van betrokkenen in deze zaak. Hierbij zijn overeenkomsten waargenomen tussen de verkregen profielen van de bemonstering AFN878#5 en de referentieprofielen van het slachtoffer en de verdachte. Deze constatering is bevestigd door het NFI (dat een zgn. validatieonderzoek heeft verricht) en door het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek (FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), dat de door IFS verkregen resultaten heeft (her)beoordeeld.

Beoordeling verweer over andere bemonsteringen

Door de verdediging is aangevoerd dat in deze zaak een groot aantal bemonsteringen aan DNA-onderzoek is onderworpen en dat slechts uit de bemonstering AFN878#5 een voor de verdachte belastend onderzoeksresultaat is voortgekomen. Dit is juist, maar daarmee is niet gezegd dat aan dat resultaat geen betekenis kan worden toegekend. De omstandigheden bij het stoffelijk overschot van het slachtoffer zijn niet optimaal geweest voor het behoud van DNA-materiaal: zowel de brand in de auto waarin het lichaam van het slachtoffer lag, als het contact met (blus)water heeft naar alle waarschijnlijkheid een groot deel van het aanwezige DNA vernietigd. Dat blijkt ook uit de partiële DNA-profielen die zijn verkregen.

Beoordeling verweer over objectiviteit onderzoek

De verdediging heeft gesteld de indruk te hebben dat door IFS op de verdachte is ingezoomd en dat het gehele DNA-onderzoek erop was gericht een grotere bewijskracht richting de verdachte te verkrijgen. Deskundige Eikelenboom van IFS heeft evenwel naar het oordeel van de rechtbank op de terechtzitting afdoende toegelicht dat wanneer hij onderzoeksresultaten (bepaalde DNA-profielen) buiten beschouwing heeft gelaten, dit was omdat die profielen onvoldoende informatief waren. De referentieprofielen van [betrokkene van M.] , [betrokkene C.] en [betrokkene T.] zijn door IFS ook in het onderzoek betrokken. Dit heeft evenwel niet tot een vergelijkbaar resultaat geleid als het hiervoor genoemde (voor de verdachte belastende) onderzoeksresultaat dat is verkregen bij vergelijking van het referentieprofiel van de bemonstering AFN878#5 en het referentieprofiel van de verdachte. Hetzelfde geldt voor het vergelijkend onderzoek dat het NFI heeft uitgevoerd met het referentieprofiel van [betrokkene K.] .

Beoordeling verweer over Y-chromosomale onderzoek

De verdediging heeft aangevoerd dat IFS er ten onrechte van uitgegaan is dat de resultaten van het uitgevoerde Y-chromosomale onderzoek de resultaten van het uitgevoerde autosomale onderzoek versterken. De andere geraadpleegde deskundigen (van het NFI en het FLDO) hebben medegedeeld dat die conclusie niet kan worden getrokken, omdat de resultaten van het Y-chromosomale onderzoek partiële (onvolledige) resultaten betreffen en omdat niet bekend is hoe vaak een dergelijk Y-chromosomaal profiel lokaal voorkomt. Aan deze resultaten komt daarom volgens deze deskundigen geen toegevoegde waarde toe.

De rechtbank neemt dat standpunt over. Dit is ook door de verdediging bepleit en door de officieren van justitie in hun requisitoir als uitgangspunt gekozen. De resultaten van het Y-chromosomale onderzoek zullen daarom buiten de verdere beoordeling van de onderzoeksresultaten worden gelaten.

LRmixStudio computerprogramma

Zoals hiervoor al is aangegeven is om de bewijskracht van het DNA op bronniveau te bepalen het computerprogramma LRmixStudio gebruikt. Dit programma wordt in de wetenschappelijke wereld als een betrouwbaar programma aangemerkt en is in deze zaak ook door alle deskundigen (van NFI, IFS en LUMC) gehanteerd. Met dit programma is het mogelijk de Likelihood Ratio (LR) te berekenen van complexe (onvolledige) DNA-(meng)profielen aan de hand van meerdere replica’s onder hypotheses afhankelijk van onder meer het aantal donoren dat aan een bemonstering heeft bijgedragen. Het programma kan bij de berekening van de Likelihood Ratio ook rekening houden met diverse (andere) variabelen, zoals eventuele drop-out, drop-in en de theta-factor.

Beoordeling verweer over gebruikte DNA-kenmerken bij berekening LR

Door de verdediging is bepleit dat de geconstateerde DNA-kenmerken (allelen) die voorkomen in zowel het referentieprofiel van het slachtoffer als dat van de verdachte, bij de berekening van de bewijskracht van de onderzoeksresultaten buiten beschouwing moeten worden gelaten en dat dus slechts acht moet worden geslagen op die kenmerken die alléén in het referentieprofiel van de verdachte voorkomen. De rechtbank neemt dit niet over, omdat één en ander niet in overeenstemming is met de systematiek van berekening van de Likelihood Ratio met behulp van het programma LRmixStudio, zoals die in de uitgebrachte deskundigenrapporten en door de op de terechtzitting gehoorde deskundigen is uiteengezet en waarover zij het eens zijn met elkaar.

Beoordeling verweer over (aantal) donoren bij berekening LR

IFS is er bij de berekening van de Likelihood Ratio van uitgegaan dat (ten minste) drie personen, onder wie het slachtoffer, aan bemonstering AFN878#5 hebben bijgedragen.

Deskundige Eikelenboom heeft op de terechtzitting toegelicht dat bij een profiel zoals dat is verkregen van AFN878#5 (een onvolledig profiel met wel op bepaalde loci drie of vier vastgestelde allelen) uit de literatuur blijkt en de ervaring ook leert dat het aantal donoren dan vaak te laag wordt ingeschat. In dat soort gevallen moet in zijn opinie niet louter worden gekeken naar het aantal allelen per loci, wat in dit geval zou uitkomen op een bijdrage van twee personen, maar moet worden aangenomen dat er ten minste drie personen hebben bijgedragen. Het aantal donoren van ten minste drie personen waarvan IFS is uitgegaan is - behalve door deskundige Kal van het NFI (die in zijn berekeningen van twee donoren is uitgegaan) - ook onderschreven door de andere deskundigen die op de terechtzitting zijn gehoord, te weten Van der Meij, Kraaijenbrink en De Knijff. De rechtbank zal dan ook uitgaan van het uitgangspunt dat drie personen hebben bijgedragen aan het aangetroffen spoor.

De rechtbank gaat ervan uit dat het slachtoffer één van die donoren van het DNA-materiaal is geweest. Nu de stropdas waarin het spoor is aangetroffen was gebruikt om de polsen van het slachtoffer vast te binden, ligt het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand om daarvan uit te gaan. Verder is het zo dat, zoals deskundige De Knijff van het FLDO op de terechtzitting heeft verklaard, het ook niet uitgesloten kan worden dat DNA van het slachtoffer aan de binnenzijde van de knoop van de stropdas terecht is gekomen doordat de knoop door het bluswater nat is geworden. Het DNA zou zich daardoor naar de binnenzijde van de knoop kunnen hebben verplaatst.

Overigens merkt de rechtbank op dat, nu er tussen de referentieprofielen van het slachtoffer en de verdachte veel overeenkomsten zijn, het betrekken van het slachtoffer als een van de donoren bij de berekening van de bewijskracht tot lagere Likelihood Ratio’s en dus tot een voor de verdachte minder belastend resultaat zal leiden.

Beoordeling verweer over theta-factor bij berekening LR

Bij de berekeningen van de Likelihood Ratio heeft IFS een theta-factor gehanteerd van 0,01. De theta-factor betreft een statistische correctie vanwege het ervaringsfeit dat in de ene subgroep van personen minder variatie in DNA-kenmerken voorkomt dan in de andere subgroep. De rechtbank acht deze theta-factor van 0,01 op zijn plaats. Deze is, behalve door IFS, ook door de deskundige van het FLDO gehanteerd. Deskundige Kal heeft aangegeven dat het NFI altijd een theta-factor van 0,03 hanteert. De andere deskundigen vinden een dergelijke factor in deze zaak te conservatief. De rechtbank gaat daarin mee, nu niet is gebleken dat in de lokale populatie waarin de onderhavige zaak zich afspeelt minder variatie in DNA-kenmerken voorkomt dan waarvan bij een theta-factor van 0,01 wordt uitgegaan.

Beoordeling verweer over niet gebruiken “Sibling” bij berekening LR

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de berekening van de Likelihood Ratio ten onrechte de optie “Sibling” niet is aangevinkt. Door de verdediging is gesteld dat, nu ook de broer van de verdachte één van de betrokkenen is in deze zaak, die optie wel had moeten worden aangevinkt, wat van invloed is op de berekening van de Likelihood Ratio. De rechtbank neemt evenwel het standpunt van de gehoorde FLDO-deskundigen over dat, nu het referentieprofiel van de broer van de verdachte beschikbaar was en dit ook in het DNA-onderzoek met het programma LRmixStudio is betrokken, voor het aanvinken van genoemde optie geen aanleiding is.

Beoordeling verweer over replica’s bij berekening LR

Met betrekking tot het verweer van de verdediging ten aanzien van de replica’s die in de berekening van de Likelihood Ratio zijn betrokken wordt het volgende overwogen. Bij het horen van de diverse deskundigen op de terechtzitting is gebleken dat, toen FLDO en NFI bij de beoordeling van de onderzoeksresultaten van IFS herberekeningen uitvoerden, hun niet bekend was dat een aantal in de berekeningen betrokken replica’s uit één en hetzelfde PCR-product afkomstig was en dus niet onafhankelijk was. Dit betrof de replica’s NGM 2e en NGM 3e . Overigens geldt ook voor de replica’s MF30c 1e en MF30c 2e dat die afkomstig waren uit hetzelfde PCR-product.

De rechtbank heeft geconstateerd dat er tussen de deskundigen overeenstemming over bestaat dat replica’s die afkomstig zijn uit één en hetzelfde PCR-product (en alleen verschillen in aantal kopieerstappen of in gehanteerde injectietijd) niet beide gelijktijdig in de berekening van de Likelihood Ratio met het programma LRmixStudio mogen worden betrokken en dat in zo’n geval moet worden gekozen voor het meest informatieve resultaat.

In dit geval betekent dit dat voor de berekeningen van de Likelihood Ratio (naast MF34c ) gebruik moet worden gemaakt van de replica’s MF30c 2e en NGM 3e ..

Berekeningen waarin zowel de replica’s NGM 2e als NGM 3e zijn meegenomen, dienen naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing gelaten te worden, nu hierover tussen de deskundigen consensus bestaat.

Gebleken is dat de replica’s NGM-NFI05 en AAIR9498NL #1C wel van de replica’s MF30c 2e , MF34c en NGM 3e (en van elkaar) onafhankelijke replica’s zijn. Deze kunnen volgens het oordeel van de rechtbank daarom, zoals door de verdediging is gesteld, wel worden betrokken bij de berekeningen van de Likelihood Ratio.

Beoordeling verweer over drop-out probability bij berekening LR

Het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de gehanteerde drop-out probability wordt als volgt beoordeeld. Naar aanleiding van een analyse die het programma LRmixStudio heeft gemaakt over de te verwachten drop-out bij een aangetroffen DNA-profiel wordt een drop-out probability gekozen die binnen de spreiding ligt die het programma aangeeft. De deskundigen hebben op de terechtzitting aangegeven dat een drop-out probability binnen deze spreiding een realistische waarde is en een drop-out probability buiten deze spreiding niet. In het navolgende zal de rechtbank hiervan uitgaan.

Toepassing van voornoemde uitgangspunten

In het voorgaande is aangegeven van welke uitgangspunten de rechtbank uitgaat bij de beoordeling van het aangetroffen spoor. Kort gezegd komt dat neer op:

  • -

    de autosomale en niet tevens de Y-chromosomale resultaten van het DNA-spoor;

  • -

    drie donoren van het spoor onder wie het slachtoffer;

  • -

    een theta-factor van 0,01;

  • -

    de ‘meest informatieve’ profielen, waaronder NGM-profiel(en);

  • -

    een drop-out probability die binnen de spreiding ligt die het programma LRmixStudio aangeeft.

Uitgaande van deze uitgangspunten is door IFS met gebruikmaking van de replica’s MF30c 2e , MF34c en NGM 3e een Likelihood Ratio berekend - afhankelijk van de gehanteerde drop out probability - van 1566, 913 of 669. Gelet hierop is de conclusie van IFS, neergelegd in het rapport van IFS van 21 november 2017, dat (bij alle drie de gehanteerde drop out probabiltities) de aangetroffen onderzoeksresultaten vallen binnen de range dat die resultaten veel waarschijnlijker zijn wanneer het slachtoffer, de verdachte en een onbekende aan de bemonstering hebben bijgedragen, dan wanneer het slachtoffer en twee onbekenden dat hebben gedaan.

In haar rapport van 2 augustus 2018 heeft FLDO gerapporteerd dat zij eenzelfde positieve aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachte heeft geconstateerd als IFS, maar alleen wanneer de MiniFiler (MF)-resultaten in de berekeningen worden betrokken. Wanneer ook de NGM-resultaten (of zelfs alleen die resultaten) in de berekening werden betrokken, leidt dat niet tot een positieve aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachte, aldus FLDO. Zoals in het voorgaande reeds is geconstateerd, was die laatste conclusie evenwel gebaseerd op het (ook volgens FLDO zelf) ten onrechte betrekken van twee replica’s uit één en hetzelfde PCR-product in de berekeningen. Gelet hierop laat de rechtbank die conclusie buiten beschouwing.

Het FLDO heeft daarop nieuwe berekeningen gemaakt. Deze zijn vastgelegd in het rapport van het FLDO van 25 september 2019. Uitgaande van eerdergenoemde uitgangspunten komt FLDO daarbij - afhankelijk van de gehanteerde drop out probability - tot een Likelihood Ratio variërend van 204 (inclusief gebruikmaking van replica NGM-NFI05 ) tot 892 (inclusief gebruikmaking van replica AAIR9498NL #1C), dus Likelihood Ratio’s in dezelfde waarschijnlijkheidscategorie als door IFS zijn berekend. Geen acht is geslagen op de berekening van FLDO op basis van een drop out probability van 0,1, nu de rechtbank die waarde niet reëel acht. Deskundige De Knijff heeft op de terechtzitting zelf ook aangegeven dat zijns inziens van een hogere drop out probability dan 0,1 moet worden uitgegaan.

De verdediging heeft terecht aangevoerd dat - anders dan FLDO in haar berekeningen van

25 september 2019 - IFS in haar oorspronkelijke berekeningen geen gebruik heeft gemaakt van de replica’s NGM-NFI05 en AAIR9498NL #1C. Afgaande op de wel door IFS uitgevoerde berekeningen en de aanvullende berekeningen van FLDO valt evenwel redelijkerwijs niet te verwachten dat wanneer dit alsnog zou gebeuren, dat zou leiden tot Likelihood Ratio’s die vallen buiten de waarschijnlijkheidscategorie (tussen 100 en 10.000 – “veel waarschijnlijker”) waarin de wel door IFS berekende waarden vallen.

Door alle gehoorde deskundigen, met uitzondering van deskundige Kal, is betoogd dat vanwege de onvolledigheid van de vastgestelde NGM-profielen, die profielen eigenlijk bij de berekening van de Likelihood Ratio buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten. Verder is door met name deskundige Eikelenboom en deskundige De Knijff gesteld dat gebruik van de MiniFiler-kit geschikter is bij beschadigd DNA zoals waarvan in deze zaak sprake is, dan de NGM-kit. Wat er zij van de bruikbaarheid van de NGM-resultaten: de rechtbank constateert op basis van de berekeningen van IFS, dat wanneer de NGM-resultaten buiten beschouwing zouden worden gelaten, dit zou leiden tot (nog) hogere Likelihood Ratio’s en dus tot een berekening die (nog) meer belastend voor de verdachte zou zijn.

Conclusie

Op basis van het voorgaande gaat de rechtbank uit van de juistheid van de conclusie van IFS dat de geconstateerde DNA-onderzoeksresultaten veel waarschijnlijker zijn wanneer het slachtoffer, de verdachte en een onbekende aan bemonstering AFN878#5 hebben bijgedragen, dan wanneer het slachtoffer en twee onbekenden dat hebben gedaan.

Onderzoeksresultaten kabelbinder/kabelbinders

Uit onderzoek is gebleken dat het gedeelte van de tiewrap (hierna: kabelbinder) die om de polsen van het slachtoffer zat zeer waarschijnlijk is gemaakt door fabrikant TCA , in een mal met letter A , in het nest van deze mal met nestnummer: 62 ( TCA A62 ). De officiële afmeting van dit type kabelbinders is 270 mm bij 4,6 mm. De kabelbinder was zwart van kleur.

In de gang van de woning van het slachtoffer is een zwarte kabelbinder aangetroffen met de afmeting 270 mm bij 4,6 mm en voorzien van de inscriptie TCA A71 . In de keuken van de woning van het slachtoffer is een bundel van 7 zwarte kabelbinders aangetroffen met de afmeting 270 mm bij 4,6 mm en voorzien van de inscripties TCA A63 , TCA A64 , TCA A67 , TCA A70 , TCA A75 , TCA A79 en TCA A80 . Ook al deze kabelbinders zijn vervaardigd door TCA en komen uit de daarbij door die fabrikant gebruikte A-mal met de nestnumers A61 tot en met A80 .

In de garage van de woning van de ouders van de verdachte, waar de verdachte in het weekend van 2 en 3 september 2005 verbleef, is op 21 augustus 2006 een zakje met 36 kabelbinders aangetroffen. Van die 36 kabelbinders zijn er 32 zwart en deze hebben een afmeting van 270 mm bij 4,6 mm. Deze 32 kabelbinders zijn voorzien van de inscriptie TCA met nestnummers gelegen tussen A61 en A80 .

De hiervoor bedoelde kabelbinders die om de polsen en in de woning van het slachtoffer zijn aangetroffen enerzijds en de kabelbinders die zijn aangetroffen in de woning van de ouders van de verdachte anderszijds vertonen onderling dus grote overeenkomsten wat betreft kleur, afmeting, fabrikant die ze heeft vervaardigd, de op de kabelbinders vermelde letter van de mal die bij de fabricage is gebruikt en de (opvolgende) nestnummers van die mal. De malaanduiding en nestnummers van de kabelbinders zijn immers alle gelegen tussen A61 en A80 .

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de (bovengenoemde en andere) aangetroffen kabelbinders geen unieke producten zijn, omdat daarvan jaarlijks miljoenen worden geproduceerd en verhandeld. Bovendien zijn de kabelbinders die zijn gevonden in de woning van de ouders van de verdachte daar pas aangetroffen ongeveer een jaar na de datum waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Tevens zijn in en bij de woning van het slachtoffer ook kabelbinders aangetroffen, waaronder een kabelbinder die heel bijzonder is, die niet in de woning van de ouders van de verdachte zijn aangetroffen. Verder bestaan sommige kabelbinders uit een andere chemische stof. Dus niet alle kabelbinders komen overeen. Bovendien bevond zich op de kabelbinder die is aangetroffen in de gang van het slachtoffer een partieel DNA-spoor van een tot nu toe onbekende man. In ieder geval kan uit de aangetroffen kabelbinders geen conclusie worden getrokken over de betrokkenheid van de verdachte bij het gepleegde misdrijf.

Deze verweren worden verworpen. Op zichzelf is juist dat de hiervoor genoemde (bij het slachtoffer en in de woning van de ouders van de verdachte aangetroffen) kabelbinders geen unieke producten zijn in de zin dat deze slechts in beperkte oplagen zijn geproduceerd. Dit doet echter niet af aan het feit dat wel bijzonder en in zoverre uniek is dat de kabelbinders alle van dezelfde fabrikant TCA komen, met detzelfde mal (A) zijn gefabriceerd en dat de bij die fabicage gebruikte A-mal codes gelegen tussen A61 tot en met A80 afgeeft, terwijl de aangetroffen kabelbinders allemaal zijn voorzien van inscripties gelegen tussen A61 en A80 . Deze overeenkomsten zijn opvallend te noemen.

De omstandigheid dat de kabelbinders die zijn gevonden in de woning van de ouders van de verdachte daar pas geruime tijd na 3 september 2005 zijn aangetroffen, maakt niet dat deze overeenkomsten er niet zijn. Hetzelfde geldt voor de stelling dat sommige, andere kabelbinders niet dezelfde chemische samenstelling hebben en de stelling dat in de woning van het slachtoffer een hele bijzondere kabelbinder is aangetroffen en dat op een andere kabelbinder een partieel DNA-profiel is aangetroffen van een tot op heden onbekend gebleven man. Ook dat doet niet af aan de wel geconstateerde en opvallend te noemen overeenkomsten tussen de hierboven genoemde kabelbinders.

Conclusie van één en ander is dat de resultaten van bovengenoemd vergelijkend onderzoek tussen de kabelbinders bruikbaar zijn voor het bewijs.

Welke bewijswaarde aan de overeenkomsten tussen de verschillende kabelbinders wordt toegekend zal later in dit vonnis worden besproken. Hierop zal worden ingegaan in de bewijsmotivering.

Onderzoeksresultaten met betrekking tot (de kleding van) de pinner

Op 3 september 2005 rond 07.16 uur is door een man met de bankpas van het slachtoffer, na het eenmaal invoeren van een foute pincode en het vervolgens opvragen van het maximale pinbedrag, € 350,- gepind bij de Rabobank aan het Raadhuisplein te Rozenburg. Uit de opgenomen camerabeelden van de pinner blijkt dat deze man zich had vermomd door het dragen van een hooggesloten fleecetrui en een gebreide wollen muts. Uit onderzoek blijkt dat het een niet in Nederland verkrijgbare en in zeer beperkte oplage geproduceerde muts van het merk ‘WESC’ betreft. De fleecetrui betreft een voor een specifiek evenement geproduceerde trui met op de mouw de tekst “ Cromstrijen 13 oktober 1999 ”.

De verdediging heeft aangevoerd dat enig bewijs dat de verdachte de pinner is geweest ontbreekt en dat ook niet vastgesteld kan worden welke muts en trui de pinner heeft gedragen en zeker niet dat deze kledingstukken aan de verdachte toebehoorden. Ook heeft de verdediging opgemerkt dat niet vastgesteld kan worden dat de pinner op de hoogte is geweest van wat zich in de woning van het slachtoffer of op de plaats delict in het Kruininger Gors heeft voorgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de verdediging terecht heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de pinner is geweest. Daar gaat de rechtbank ook niet van uit. Evenmin kan met zekerheid worden vastgesteld dat de muts en trui die de pinner droeg op het moment van het pinnen van de verdachte waren of waren geweest. Wèl kan worden vastgesteld dat, zoals de verdachte zelf op 13 september 2007 tegenover de officier van justitie heeft verklaard, de verdachte een soortgelijke muts en ‘zulke’ fleecetruien in zijn bezit heeft gehad.

De onderzoeksresultaten met betrekking tot de kleding van de pinner kunnen daarom voor het bewijs worden gebruikt. Of en, zo ja, welke bewijswaarde hieraan wordt toegekend zal hierna in het hoofdstuk bewijsmotivering worden opgenomen.

Onderzoeksresultaten OVC-gesprek waarin € 350,- wordt genoemd

Genoemd bedrag van € 350,- is, zoals hiervoor reeds opgemerkt, kort nadat het slachtoffer om het leven was gebracht, met gebruikmaking van haar pinpas en pincode, bij de Rabobank in Rozenburg opgenomen van haar bankrekening.

Op 4 februari 2007 was in de woning van de ouders van de verdachte aan de [adres ouders verdachte] communicatieapparatuur aanwezig waarmee door de politie gesprekken konden worden opgenomen. [betrokkene van M.] woonde op dat moment bij zijn ouders. Op de voordeur van de woning was een camera gericht. Via die camera is door de politie waargenomen dat de verdachte op 4 februari 2007 omstreeks 18.25 uur de woning van zijn ouders is binnengegaan. De gesprekken die op 4 februari 2007 in de woning van de ouders van de verdachte zijn gevoerd zijn opgenomen en door de politie beluisterd. Dat is gebeurd in een geluidskamer voorzien van professionele audioapparatuur van de dienst specialistische recherchetoepassingen, waardoor de gesprekken beter hoorbaar waren.

Het gespreksdeel dat plaatsvond op 4 februari 2007 vanaf 19.13 uur is door de politie letterlijk uitgewerkt. Onbetwist is dat dit gespreksdeel gaat over het geldbedrag dat met de bankpas van het slachtoffer is gepind.

Volgens de politie is te horen dat op een gegeven moment het volgende wordt gezegd:
Verdachte: Maar kijk dat geldbedrag ook

Vader verdachte: dat dat gewoon bekend is

Vader verdachte: Ja.. dat is hun bekend, maar, .. (opmerking: maakt zin niet af)

Moeder verdachte: Maar dat is ons ook bekend

Verdachte: Maar daar heeft niks anders overal in de media gestaan en dat kan nooit meer dan 1000 euro, 750 euro gepind worden want dat is je daglimiet. Meer kan er niet gepind zijn

Verdachte: Als ik zeg ik heb geen 350 euro van haar rekening afgenomen en hun hun krijgen daar tegen die tijd nog een bedrag

[betrokkene van M.] : uh uh daar hebben ze het nooit over gehad over bedragen..

Vader verdachte: Huh

[betrokkene van M.] : Daar hebben ze het niet over gehad over bedragen

Vader verdachte Nee, maar zij hopen dat je dat je..

[betrokkene van M.] ; Ja.

Verdachte: Kijk als ik zeg er is geen 1000 euro, 500 euro, 450 euro of 250 euro

weet ik veel wat.

[betrokkene H.] : Jij moet ook geen bedragen gaan zitten noemen

Verdachte: He, ik hoef ze helemaal niks te vertellen. Dat kan nooit, dat kan nooit meer dan die 750.000 euro en als je beetje nadenkt dan wel..

Moeder verdachte: 750.000 euro?

[betrokkene van M.] : Nee 750 euro

Het genoemde pinbedrag van € 350,- was volgens de politie destijds zgn. daderwetenschap.

De verdediging heeft betwist dat de verdachte degene is geweest die de door de politie aan hem toegeschreven zin heeft uitgesproken waarin het bedrag van € 350,- zou worden genoemd. Voorts is gesteld dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het bedrag van € 350,- wordt genoemd. Tevens is betwist dat de € 350,- zgn. daderwetenschap was. Subsidiair is het voorwaardelijk verzoek gedaan stemdeskundige A.P.A. Broeders te benoemen teneinde het gesprek opnieuw te laten uitwerken.

Deze verweren en dit verzoek worden als volgt beoordeeld.

Op de terechtzitting is de geluidsopname van het aangehaalde gespreksdeel ook beluisterd. Ook volgens de eigen waarneming van de rechtbank is daarop te horen dat de verdachte degene is die de hiervoor weergegeven zin uitspreekt en daarbij een bedrag van € 350,- noemt. Derhalve wordt dit, zowel op grond van wat de politie (met geavanceerde apparatuur) heeft gehoord als wat de rechtbank zelf heeft waargenomen, als voldoende vaststaand aangenomen. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen. Ook het subsidiaire verzoek tot benoeming van stemdeskundige Broeders wordt afgewezen. Daartoe wordt geen noodzaak gezien.

Dat het pinbedrag van € 350,- destijds zgn. daderwetenschap was, dat wil zeggen wetenschap die aan anderen dan de dader of daders niet bekend was, is onvoldoende komen vast te staan. Het onderhavige gesprek vond plaats ongeveer 1,5 jaar na de dood van het slachtoffer. De zus van het slachtoffer heeft verklaard dat zij vrij snel na het misdrijf van de recherche heeft gehoord dat het pinbedrag € 300,- of € 350,- bedroeg. Ze heeft hierover met haar ouders en haar vriend gesproken. Ze heeft ook verklaard dat er al vrij snel in het dorp (in Oostvoorne) werd gezegd dat het pinbedrag een paar honderd euro zou bedragen. Verder heeft de moeder van het slachtoffer verklaard dat ook zij bekend was met de exacte hoogte van het pinbedrag. Ze heeft verklaard dat ze daarover met haar man en dochter en ook wel eens met anderen, bijvoorbeeld met kennissen en een goede bekende in de paardenstal, had gesproken. Gelet hierop kan het pinbedrag dus ook langs andere weg bij de verdachte en de andere aanwezigen tijdens het OVC-gesprek bekend zijn geworden. In zoverre slaagt het verweer van de verdediging.

Het vorenstaande betekent echter niet dat het OVC-gesprek van 4 februari 2007 zonder betekenis is. Uit de inhoud van het gesprek wordt door de rechtbank afgeleid dat de verdachte en zijn broer [betrokkene van M.] beiden op de hoogte waren van het pinbedrag. Verder is het zo dat de verdachte nadat hij het pinbedrag van € 350,- heeft genoemd daar vervolgens overheen lijkt te praten door vrijwel meteen daarna andere bedragen te noemen. Dit is opvallend en kan niet anders worden begrepen dan dat de verdachte ten aanzien van het pinbedrag geen willekeurige derde is en zich lijkt te hebben versproken. Als hij niets met het pinnen te maken heeft is de noodzaak van dat er overheen praten niet goed te begrijpen. In dat kader is van belang dat uit de verklaring van de moeder van de verdachte bij de rechter-commissaris op 14 november 2007 volgt dat de familie [naam familie verdachte] ervan op de hoogte was dat de gesprekken in de woning aan de [adres ouders verdachte] werden afgeluisterd.

Getuigenverklaringen die niet voor bewijs worden gebruikt

Voor het bewijs zal geen gebruik worden gemaakt van de verklaringen van [getuige de J. (3)] , [getuige T.] , [betrokkene L.] en de onbekende getuige (vermoedelijk: [getuige el Y.] ).

De verweren van de verdediging tegen het gebruik van die verklaringen worden daarom onbesproken gelaten, evenals de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging tot (nader) onderzoek door een rechtspsycholoog naar de verklaringen van [getuige de J. (3)] en [getuige T.] en tot het horen van de onbekende getuige (vermoedelijk [getuige el Y.] ).

Het standpunt van de officieren van justitie dat de verklaringen van [getuige T.] wel bruikbaar zijn voor het bewijs wordt niet gevolgd. De verklaringen van [getuige T.] worden onvoldoende betrouwbaar geacht. [getuige T.] heeft verklaard dat zij half aan het dommelen was toen zij de verdachte zou hebben horen zeggen dat hij bij de onderhavige moord betrokken was. Zij verkeerde toen dus in een situatie van verminderd bewustzijn. Bovendien is zij pas 3 tot 4 jaar later met dit verhaal naar de politie gegaan. Voorts hebben de getuigen [getuige D.] en [getuige T (1)] , die volgens [getuige T.] ook te maken zouden hebben met de onderhavige moord, de verklaringen van [getuige T.] - kort gezegd - als grote onzin bestempeld.

Anders dan door de officieren van justitie als standpunt is ingenomen worden ook de verklaringen van [getuige de J. (3)] niet voor het bewijs gebruikt. Er bestaat te veel twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige de J. (3)] . [getuige de J. (3)] heeft onder andere verklaard dat hij van de verdachte heeft gehoord dat ook de vader van de verdachte ter plaatse was toen de auto van het slachtoffer in brand werd gestoken; de vader van de verdachte was daar naar toegekomen met benzine, dan wel was thuis opgehaald. De verdachte vertelde, nog steeds volgens [getuige de J. (3)] , dat ze daarna met zijn drieën het huis van het slachtoffer in brand hadden gestoken. Eén en ander klopt niet met de objectieve onderzoeksgegevens waaruit blijkt dat de vader van de verdachte ten tijde van de moord niet in Nederland was. Dat de verdachte bewust dergelijke onjuistheden tegen [getuige de J. (3)] heeft verteld ligt niet voor de hand. Ook de verklaring van [getuige de J. (3)] dat de verdachte tegen hem heeft verteld dat het slachtoffer al jarenlang onder dwang medicijnen aan [betrokkene van M.] verstrekte verdraagt zich niet met de objectieve onderzoeksgegevens. Dit geldt ook voor het feit dat er zou zijn aangebeld bij de woning van het slachtoffer waarop zij de voordeur zelf heeft opengedaan, wat zich niet goed verdraagt met de braaksporen aan de voordeur van de woning van het slachtoffer.

Verder zijn de verklaringen van [getuige de J. (3)] op sommige punten wisselend, onder andere over wat de verdachte tegen hem heeft gezegd over hoe ze de nacht van de moord met de vader van de verdachte in contact zijn gekomen (opgehaald of opgebeld). Er is ook wisselend verklaard over wat de verdachte zou hebben gezegd over het slaan van het slachtoffer, meer in het bijzonder wie dat zou hebben gedaan: de verdachte of de verdachte en zijn broer [betrokkene van M.] samen. Voorts heeft [getuige de J. (3)] niet geloofwaardig verklaard over de voorwaarden die hij met het Openbaar Ministerie had afgesproken met betrekking tot het gebruik van zijn getuigenverklaringen.

7 Bewijsmotivering feit 1 (moord op Caroline van Toledo)

In bijlage II zijn de bewijsmiddelen opgenomen inhoudende de voor de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en van hetgeen hierna wordt overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierna zal worden beschreven in het hoofdstuk: Bewezenverklaring.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

Doodsoorzaak/plaats overlijden

Het stoffelijk overschot van het slachtoffer is op 3 september 2005 om 07.11 uur aangetroffen in de kofferbak van haar uitgebrande auto aan de Kruininger Gors te Oostvoorne, nabij de Kogeloven parkeerplaats. De melding van de autobrand was om 06.22 uur. In monsters van de bodem naast het linkerportier, midden onder de achteras en midden onder de vooras van de auto, bevonden zich brandversnellende middelen (motorbenzine en petroleum of diesel), wat duidt op brandstichting.

Op 3 september 2005 heeft ook brand gewoed in de woning van het slachtoffer aan de [adres slachtoffer] . De melding van die woningbrand is binnengekomen rond 05.58 uur.

Het slachtoffer is om het leven is gekomen ten gevolge van een brand. Het feit dat er roet in de luchtpijpen van het slachtoffer aanwezig was, duidt op het nog in leven zijn van het slachtoffer tijdens de brand. Op grond van de sectiebevindingen kon niet worden vastgesteld of het slachtoffer is omgekomen bij de brand in haar woning, dan wel bij de brand in haar auto.

De rechtbank acht onaannemelijk dat het slachtoffer bij de woningbrand om het leven is gekomen. In dat geval zou het slachtoffer pas na het in brand steken van de woning uit de woning zijn gehaald en in de kofferbak van haar auto terecht zijn gekomen. Dat is niet waarschijnlijk. Op grond van de wijze waarop het stoffelijk overschot van het slachtoffer zich in de kofferbak van de auto bevond (met het hoofd helemaal in de linkerhoek van de kofferbak, alsof zij zichzelf daar naar toe heeft verplaatst) en het feit dat het stoffelijk overschot grotendeels en sterk verbrand werd aangetroffen, wordt bewezen geacht dat het slachtoffer tijdens de autobrand om het leven is gekomen.

Plaats knevelen slachtoffer

Na het blussen van de brand in de woning van het slachtoffer is gebleken dat de onderste ruit van de voordeur van de woning van buitenaf was ingetrapt en dat in de deurstijl ter hoogte van de slotplaat een barst zat. Diezelfde ochtend rond 07.16 uur, is met gebruikmaking van de bankpas en bijbehorende pincode van het slachtoffer, door een vermomde man, bij de Rabobank in Rozenburg, onbevoegdelijk geld van de bankrekening van het slachtoffer opgenomen. Op grond van deze omstandigheden wordt vastgesteld dat een persoon of personen de woning van het slachtoffer zijn binnengedrongen en dat zij daar is bestolen van haar bankpas en pincode. Het slachtoffer was gekneveld. Dit past bij het binnendringen van de woning en het stelen van de bankpas van het slachtoffer. Aangenomen wordt daarom dat dit knevelen in de woning van het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Dit wordt ook nog ondersteund door de omstandigheid dat in en bij de woning van het slachtoffer, die onder andere gekneveld was met een kabelbinder, ook andere kabelbinders zijn aangetroffen. Die kabelbinders waren niet van het slachtoffer. Verder is het zo dat de brand in de woning vermoedelijk is begonnen in de slaapkamer van het slachtoffer door het bijbrengen van vuur en dat de gaspitten van het fornuis in de woning nog open stonden toen de brandweer ter plaatse kwam. Hieruit volgt dat de brand in de woning is aangestoken. Aannemelijk is dat dit verband hield met wat er daarvoor in de woning had plaatsgevonden en bedoeld was om eventuele sporen uit te wissen.

Auto’s

Op 3 september 2005 tussen 05.15 uur en 05.30 uur stond de auto van het slachtoffer nog bij haar woning, niet - zoals gebruikelijk - naast haar woning maar aan de voorzijde van de woning, bij de voordeur.

Omstreeks 05.28 uur is gezien dat op de Kleidijk bij de kruising met de Westvoorneweg te Oostvoorne twee auto’s vanaf de Westvoorneweg met hoge snelheid aan kwamen rijden. De eerste auto, een Opel Astra, reed de Kleidijk op, gevolgd door een andere auto, een Opel Combo of iets dergelijks. In beide auto’s zat een mannelijke bestuurder. Beide auto’s reden vanaf de Kleidijk linksaf de Brielseweg op in de richting van het dorp Oostvoorne.

De route die de auto’s reden ligt op de route om vanaf de woning van het slachtoffer aan de [adres slachtoffer] te rijden naar het Kruininger Gors, waar de uitgebrande auto van het slachtoffer is aangetroffen. De auto’s die zijn gezien zijn van hetzelfde merk als respectievelijk de auto van het slachtoffer, een Opel Astra, en de auto waarvan de verdachte in het weekend van 3 september 2005 gebruik maakte, de Opel Combo van zijn vader. In ieder geval was die Opel Combo bij de verdachte in gebruik toen hij op 3 september rond 02.15 uur getuige [getuige de J. (2)] thuis bracht.

Binding om polsen slachtoffer

Bij het aantreffen van het stoffelijk overschot was het slachtoffer - zoals gezegd - gekneveld. Haar armen waren achter haar rug gebonden; om haar polsen zaten een stuk textiel (stropdas), de restanten van tape en (een gedeelte van) een kabelbinder. De binnenzijde van de knoop gelegd in de stropdas is bemonsterd. Daarin is een DNA-spoor aangetroffen. Daarvan is een DNA-profiel gemaakt dat is vergeleken met het DNA-profiel van de verdachte. De conclusie van het door IFS uitgevoerde autosomale DNA-onderzoek is dat de bevindingen van dat onderzoek veel waarschijnlijker zijn indien het slachtoffer, de verdachte en een onbekende persoon DNA hebben bijgedragen aan de bemonstering, dan indien het slachtoffer en twee onbekende personen DNA daaraan hebben bijgedragen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de verdachte heeft bijgedragen aan het DNA-spoor dat aan de binnenzijde van de stropdas is aangetroffen.

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de stropdas die bij het vastbinden van de polsen van het slachtoffer is gebruikt aan de verdachte toebehoorde. De verdachte heeft ook zelf op de terechtzitting verklaard ‘geen stropdasdrager’ te zijn. Het DNA van de verdachte kan dus niet door normaal gebruik in de stropdasknoop terecht zijn gekomen.

Om de polsen/handen van het slachtoffer zat, naast de stropdas, ook tape en een (gedeelte van een) kabelbinder. In de gang en de keuken van de woning van het slachtoffer zijn meerdere vergelijkbare kabelbinders aangetroffen. Deze kabelbinders waren niet van het slachtoffer. De verdachte verbleef in het weekend van 3 september 2005 in de woning van zijn ouders. Later zijn in de garage van die woning diverse kabelbinders aangetroffen die van dezelfde fabrikant afkomstig waren, dezelfde afmetingen en kleur hadden, door de fabrikant met dezelfde A-mal waren gemaakt en uit dezelfde nesten van die A-mal kwamen als de kabelbinders die in de woning van het slachtoffer zijn gevonden en de kabelbinder die om de polsen van het slachtoffer zat.

Eerste tussenconclusie

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden betreffende de plaats waar het knevelen van het slachtoffer heeft plaatsgevonden, de twee auto’s die zijn gezien op de route van de woning van het slachtoffer naar het Kruininger Gors en de bindmiddelen die om de polsen van het slachtoffer zaten, leveren - in onderlinge samenhang bezien - sterke aanwijzingen op dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gekneveld en die tevens betrokken is geweest bij het verplaatsen van het slachtoffer vanuit haar woning, waar het knevelen plaatsvond, naar het Kruininger Gors, waar haar auto, terwijl zij gekneveld in de kofferbak van die auto lag, in brand is gestoken. In het verlengde daarvan levert dit tevens een sterke aanwijzing op dat de verdachte ter plaatse was bij het Kruininger Gors en betrokken is geweest bij het in brand steken van de auto met daarin het (geknevelde) slachtoffer.

Getuigenverklaringen

Meerdere getuigen hebben verklaard dat de verdachte in de afgelopen jaren tegen hen heeft verteld dat hij het slachtoffer heeft vermoord of dat ze de verdachte daarover hebben horen praten.

Getuige [getuige S.] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat de verdachte in juli 2012 in een dronken bui tegen hem heeft gezegd dat hij Caroline had vermoord. Zijn letterlijke woorden waren: “tuurlijk heb ik het gedaan, maar laat ze het maar bewijzen”. De verdachte heeft gezegd dat de hond hem had gegrepen, dat hij deze een paar rotschoppen had gegeven en had vastgebonden aan een boom. De verdachte was niet alleen, maar vertelde niet met wie hij was, aldus [getuige S.] .

Getuige [getuige de J. (1)] heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat de verdachte begin 2014 tijdens een ruzie tegen haar heeft gezegd: “je hebt een moordenaar in huis”. [getuige de J. (1)] verklaart dat het haar duidelijk was dat hij doelde op de moord op Caroline, omdat hij ook zei dat hij blij zou zijn als haar ouders dood zouden zijn, omdat hij er dan vanaf zou zijn.

De anonieme getuige heeft - zakelijk weergegeven - verklaard de verdachte lange tijd geleden één keer iets te hebben horen zeggen over wat er gebeurd is. De verdachte vertelde dat [betrokkene K.] en [betrokkene van M.] naar de woning van het slachtoffer waren gegaan om te stelen. Het slachtoffer had hen betrapt en was geslagen. De verdachte is door hen gebeld. De verdachte had [betrokkene van M.] en [betrokkene K.] weggestuurd naar Rozenburg en zelf “de rommel opgeruimd”. Hij had het slachtoffer in de kofferbak van haar auto gedaan. De verdachte was met de auto van het slachtoffer naar de Brielse Maas gegaan en heeft de auto daar in brand gestoken. Hij had gemerkt dat het slachtoffer nog leefde tijdens de brand.

[getuige L.] - destijds zelf (ook) verdachte - heeft verklaard dat hij kort na de moord op het strand in Rockanje een gesprek tussen [betrokkene K.] en de verdachte heeft gehoord. [getuige L.] heeft [betrokkene K.] aan de verdachte horen vragen: “Joh, waar ben je geweest, wat ben je wezen doen?”. De verdachte antwoordde toen: “Ik ben wezen barbecueën aan de Brielse Maas”, waarop [betrokkene K.] vroeg: “Fikte het goed?”. De verdachte zei toen: “Ja, het ging aardig. Dat gaat wel goed bij benzine. Ik ben bij het rubber begonnen en toen kwam het bij de kofferbak en toen begon ze nog harder te gillen.” Even later zei de verdachte: “Hier moeten jullie echt je bek over houden, anders heb je ook een probleem”.

De verklaring van [getuige L.] wordt (deels) bevestigd door getuige [getuige van B.] . Hij heeft verklaard dat hij de verdachte de maandag nadat het slachtoffer om het leven was gekomen op het strand heeft horen zeggen dat hij “van het weekend had gebarbecued en spareribs had gegeten bij de Kogeloven”. [getuige van B.] begreep dat de verdachte hierbij refereerde aan de brand waarbij het slachtoffer om het leven was gekomen.

Tweede tussenconclusie

Deze verklaringen van de getuigen komen ten aanzien van de uitlatingen van de verdachte aan de getuigen dat hij het slachtoffer van het leven heeft beroofd (door het bij de Brielse Maas/de Kogeloven in brand steken van de auto met daarin het slachtoffer) overeen. Zij komen op een aantal specifieke punten ook overeen met objectieve gegevens uit het dossier. Zo komt de verklaring van [getuige S.] over de hond van het slachtoffer overeen met het feit dat rond het tijdstip van de woningbrand is geconstateerd dat de hond van het slachtoffer met zijn riem was vastgezet aan een stapel pallets op ongeveer 200 meter van de woning van het slachtoffer. De verklaring van [getuige L.] dat de verdachte daags na het delict op het strand heeft gezegd dat de auto in brand was gestoken met benzine en dat hij bij het rubber was begonnen en het toen bij de kofferbak kwam, komt overeen met het onderzoek van de bodemmonsters onder de uitgebrande auto, waarbij benzine op de grond is aangetroffen, alsook met het feit dat na de brand is geconstateerd dat de vulopening van de benzinetank van de auto met daarop de tankdop niet meer in de auto zat, maar bij de auto op de grond lag. Het is algemeen bekend dat aan de vulopening van de benzinetank een rubberen slang is gekoppeld die in verbinding staat met de benzinetank. Dit past bij de verklaring van [getuige L.] dat de verdachte heeft gezegd dat de brand bij het rubber was begonnen.

De verklaringen van de getuigen komen ook op belangrijke en meerdere punten overeen met de hiervoor bij de eerste tussenconclusie genoemde aanwijzingen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van het slachtoffer. Zij versterken die aanwijzingen zodanig dat de rechtbank op grond van alles tezamen buiten redelijke twijfel bewezen vindt dat de verdachte degene is geweest die de auto met daarin het slachtoffer in brand heeft gestoken.

Het kan niet anders dan dat het slachtoffer nog leefde toen zij in haar woning werd gekneveld. Anders valt de noodzaak voor dat knevelen niet goed te begrijpen. Zoals hiervoor al is aangegeven leefde het slachtoffer ook nog toen haar auto in brand werd gestoken. Gelet op de betrokkenheid van de verdachte bij het knevelen en bij het vervoer van het slachtoffer vanuit haar woning naar het Kruininger Gors moet de verdachte dat hebben geweten toen hij de auto in brand stak. Daarmee staat het opzet van de verdachte om het slachtoffer om het leven te brengen vast.

Verklaring verdachte

De verklaring van de verdachte dat hij in de nacht van 3 september 2005 gewoon thuis (in het huis van zijn ouders) was verdraagt zich niet met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden. Daaruit blijkt wat anders, namelijk dat de verdachte in de woning van het slachtoffer is geweest en met het slachtoffer naar het Kruininger Gors is gereden. Die verklaring van de verdachte wordt daarom ongeloofwaardig geacht. Aan de op zichzelf juiste verklaring van de verdachte dat hij in de vroege ochtend van 3 september 2005 vanuit het huis van zijn ouders met [betrokkene V.] heeft gebeld, komt geen betekenis toe aangezien dat bellen pas geruime tijd na de autobrand (omstreeks 07.49 uur) heeft plaatsgevonden.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte bij die brandstichting (en daarmee bij het doden van het slachtoffer) in vereniging met een ander of anderen heeft gehandeld, zoals is tenlastegelegd. Behalve [getuige S.] die niet specifiek is over het moment waarop de verdachte “niet alleen was”, verklaren de hiervoor aangehaalde getuigen daar niet over. De omstandigheid dat de auto van het slachtoffer toen deze op de route naar het Kruininger Gors reed is gesignaleerd met een andere auto en de verdachte toen dus niet alleen was, is te weinig om dat medeplegen aan te nemen.

Hierna zal nog worden overwogen dat de rechtbank van oordeel is [betrokkene van M.] degene is geweest die met de pinpas van het slachtoffer heeft gepind. Ook dit is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte bij de brandstichting in de auto samen met een ander, te weten met zijn broer [betrokkene van M.] , heeft gehandeld. Zoals hiervoor al is overwogen worden de verklaringen van [getuige de J. (3)] die van de verdachte zou hebben gehoord dat hij samen met zijn broer [betrokkene van M.] en hun vader bij de brandstichting betrokken zou zijn geweest onvoldoende betrouwbaar geacht om tot het bewijs mee te werken. Er is ook geen ander voldoende betrouwbaar bewijs voor het medeplegen voorhanden.

Voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad moet vaststaan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om het slachtoffer te doden en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Aan deze voorwaarden voor voorbedachte raad is in dit geval voldaan. Het slachtoffer is in haar woning bestolen en daar door de verdachte gekneveld. Bij haar woning is het slachtoffer vervolgens in de kofferbak van haar auto geplaatst. Daarna is het slachtoffer met haar eigen auto vervoerd naar het Kruininger Gors. De verdachte is bij dat vervoer betrokken geweest. Bij het Kruininger Gors heeft de verdachte de auto van het slachtoffer, wetende dat zij in de kofferbak van die auto lag en dat zij nog leefde, in brand gestoken. Deze handelingen kunnen niet anders worden opgevat dan het doelbewust en planmatig willen wissen van sporen en doden van het op dat moment weerloze slachtoffer, waarbij de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over en zich rekenschap te geven van de betekenis van zijn handelen en de gevolgen daarvan.

Conclusie

Bewezen wordt geacht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan moord op het slachtoffer.

8 Bewijsmotivering feit 2 (pinnen van bankrekening Caroline van Toledo)

In bijlage II zijn tevens de bewijsmiddelen opgenomen inhoudende de voor de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en van hetgeen hierna wordt overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierna zal worden beschreven in het hoofdstuk: Bewezenverklaring.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende.

Pinner

Zoals hiervoor al is opgemerkt kan niet bewezen worden dat de verdachte de pinner is geweest. De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene van M.] , de broer van de verdachte, de pinner is geweest. Dit wordt afgeleid uit de verklaringen van meerdere getuigen, inhoudende dat zij [betrokkene van M.] als pinner herkennen. Verder heeft getuige [getuige L.] verklaard dat hij van [betrokkene S.] heeft gehoord dat [betrokkene van M.] tegen de verdachte heeft gezegd: “Waarvoor heb je mij nou laten pinnen, klootzak. Dat had je nooit moeten doen. Dat gaat nooit goedkomen. Ze herkennen mij toch.” Dit wordt enigszins door [betrokkene S.] bevestigd.

Voorts blijkt uit het OVC-gesprek van 4 februari 2007 tussen onder meer de verdachte en [betrokkene van M.] dat beiden op de hoogte waren van het precieze pinbedrag en dat de verdachte na het noemen van het pinbedrag daar ‘overheen’ lijkt te praten door andere bedragen te noemen, wat opvallend is en niet anders kan worden begrepen dan dat de verdachte geen willekeurige derde is wat betreft dat pinbedrag. Tot het bewijs dat [betrokkene van M.] de pinner is draagt tevens bij de verklaring van de anonieme getuige dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij [betrokkene K.] en [betrokkene van M.] had weggestuurd naar Rozenburg en hij “de rommel had opgeruimd”. Dat [betrokkene van M.] de pinner is wordt ook nog enigszins ondersteund door de omstandigheid dat de pinner een fleecetrui en een muts droeg soortgelijk aan een trui en muts waarover de verdachte beschikte of heeft beschikt.

Medeplegen

Uit het vorenstaande blijkt niet alleen dat [betrokkene van M.] met de pinpas van het slachtoffer heeft gepind en dat hij en de verdachte beiden op de hoogte waren van het gepinde bedrag, maar tevens dat de verdachte degene is geweest die [betrokkene van M.] erop uit heeft gestuurd om te gaan pinnen, althans dat daarover samenspraak is geweest tussen de verdachte en [betrokkene van M.] . Zoals eerder is vastgesteld is de pinpas van het slachtoffer gestolen in haar woning waar de verdachte aanwezig is geweest. De verdachte heeft [betrokkene van M.] - naar zijn zeggen tegen de anonieme getuige - naar Rozenburg gestuurd en heeft zelf de rommel opgeruimd. Dit laatste past bij het feit - zoals hiervoor vastgesteld - dat de verdachte het slachtoffer heeft vermoord om sporen uit te wissen van wat er in de woning is gebeurd, waaronder het stelen van haar pinpas.

Gelet op de door de verdachte aan [betrokkene van M.] gegeven opdracht om te gaan pinnen althans de samenspraak hierover en de samenhang tussen de gebeurtenissen in de woning van het slachtoffer en dat pinnen, wordt de verdachte als medepleger van het onder 2 tenlastegelegde feit aangemerkt.

9 Vrijspraak feit 3 primair en subsidiair impliciet primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 3 primair ten laste gelegde diefstal van een Mazda 323 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht, met de verdediging en anders dan waartoe is gerekwireerd door de officier van justitie, evenmin de onder 3 subsidiair impliciet primair ten laste gelegde opzetheling van de Mazda 323 bewezen, zodat de verdachte ook hiervan zal worden vrijgesproken. Met name kan niet worden bewezen de voor opzetheling vereiste wetenschap van de verdachte van de criminele herkomst van de Mazda 323 tijdens het verkrijgen van dat voertuig.

10 Bewijs en bewijsmotiverimg feit 5

Bewijsverweer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij gebrek aan bewijs niet kan worden bewezen dat de verdachte de tenlastelegde brandstichting in het pand aan de Dalweg (de Pinnepot) te Oostvoorne heeft gepleegd. Bewijs dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde Mazda 323 in brand heeft gestoken ontbreekt eveneens.

Voor de betrokkenheid van de verdachte is enkel de verklaring van getuige [getuige van B.] voorhanden. Dat is onvoldoende. Bovendien is die verklaring onbetrouwbaar. Ook is niet duidelijk op welke locatie de Mazda in brand is gestoken, waardoor niet kan worden vastgesteld dat er gemeen gevaar voor (andere) goederen te duchten was. Ten aanzien van het pand is niet duidelijk dat sprake is geweest van een aangestoken brand.

Beoordeling bewijsverweer
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende kan worden vastgesteld op welke locatie de Mazda 323 is aangetroffen en hoe de situatie ter plaatse was. Nu daardoor niet kan worden vastgesteld of en op welke afstand van de Mazda 323 zich omliggende goederen en/of panden bevonden, kan niet worden vastgesteld dat als gevolg van de brand van de Mazda 323 gemeen gevaar voor goederen te duchten viel. Van dit deel van de tenlastelegging zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de de ten laste gelegde brandstichting in het pand aan de Dalweg te Oostvoorne (de Pinnepot) wordt het volgende overwogen.

Onweersproken is dat er brand is geweest in dit pand.

Getuige [getuige van B.] heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest bij een dollemansrit op de avond van 4 december 2003 met de Mazda 323, die werd bestuurd door de verdachte. [getuige van B.] zat toen als passagier in die auto evenals [getuige de J. (4)] . De verdachte is toen op een gegeven moment volgas achteruit gereden, tegen het rolluik van een pand in de Pinnepotaan. Op enig moment later die avond heeft de verdachte verfoplosser en wasbenzine gepakt. Hij heeft gezegd dat hij de auto in brand wilde steken. De volgende ochtend toen [getuige van B.] op weg was naar de woning van de verdachte zag [getuige van B.] brandweer en politie staan bij het pand waar de verdachte die nacht tegen aan was gereden. Bij de verdachte thuis hoorde hij de verdachte zeggen dat hij dat pand in brand had gestoken en - bij wijze van grap - dat men bij de in de Pinnepot gevestigde Club Sandwich “alleen nog geroosterede boterhammen kon halen”. Verder heeft [getuige van B.] gezien dat de verdachte die ochtend een forse brandplek op zijn dijbeen aan het verzorgen was.

Deze verklaring van [getuige van B.] wordt wat betreft de autorit bevestigd door de verklaring van getuige [getuige de J. (4)] . Deze heeeft immers verklaard dat hij op een avond in december

2003 samen met [getuige van B.] in een door de verdachte bestuurde auto zat en dat de verdachte toen met die auto expres tegen diverse voorwerpen, waaronder een gebouw in Oostvoorne, is aangereden.

Dat de brand in de Pinnepot het gevolg is van brandstichting leidt de rechtbank af uit de zojuist genoemde verklaring van [getuige van B.] dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij het pand in brand heeft gestoken in combinatie met het brandrapport van de Brandweer Westvoorne van 5 december 2003 inhoudend dat er brand is geweest in het pand en dat daarbij vermoedelijk sprake is geweest van brandstichting.

Bewijsmotivering

In bijlage II zijn de bewijsmiddelen opgenomen inhoudende de voor de bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde feit redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en van hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierna zal worden beschreven in het hoofdstuk: Bewezenverklaring.

11 Vrijspraak feit 6

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 6 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

12 Vrijspraak feit 8

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 8 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

13 Bewezenverklaring feiten 1, 2 en 5

Bewezen is dat de verdachte de onder 1 impliciet primair, 2 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1.
hij op 3 september 2005 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd C.J. van Toledo van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

brand gesticht in de auto waarin die Van Toledo zich bevond, tengevolge waarvan voornoemde Van Toledo is overleden;

2.

hij op 3 september 2005 te Rozenburg tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een geldautomaat aan het Raadhuisplein, heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan C.J. van Toledo, waarbij verdachte enzijn mededader enhet weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een bankpas tot het gebruik waarvan hij, verdachte en zijn mededader niet waren bevoegd, geld op te nemen;

5.

hij op 4 december 2003 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, opzettelijk brand heeft gesticht in een pand gelegen aan de Dalweg, immers heeft verdachte toen aldaar opzetteljjk vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en dat pand is verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de omliggende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

14 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1
Moord

2
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

5
Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

15 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

16 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer, terwijl zij gekneveld in de kofferbak van haar auto lag, levend verbrand door die auto in brand te steken. De verdachte handelde hierbij met voorbedachte rade. Voorafgaand aan de brandstichting is het slachtoffer in haar woning geconfronteerd met indringers die haar hebben bestolen van haar bankpas en bijbehorende pincode. De verdachte is ook in de woning van het slachtoffer aanwezig geweest. Hij heeft haar daar gekneveld en vanaf de woning vervoerd naar de plaats waar hij de auto van het slachtoffer in brand heeft gestoken. De brandstichting in de auto van het slachtoffer vond plaats om de sporen uit te wissen van wat er in de woning van het slachtoffer was gebeurd. Met de bankpas van het slachtoffer is later op de ochtend onbevoegdelijk geld gepind van haar bankrekening. De verdachte is daarbij als mededader betrokken geweest.

Kort voor haar overlijden moet het slachtoffer in doodsangst hebben verkeerd, waarna op gruwelijke wijze een einde is gemaakt aan haar leven. Het slachtoffer was een nog jonge vrouw. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen waarover de mens beschikt, te weten het recht op leven. Ook heeft hij de nabestaanden en dierbaren onherstelbaar leed toegebracht zoals onder meer is gebleken uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de moeder en zus van het slachtoffer. Zij zullen het slachtoffer voor altijd moeten missen. Van het lichaam van het slachtoffer resteerden slechts botdelen en grotendeels verbrande ledenmaten. Daardoor hebben de nabestaanden niet op een normale manier afscheid van haar kunnen nemen. Bovendien heeft de buitengewoon gewelddadige dood van het slachtoffer in de streek waar het delict is gepleegd voor veel beroering gezorgd en algemene gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving versterkt.

Op dergelijke feiten, waarbij gelet op de ernst van dat feit het zwaartepunt uiteraard bij de moord ligt, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van die duur is, behalve op de aard en ernst van de gepleegde delicten, tevens acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden.

Allereerst is gelet op straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, waarbij rekening is gehouden met het gegeven dat de maximale tijdelijke gevangenisstraf voor de gepleegde delicten tezamen destijds korter was dan tegenwoordig het geval is, namelijk 20 jaar.


Voorts is meegewogen dat de verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 maart 2019, vele malen eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en ook eerder is veroordeeld tot (langdurige) gevangenisstraffen.

Tevens is gelet op het feit dat het in dit geval gaat om een zgn. coldcasezaak die ruim 14 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Met dit tijdsverloop wordt enigszins in strafmatigende zin rekening gehouden.

De verdachte heeft steeds gezwegen over zijn betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer en daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan. Echter: het is een fundamenteel beginsel dat niemand verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De verdachte had en heeft, net als ieder ander die verdacht wordt van een strafbaar feit, het recht om te zwijgen. Dat hij dit jarenlang heeft gedaan zal dan ook, anders dan door het opennbaar ministerie als standpunt is ingenomen, niet als strafverzwarende omstandigheid bij de vaststelling van de duur van de gevangenisstraf worden betrokken.


Alles afwegend wordt de hierna te noemen straf passend en geboden geacht.

De door het openbaar ministerie geëiste gevangenisstraf van 20 jaar komt de rechtbank te hoog voor. Die straf komt overeen met de tijdelijke gevangenisstraf die maximaal voor de bewezenverklaarde delicten kan worden opgelegd. Hoe ernstig de gepleegde delicten ook zijn, gelet op alle omstandigheden van dit geval wordt oplegging van die gevangenissstraf niet juist geacht.

De verdachte heeft, enige tijd voor de moord, brand gesticht in een bedrijfspand, waardoor veel schade en overlast is ontstaan. Het forse tijdverloop sedert deze brandstichting, welk delict de verdachte ook meer dan 14 jaar geleden heeft gepleegd, maakt dat voor dat feit geen straf zal worden opgelegd.

17 Voorlopige hechtenis

Bij beslissing van de rechtbank van 20 augustus 2018 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst tot de datum waarop door de rechtbank einduitspraak wordt gedaan. Heden wordt einduitspraak gedaan. De schorsing eindigt dus met onmiddellijke ingang.

18 Benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregel

Vordering /verzoek

Als benadeelde partijen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit hebben zich, door middel van een voorafgaand aan de zitting ingediend schadevergoedingsformulier, gevoegd: [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] , beiden wonende te Oostvoorne, ouders en nabestaanden van het slachtoffer, vertegenwoordigd door raadsvrouwe mr. Y.H.G. van der Hut, advocaat te Den Haag. De benadeelde partijen vorderen een vergoeding van € 19.392,25 voor geleden materiële schade, te weten € 9.584,90 aan sloopkosten van de woning van het slachtoffer en daarmee verband houdende legeskosten en € 9.807,35 aan kosten van lijkbezorging, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook hebben de benadeelde partijen als proceskosten een vergoeding van € 747,08 gevorderd ter zake van gemaakte reis- en parkeerkosten.

Op de zitting van 19 september 2019 hebben de benadeelde partijen, mede namens [naam zus slachtoffer] , zus en nabestaande van het slachtoffer, ook nog verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen waarbij de verdachte wordt verplicht tot betaling aan de staat van € 20.000,- ten behoeve van [naam benadeelde 1] , € 20.000,- ten behoeve van [naam benadeelde 2] en € 17.250,- ten behoeve van [naam zus slachtoffer] , een en ander in verband met door ieder van hen geleden affectieschade.

Standpunt officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partijen, zowel de gevorderde schadevergoeding ter zake van de sloopkosten van de woning, de legeskosten, de kosten van lijkbezorging, inclusief de daarvoor gevorderde schadevergoedingsmaatregel, en de gevorderde proceskosten, alsmede de gevraagde schadevergoedingsmaatregel ter zake van affectieschade, volledig toewijsbaar zijn.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partijen in de schadevergoedings-vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens vrijspraak van het ten laste gelegde. Subsidiair (indien het tot een veroordeling mocht komen) heeft de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de kosten van lijkbezorging en de proceskosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde sloop- en legeskosten moeten volgens de verdediging worden afgewezen dan wel moeten de benadeelde partijen in dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is voldaan aan de vereisten die gelden voor toekenning van schadevergoeding ingeval van onrechtmatige daad. Immers, niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van brandstichting in de woning van het slachtoffer, dat deze de verdachte kan worden toegerekend, dat er causaal verband is tussen de brand en de schade en dat er sprake is van relativiteit.

Bij afwezigheid van een grondslag daartoe moet de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in verband met geleden affectieschade volgens de verdediging eveneens worden afgewezen. De aansprakelijkheid voor affectieschade bestaat niet voor gebeurtenissen die voor 1 januari 2019 hebben plaatsgevonden.

Ten slotte heeft de verdediging bepleit om, wanneer aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd, af te zien van het opleggen van enige schadevergoedings-maatregel, dan wel de daaran verbonden vervangende hechtenis te bepalen op een zeer korte periode.

Beoordeling

Kosten lijkbezorging

Op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv, voor zover hier van belang, kunnen, indien degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit ten gevolge van dat strafbare feit is overleden, personen bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, BW ter zake van de daar bedoelde vorderingen, zich als benadeelde partij voegen in het strafproces. Ingevolge artikel 6:108 BW is degene die aansprakelijk is voor het overlijden van iemand verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen deze kosten te vergoeden.


Vaststaat dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht. Verder is onweersproken dat de benadeelde partijen de kosten van de lijkbezorging van het slachtoffer hebben voldaan. De benadeelde partijen behoren dus tot de kring van voegingsgerechtigden ter zake van de kosten van de lijkbezorging. Nu door de verdachte de aansprakelijkheid voor en omvang van die kosten niet is weersproken, zal de vordering tot het gevorderde bedrag van € 9.807,35 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 3 september 2005, tot aan de dag van algehele voldoening.

Teneinde de incassering voor de benadeelde partijen te vergemakkelijken zal ter zake van dit schadebedrag de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr worden opgelegd met de gebruikelijke vervangende hechtenis. Dit wordt passend en geboden geacht. Het feit dat de verdachte tot een langdurige gevangenisstraf zal worden veroordeeld is geen reden om af te zien van het opleggen van deze schadevergoedingsmaatregel, dan wel de vervangende hechtenis op een kortere duur te bepalen dan gebruikelijk is.

Sloopkosten woning en leges

Op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv, voor zover hier van belang, kunnen, indien degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit ten gevolge van dat strafbare feit is overleden, zich tevens als benadeelde partij in het strafproces voegen de erfgenamen van de overleden persoon ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering van de overledene.

Vaststaat dat de benadeelde partijen, als ouders, de wettige erfgenamen van het slachtoffer zijn die haar vorderingen op anderen onder algemene titel hebben verkregen. De benadeelde partijen behoren dus tot de kring van voegingsgerechtigden ter zake van de sloop- en legeskosten.


De sloop- en legeskosten houden verband met de brand die in de woning van het slachtoffer heeft gewoed. Gesteld is dat daarbij sprake is geweest van brandstichting. Deze brandstichting is als zodanig niet aan de verdachte tenlastegelegd. Ook niet bewezen is, zoals wel is tenlastegelegd, dat de dood van het slachtoffer is veroorzaakt door de brandstichting in de woning, dan wel daarmee in voldoende sterk verband staat, zoals de benadeelde partijen hebben gesteld. Gelet hierop kan de gevorderde schade niet worden aangemerkt als rechtstreeks gevolg van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde strafbare feit.

De benadeelde partijen zullen daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.


Reiskosten en parkeerkosten
Op grond van artikel 592a Sv komen door een benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand in aanmerking voor vergoeding. De door de benadeelde partijen gevorderde reiskosten en parkeerkosten worden aangemerkt als kosten bedoeld in artikel 592a Sv. De verdachte heeft dit deel van de vordering niet weersproken, zodat de vordering tot een bedrag van € 747,08 zal worden toegewezen.

Affectieschade
De schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr kan worden opgelegd ten behoeve van het slachtoffer of personen in de zin van artikel 51f, tweede lid, indien en voor zover de verdachte jegens die personen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Ingevolge artikel 51f, tweede lid Sv kunnen ingeval van overlijden van het slachtoffer zich als benadeelde partij in het geding voegen de personen, bedoeld in artikel 6:108, eerste tot en met vierde lid, BW ter zake van de daar bedoelde vorderingen.

Vaststaat dat de moord op het slachtoffer bij de ouders en zus van het slachtoffer veel pijn en verdriet heeft veroorzaakt.Vergoeding van schade wegens het verdriet na overlijden van een naaste (affectieschade) kan dit leed in beperkte mate verzachten. Gelet op het bepaalde in artikel 6:95, eerste lid, BW, dient voor vergoeding van ander nadeel in de zin van dat artikel, waartoe affectieschade moet worden gerekend, echter een wettelijke grondslag te bestaan.


Op grond van de Wet vergoeding affectieschade kan affectieschade voor vergoeding in aanmerking komen. Deze wet is in werking getreden op 1 januari 2019. In een zelfstandig overgangsrecht voorziet de wet niet. Op grond van het algemeen overgangsrecht (van de Overgangswet Nieuw BW), geldt de mogelijkheid om aanspraak te maken op vergoeding van affectieschade slechts ter zake van gebeurtenissen die plaatsvinden na inwerkingtreding van de wet, dus gebeurtenissen vanaf 1 januari 2019. Voor gevallen waarin, zoals in dit geval, het slachtoffer vóór 1 januari 2019 is overleden, biedt de Wet vergoeding affectieschade dus geen aanspraak op een vergoeding van geleden affectieschade.

Gelet op het bepaalde in het eerder aangehaalde artikel 36f Sv brengt dit mee dat ter zake van die schade ook de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd.

De benadeelde partijen hebben nog aangevoerd dat de strafrechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet gebonden is aan civielrechtelijke regels. Er hoeft voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel alleen sprake te zijn van een civielrechtelijke aanspraak op schadevergoeding. Het is niet nodig dat die schadevergoeding ook op basis van civielrechtelijke regels opvorderbaar is, aldus de benadeelde partijen. Dit standpunt verdraagt zich echter niet met het bepaalde in artikel 36f Sv.

Volgens de benadeelde partijen is er in dit geval ook aansprakelijkheid wegens het bestaan van de op de verdachte rustende natuurlijke verbintenis om de door de benadeelde partijen als nabestaanden geleden affectieschade te vergoeden. De aansprakelijkheid op grond van een natuurlijke verbintenis gold al wel toen het slachtoffer werd vermoord.

Indien al juist is dat die natuurlijke verbintenis bestaat, bepaalt artikel 6:3 BW dat ook deze rechtens niet afdwingbaar is. Het verzoek van de benadeelde partijen om op die grond ter zake van de affectieschade de schadevergoedingsmaatregel op te leggen wordt daarom eveneens afgewezen.

19 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 157, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van de bewezenverklaarde delicten.

20 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

21 Beslissing

De rechtbank:

verwerpt het beroep van de verdediging op de partiële nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 8;

stelt vast dat het openbaar ministerie bij eerdere beslissing niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de onder 3 subsidiair impliciet subsidiair (schuldheling), 4 en 7 ten laste gelegde feiten;

verwerpt het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de onder 3 (primair en subsidiair impliciet primair), 5, 6 en 8 tenlastegelegde feiten;

wijst af de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging tot het horen als getuige van [getuige L.] , [betrokkene R.] , rechter-commissaris mr. A. Buizer en de twee rechercheurs die bij het verhoor van de anonieme bedreigde getuige aanwezig zijn geweest;

wijst af het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot benoeming van A.P.A. Broeders als deskundige;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 3 primair (diefstal) en subsidiair impliciet primair (opzetheling), 6 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair, 2 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte voor de onder 1 impliciet primair (moord) en 2 (diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel) bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


stelt vast dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met onmiddellijke ingang eindigt;

bepaalt dat ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 9.807,35 (zegge: negenduizendachthonderdenzeven euro en vijfendertig eurocent), bestaande uit de kosten van de lijkbezorging van het slachtoffer, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vordering ten aanzien van de sloopkosten van de woning van het slachtoffer en de daarmee verband houdende legeskosten; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op € 747,08 aan parkeer- en reiskosten en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen te betalen € 9.807,35 (zegge: negenduizendachthonderdenzeven euro en vijfendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 9.807,35 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 84 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.

wijst af het verzoek van de benadeelde partijen en hun dochter [naam zus slachtoffer] tot oplegging aan de verdachte van de schadevergoedingsmaatregel ter zake van de door ieder van hen geleden affectieschade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en K.A. Baggerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen en W. Remijn, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 november 2019.

Griffier mr. Van Empelen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.
hij op of omstreeks 03 september 2005 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd C.J. van Toledo van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, brand gesticht in/bij de woning van die Van Toledo en/of de auto waarin die Van

Toledo zich bevond, althans enig lichamelijk letsel toegebracht aan die Van Toledo, tengevolge waarvan voornoemde Van Toledo is overleden;

2.

hij op of omstreeks 03 september 2005 te Rozenburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een geldautomaat op/aan het Raadhuisplein, heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan C.J. van Toledo, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met een bankpas tot het gebntik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet was/waren bevoegd, geld op te nemen;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 27 november 2003 op 28 november 2003 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (Mazda 323, kenteken [kentekennummer 3] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 27 november 2003 tot en met 04 december 2003 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, in elk geval in Nederland, (een) goed(eren), te weten een (personen)auto (Mazda 323, kenteken [kentekennummer 3] ), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krjjgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrjjf, verkregen goed(eren) betrof;

4.
hij in of omstreeks de nacht van 03 december 2003 op 04 december 2003 te Brielle en/of Rockanje, gemeente Westvoorne, in elk geval in Nederland, meermalen, althans éénmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

- een benzinestation, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Texaco, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of

- een abri/bushokje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Provincie Zuid-Holland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of
- een houten hek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door (telkens) met een auto (vol gas) in te rijden op/tegen dat benzinestation en/of die/dat abri/bushokje en/of dat houten hek;

5.

hij op of omstreeks 04 december 2003 te Oostvoorne, gemeente Westvoorne, meermalen, althans éénmaal (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een pand gelegen op/aan de Dalweg, immers heeft verdachte toen aldaar opzetteljjk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat pand en/of de omliggende panden geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

en/of

opzettelijk brand heeft gesticht in een (personen)anto (Mazda 323, kenteken [kentekennummer 3] ), staande op/nabjj de Molendjjk, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die auto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor de omliggende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

6.

hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2005 tot en met 18 januari 2005 te Rotterdam ter uitvoerjng van het door verdachte voorgenomen mjsdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand gelegen op/aan de Dintelweg weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 1] en/of [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten een ruit heeft ingegooid, althans geforceerd en/of (vervolgens) door de aldus ontstane opening dat pand is binnengeklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij op of omstreeks 22 augustus 2003 te Brielle tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk de hierna te noemen goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, te weten
- één of meer ruit(en) van één of meer trekker(s) (kenteken(s) [kentekennummer 4] en/of [kentekennummer 2] ), en/of één of meer ruit(en) van één of meer(personen)auto's (kenteken(s) [kentekennummer 5] en/of [kentekennummer 6] en/of [kentekennummer 7] ) heeft ingeslagen, althans geforceerd en/of
- een brandblusser heeft leeggespoten in de cabine van een vrachtwagen (kenteken [kentekennummer 1] ) en/of het dashboard van voornoemde vrachtwagen, heeft geforceerd en/of
- een brandblusser heeft leeggespoten in de cabine van een trekker (kenteken [kentekennummer 2] ) en/ of het dashboard van die trekker heeft geforceerd;

8.

hij op of omstreeks 22 augustus 2003 te Brielle tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 35, althans een aantal muziek CD's en/of het bedieningsfront van een autoradio CD combinatie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf 2] en/of [naam 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).