Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8939

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
10/131306-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, hasj en hennep. Gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek. Beroepo op psychische overmacht verworpen. De drang van de verdachte om de verdovende middelen, die van haar echtgenoot waren, te verbergen is niet aan te merken als een van buiten komende drang, waaraan zij geen weerstand behoefde te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/131306-19

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

woonachtig in het buitenland op het adres:

[adres verdachte] (Groot-Brittannië),

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis,

raadsvrouw mr. M.T.H. Oeij, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Verhoeven heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feiten 2 en 3

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de verdachte van het onder 2 en 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat het opzet (inclusief het voorwaardelijk opzet) op het aanwezig hebben van de verdovende middelen ontbreekt. Ook van medeplegen is geen sprake. De drugs lagen tegen de wil van de verdachte in de caravan/chalet. Toen zij deze drugs ontdekte, heeft zij haar man [naam medeverdachte] hier onmiddellijk mee geconfronteerd en hem verzocht de drugs te verwijderen. Omdat [naam medeverdachte] de drugs niet verwijderde, heeft zij de drugs verplaatst naar de schuur. Zij heeft dus niet stilzwijgend toegekeken en het allemaal maar toegelaten.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte van het opzettelijk aanwezig hebben van 1006,5 gram cocaïne moet worden vrijgesproken. Van deze hoeveelheid cocaïne was zij niet op de hoogte.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank acht op grond van de verklaring van de verdachte bij de politie en de inhoud van overige wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen het onder 2 en 3 ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van hoeveelheden hennep, hasj en cocaïne.

Op 30 mei 2019 wordt er tijdens een doorzoeking op het verblijfsadres van de verdachte en haar man [naam medeverdachte] in [woning] , gevestigd aan de [adres] te [plaatsnaam] , een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. In de bijbehorende schuur wordt in de magnetron een doos met 78,4 gram henneptoppen en 1913,1 gram plakken hasj aangetroffen. Achter de koelkast wordt in een rode plastic tas een zakje met 133,9 gram cocaïne en een plak van 1006,5 gram cocaïne aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat zij 28 mei 2019 of 29 mei 2019 verdovende middelen van haar man onder de wasbak in de keuken van het chalet heeft aangetroffen en –in ieder geval een deel daarvan- naar de schuur heeft verplaatst. De doos met marihuana en hasj heeft zij in de magnetron gestopt en de rode plastic tas met cocaïne achter de koelkast. Hieruit leidt de rechtbank af dat deze drugs zich in zoverre in haar machtssfeer bevonden. Daaruit volgt naar het oordel van de rechtbank dat de verdachte de drugs samen met haar man [naam medeverdachte] opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat ook het aanwezig hebben van de plak van 1006,5 gram cocaïne bewezen kan worden. Niet alleen zat deze plak in dezelfde rode plastic tas die de verdachte achter de koelkast had gestopt, maar de verdachte was ook de enige die in het bezit was van een sleutel van de schuur waar de cocaïne lag verborgen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2

zij in de periode van 29 mei 2019 tot en met 30 mei 2019 te [plaatsnaam] , gemeente Westvoorne tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk aanwezig heeft gehad 1140,4 gram van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst It;

3

zij in de periode van 29 mei 2019 tot en met 30 mei 2019 te [plaatsnaam] , gemeente Westvoorne tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk aanwezig heeft gehad 1913,1 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en 78,4 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld onder invloed van loyaliteit jegens haar echtgenoot, de medeverdachte [naam medeverdachte] , met wie zij reeds 28 jaren was getrouwd. De uit het huwelijk voortvloeiende verplichting tot bijstand vormde een dwang waaraan zij geen weerstand kon bieden.

6.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Nadat de verdachte de drugs in het chalet had aangetroffen, heeft zij ter bescherming van haar man hiervan geen melding gemaakt bij de politie. Daargelaten of sprake is geweest van een drang waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden, is deze drang niet aan te merken als een van buiten komende drang, maar als een innerlijke drang.

Ook overigens zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met haar echtgenoot hoeveelheden hennep, hasj en cocaïne in de schuur van hun chalet voorhanden gehad.

Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de handel in verdovende middelen andere vormen van (zware) criminaliteit met zich meebrengt. De verdachte heeft met haar handelen bijgedragen aan het in stand houden daarvan.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, zoals neergelegd in de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt wordt voor het medeplegen van het voorhanden hebben van de bewezen hoeveelheden verdovende middelen een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden gehanteerd. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat zij een zeer beperkte rol in het geheel heeft gehad en dat zij volgens de Nederlandse, Engelse en Spaanse strafbladen niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. A. Bonder en S.E.C. Debets, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Spanner, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

zij

op of omstreeks 29 mei 2019, te Brielle,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen van een geldbedrag, te weten 30.000 euro, de werkelijke

aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie

de rechthebbende op een geldbedrag, te weten 30.000 euro, was, en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie voornoemd geldbedrag, voorhanden

heeft gehad,

terwijl zij wist dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2

zij

in of omstreeks de periode van 29 mei 2019 tot en met 30 mei 2019 te

[plaatsnaam] , gemeente Westvoorne

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 1140,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

zij

in of omstreeks de periode van 29 mei 2019 tot en met 30 mei 2019 te

[plaatsnaam] , gemeente Westvoorne

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad ongeveer 1936,4 gram, in elk geval een

hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 78,4 gram,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;