Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8911

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
10/741449-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. 24 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741449-17

Datum uitspraak: 5 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging doodslag;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet degene is die heeft gestoken met het mes. Hij heeft het mes opgepakt toen hij het zag vallen en er toen een paar stappen mee gelopen. Daarna heeft hij het mes weggegooid. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Verder heeft de verdediging kritische kanttekeningen geplaatst bij het rapport van het NFI van 2 mei 2018 met de criminalistische interpretatie van de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Rotterdam op 3 oktober 2017 (hierna: Rapport interpretatie NFI).

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van het volgende. In de vroege ochtend van 3 oktober 2017 is in een parkeergarage bij [naam horecagelegenheid] in Rotterdam een vechtpartij ontstaan tussen twee groepen. Tijdens deze vechtpartij is [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) vijf keer in zijn rug gestoken. De verdachte was aanwezig bij deze vechtpartij en maakte deel uit van de andere groep dan die waartoe het slachtoffer behoorde. Op het mes dat is gevonden in de parkeergarage in de buurt van de vechtpartij zit een DNA-profiel dat overeenkomt met dat van zowel de verdachte (aan het heft) als dat van het slachtoffer (aan het lemmet). In de auto waarin de verdachte is vertrokken uit de parkeergarage waar het steekincident zich heeft afgespeeld is op de plekken waar de verdachte heeft gezeten bloed aangetroffen van het slachtoffer.

Zijn de conclusies van het NFI inzake de interpretatie van de resultaten van het DNA-onderzoek betrouwbaar?

In het Rapport interpretatie NFI staat dat het NFI het waarschijnlijker (10-100 keer) acht dat de verdachte het mes in de rug van het slachtoffer heeft gestoken, dan dat een ander persoon dit heeft gedaan waarna de verdachte het mes heeft opgepakt en na 10 seconden vasthouden heeft weggegooid. De verdediging heeft in de vorm van een rapport van Independent Forensic Services kritische kanttekeningen geplaatst bij deze conclusie van het deskundigenrapport van het NFI.

De rechtbank stelt voorop dat zij – in beginsel – uitgaat van de betrouwbaarheid van een deskundigenrapport tenzij er duidelijke en concrete aanwijzingen zijn dat er fouten zijn gemaakt door de betreffende deskundige. De door de verdediging naar voren gebrachte kritische kanttekeningen zijn echter vooral suggesties voor nader onderzoek of dat onderzoek ook (of anders) verricht had kunnen worden en dat (mogelijk) niet is verricht, bijvoorbeeld naar de op het mes aangetroffen haar of naar de aanwezigheid van bloed van iemand anders dan van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat een (theoretische) mogelijkheid voor aanvullend onderzoek onvoldoende is om het uitgevoerde onderzoek en de daaruit getrokken conclusie als onbetrouwbaar -of minder betrouwbaar dan thans in het rapport is aangeduid- te bestempelen. De deskundige heeft immers bij het trekken van de conclusies de wijze betrokken waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden.

Verder is door de verdediging naar voren gebracht dat de theoretische mogelijkheid bestaat dat bij het NFI fouten zijn gemaakt, bijvoorbeeld als gevolg van de naamswijziging van de verdachte. Ook deze enkele stelling is zonder enige nadere onderbouwing waaruit een begin van aannemelijkheid volgt dát er fouten zijn gemaakt, onvoldoende om aan te nemen dat deze fouten ook daadwerkelijk zijn gemaakt. De rechtbank heeft, gelet op het vorenstaande, geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat dit het geval is. De rechtbank gaat daarom uit van de betrouwbaarheid van het rapport van het NFI en neemt de conclusie van het NFI over.

Heeft de verdachte het slachtoffer gestoken?

Op de camerabeelden van het voorval is de verdachte te zien met een puntig voorwerp in zijn hand. Verder zijn op het mes (alleen) het DNA-profiel van de verdachte en dat van het slachtoffer aangetroffen. Op grond van het concreet aangetroffen sporenbeeld op het mes is het, zoals hiervoor al besproken, waarschijnlijker (10-100 keer) dat de verdachte heeft gestoken dan dat een ander dit heeft gedaan en de verdachte het mes uitsluitend korte tijd heeft vastgehouden. Bovendien is het bloed van het slachtoffer aangetroffen in de auto van medeverdachte [naam medeverdachte 1] op de plaatsen (achterin en voorin bij de bijrijdersstoel) waar de verdachte heeft gezeten, hetgeen wijst op een vorm van fysiek contact tussen het slachtoffer en verdachte waarbij het bloed van het slachtoffer op verdachte moet zijn overgedragen. Tot slot is op de camerabeelden te zien dat de verdachte (als enige van alle aanwezigen) in een langzamer tempo loopt op de plek waar het mes later is gevonden. Op grond van deze bewijsmiddelen in samenhang bezien gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte degene is die het slachtoffer heeft gestoken.

Het alternatieve scenario is om een aantal redenen niet geloofwaardig. Ten eerste is dit scenario pas door de verdachte naar voren gebracht toen zijn DNA-profiel was aangetroffen op het mes en zelfs daarna heeft de verdachte zijn verklaring op dit wezenlijke punt nog aangepast. In eerste instantie heeft de verdachte gezwegen, daarna heeft hij verklaard dat hij het mes meteen heeft weggegooid (zie schriftelijke verklaring), en weer later heeft hij verklaard dat hij nog een paar stappen heeft gelopen en daarbij het mes gedurende (maximaal) 10 seconden vast heeft gehad (verklaring bij de politie en op de zitting). Verder heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven over het puntige voorwerp in zijn hand, dat gezien wordt op de camerabeelden. Ook hierover heeft de verdachte wisselend verklaard. Het zou zijn telefoon zijn (dat heeft zijn raadsvrouw namens hem verteld bij de rechter-commissaris) of het zou iets zijn in handen van medeverdachte [naam medeverdachte 2] (pleitnota advocaat). Voor beide verklaringen is naar het oordeel van de rechtbank geen steun te vinden in de bewijsmiddelen. Tot slot geeft de verdachte geen geloofwaardige verklaring voor langzamer lopen op de plaats waar later het mes is aangetroffen. Tijdens de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij dit deed omdat hij wilde kijken of het mes er nog lag. De verdachte heeft de rechtbank niet kunnen uitleggen waarom hij dit deed en waarom nu juist op deze plek, terwijl hij eerder had verklaard dat hij niet wist in welke richting hij het mes had gegooid. Bovendien ontkent hij het mes toen daar gezien te hebben en ook dat is opvallend omdat hij precies op de plek langzamer loopt waar het mes open en bloot is aangetroffen. Dit alles maakt het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario ongeloofwaardig en dit wordt door de rechtbank verworpen.

De rechtbank acht daarom bewezen dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft gestoken.

Had de verdachte opzet op de dood van het slachtoffer?

De verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren met kracht in zijn rug gestoken. Dit handelen is naar uiterlijke verschijningsvorm gericht op en geschikt tot het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer. Als iemand op meerdere plaatsen midden en onder in zijn rug wordt gestoken dan is de kans groot dat dusdanig ernstig letsel wordt toegebracht dat dit de dood tot gevolg heeft, bijvoorbeeld als de longen en/of grote bloedvaten en/of andere vitale organen worden geraakt door een of meer van de messteken.

Uit de FARR-verklaring van 28 december 2017 dat blijkt ook dat een forensisch arts het toegebrachte letsel als ‘potentieel dodelijk’ heeft geduid.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 03 oktober 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet

meermalen met een mes in de rug,

van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit en kwalificatie

Het bewezen feit levert op:

poging doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft meerdere keren in de rug van het slachtoffer gestoken met een mes. Dat het slachtoffer als gevolg hiervan niet is komen te overlijden is niet te danken aan de verdachte maar eerder aan de politieambtenaren die snel een ambulance hebben gebeld en de artsen die vervolgens tijdig en adequaat medisch hebben ingegrepen.

De verdachte heeft – blijkbaar – in het kader van een ruzie tussen twee groepen mensen, waarbij tot dan toe alleen sprake was van slaan en duwen, gekozen voor het toepassen van grof geweld. Dit heeft tot op de dag van vandaag grote gevolgen voor het slachtoffer, zowel in geestelijk als lichamelijk opzicht, zoals ook blijkt uit de op de zitting voorgelezen verklaring van het slachtoffer. Bovendien zijn dergelijke geweldsmisdrijven ook zeer ingrijpend voor omstanders en andere mensen die er direct of indirect mee worden geconfronteerd. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 januari 2018. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om in strafverhogende dan wel in strafmatigende zin rekening te houden met de inhoud van dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.505,05 aan materiële schade. Deze schade bestaat uit kosten kleding van in totaal € 990,-, ziekenhuiskosten van

€ 220,-, eigen risico van € 365,- en opvragen medische gegevens € 38,05. Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 10.000,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich wat de kosten voor de kleding en voor het eigen risico betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, volgens hem zijn deze posten van de vordering onvoldoende onderbouwd. De ziekenhuiskosten en de kosten voor het opvragen van de medische gegevens zijn toewijsbaar. De kosten voor de immateriële schade zijn (deels) toewijsbaar, maar ook voor de hoogte van het bedrag refereert de officier zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vorderingen van de materiële schade voor de kleding en voor het eigen risico af te wijzen omdat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Ook de immateriële schade is onvoldoende onderbouwd wat de psychische klachten betreft. Er was immers al een hulpvraag en bovendien herinnert het slachtoffer zich niets meer van het incident. De verdediging verzoekt om deze schade af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren of (uiterst) subsidiair in elk geval te matigen.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. De posten op de vordering ter zake de ziekenhuiskosten (€ 220,-) en het opvragen van medische gegevens (€ 38,05) zijn genoegzaam onderbouwd. Beide bedragen zullen worden toegewezen.

De hoogte van het bedrag ter zake de kosten voor de kleding is onvoldoende onderbouwd. Omdat de rechtbank ervan uitgaat dat de benadeelde partij wel schade heeft geleden door beschadiging van zijn broek, shirt en schoenen zal de rechtbank deze schade schatten op een bedrag van € 300,-. Voor het meerdere zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Ook de kosten van het eigen risico van de ziektekostenverzekering zijn niet onderbouwd en ook voor dit onderdeel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment en op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,-. De benadeelde partij zal voor de rest van het gevorderde bedrag niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 oktober 2017, de datum van het delict.

Omdat de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.558,05 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de tijd die in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, te betalen een bedrag van € 5.558,05 (zegge: vijfduizendvijfhonderdachtenvijftig euro en vijf cent), bestaande uit € 558,05 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.558,05 (hoofdsom, zegge: vijfduizendvijfhonderdachtenvijftig euro en vijf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.558,05 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. J. Fransen en B. Krijnen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 03 oktober 2017 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug,

althans in het lichaam, van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;