Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:89

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
C/10/563119 / JE RK 18-3689 en C/10/563120 / JE RK 18-3690
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek gecertificeerde instelling (GI) om bekrachtiging schriftelijke aanwijzing inzake omgang afgewezen, omdat deze in strijd is met geldende wetgeving en jurisprudentie. Verwijzing naar ECLI:NL:HR:2018:2321.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/563119 / JE RK 18-3689 en C/10/563120 / JE RK 18-3690

datum uitspraak: 4 januari 2019

beschikking

in de zaken van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2007 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2010 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de verzoeken met bijlagen van de GI van 26 november 2018, ingekomen bij de griffie op 27 november 2018,

Op 12 december 2018 heeft de kinderrechter de zaken ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder,

- de vader, bijgestaan door mr. P. van Baaren,

- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, dhr. [naam vertegenwoordiger] en mw. [naam vertegenwoordigster] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 1 februari 2018 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot

1 februari 2019.

De verzoeken

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar.

Daarnaast heeft de GI verzocht om de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2018 inzake de omgangsregeling met de vader te bekrachtigen. De aanwijzing houdt het volgende in:

“De GI heeft besloten om voor de duur van de nieuwe ondertoezichtstelling de omgang tussen de vader en de kinderen stop te zetten. De omgang kan alleen worden opgestart als de vader aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • -

    hij moet een verwijzing naar het Dok of de Waag regelen en zich laten behandelen voor het agressieve en extreem drukke gedrag,

  • -

    de behandeling laat significant resultaat zien, de vader is niet meer agressief en kan rustig in gesprek met de GI,

  • -

    de vader staat toe dat er contact is tussen de GI en de behandelaar om de voortgang te bespreken.

Daarnaast is het de kinderen wel toegestaan eenmaal per week telefonisch contact te hebben met hun vader op woensdagavond 18.30-19.00 uur. De vader mag beide kinderen ieder een kwartier spreken. Een voorwaarde is dat de gesprekken over de kinderen en hun leven gaan.”

De GI handhaaft de verzoeken ter zitting en licht ze als volgt toe. De kinderen hebben in het verleden veel meegemaakt, waarvoor de moeder zelf hulpverlening heeft gezocht. De GI is van mening dat de moeder het goed doet. Het grootste probleem is het contact met de vader. De ouders zijn het over veel zaken niet met elkaar eens. De moeder ziet in dat het contact tussen de ouders anders moet en staat open om daarover te praten. De vader is echter buitengewoon boos en weigert in gesprek te gaan. Hij uit zijn boosheid naar de gezinsvoogd, de moeder en de kinderen. De kinderen hebben hier last van. De GI heeft de omgang tussen de vader en de kinderen stopgezet, omdat de jeugdbeschermer niet met de vader kan communiceren. De GI vindt dat dit het komende jaar zo moet blijven. De vader moet eerst aan zijn eigen problematiek werken, voordat de omgang tussen hem en de kinderen opgestart kan worden.

De standpunten

De moeder is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij wil graag dat de omgang goed verloopt tussen de vader en de kinderen. Het is belangrijk dat de vader hulp krijgt voor zijn problematiek, zodat hij daarna de kinderen weer kan zien. Soms zegt de vader lelijke woorden tegen de kinderen aan de telefoon. [voornaam minderjarige 2] wil graag naar de vader toe, maar hij is ook bang voor hem. [voornaam minderjarige 1] mist zijn vader, maar hij ervaart nu geen spanningen meer. De moeder is bereid om binnenkort te starten met begeleide omgang van twee uur per week.

De vader verzet zich, deels bij monde van zijn advocaat, tegen de verzoeken van de GI. De vader is gediagnosticeerd met ADHD. De vader heeft een baan in de haven, wordt gesteund door een vriendin, betaalt alimentatie en heeft geen strafblad. Totdat de GI zich ging bemoeien met het gezin, verliep de omgang positief. De vader voelt zich slecht behandeld. De kinderen geven aan dat zij de vader missen. Het doel is om de kinderen weer te zien, maar de vader kan niet aan de aanwijzing van de GI voldoen. Het gedrag van de vader wordt erger als hij in contact komt met de hulpverlening. De advocaat verzoekt om beide verzoeken af te wijzen en om een nieuwe omgangsregeling vast te stellen. Het is niet noodzakelijk om iedere omgang stop te zetten. Omdat de vader dichtbij de moeder woont, kunnen de kinderen op de fiets langskomen. De voorwaarden die opgelegd worden zijn niet reëel. De vader kan zijn ADHD niet opheffen, maar hij kan het wel verminderen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen vertonen beiden gedrags-problemen. Het afgelopen jaar heeft de moeder laten zien dat zij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] een stabiele opvoedsituatie kan bieden. De moeder heeft hulpverlening gezocht om de gedragsproblematiek aan te pakken en onderneemt sportactiviteiten met de kinderen. De GI heeft geprobeerd om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. Dit is echter bij de eerste ontmoeting op het kantoor van de GI al geëscaleerd. De ouders hebben nog steeds moeite om op een passende wijze met elkaar te communiceren, waardoor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] klem zitten tussen de ouders. De kinderrechter is van oordeel dat de inzet van een jeugdbeschermer nog noodzakelijk is om de ouders te begeleiden in de onderlinge communicatie, zodat geprobeerd kan worden aankomend jaar de omgang tussen de vader en de kinderen op een voor de kinderen verantwoorde manier te hervatten.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De moeder, zijnde de verzorgende ouder, stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op grond van vorenstaande verlengen voor de duur van twaalf maanden.

Ten aanzien van het verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2018 overweegt de kinderrechter als volgt. Op 14 december 2018 heeft de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen beantwoord die in de onderhavige zaak van belang zijn (ECLI:NL:HR:2018:2321). Onder meer heeft de Hoge Raad overwogen dat de GI niet langer aan de algemene aanwijzingsbevoegdheid van art. 1:263 BW de bevoegdheid kan ontlenen tot het geven van contactbeperkende aanwijzingen (zie 4.1.3). Buiten het geval van uithuisplaatsing (waarvoor art. 1:265f BW een bijzondere regeling bevat) dient de GI zich dus steeds op de voet van art. 1:265g BW tot de kinderrechter te wenden wanneer zij voor de duur van de ondertoezichtstelling contact-beperkende maatregelen in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. Dit betekent dat niet langer grond bestaat voor een verruiming van het toepassingsbereik van art. 1:265f BW tot andere gevallen dan uithuisplaatsing.

Omdat in het onderhavige geval enkel sprake is van een ondertoezichtstelling (en niet ook van een uithuisplaatsing), kan de GI (enkel) op grond van art. 1:265g, eerste lid, BW, de kinderrechter verzoeken voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen (of te wijzigen). De GI kan dat niet via een schriftelijke aanwijzing regelen. Artikel 1:265f BW geldt alleen voor uithuisplaatsingen. Dit heeft tot gevolg dat de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2018 niet kan worden bekrachtigd, omdat deze in strijd is met geldende wetgeving en jurisprudentie.

De kinderrechter acht nog het volgende van belang. Tijdens de behandeling ter zitting is gebleken dat de vader van goede wil is, maar dat hij zeer in beslag wordt genomen door zijn eigen emoties. Mensen in zijn omgeving schrikken daarvan. Het is belangrijk dat de kinderen hun vader kunnen zien, maar dat moet dan wel op een rustige manier gebeuren. De moeder vindt het ook belangrijk dat de vader en de kinderen op een fijne manier contact met elkaar hebben. De kinderrechter is van oordeel dat de vader de komende tijd moet proberen te leren om rustiger te reageren. Binnenkort heeft de vader een gesprek met een hulpverlener via zijn werk; wellicht kan deze persoon de vader adviseren over passende hulp.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 1 februari 2020;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de GI om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van

26 november 2018 af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van L.M. Ruijgrok als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.