Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8846

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
12-11-2019
Zaaknummer
C/10/563429 / HA ZA 18-1161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenwerkingsovereenkomst. Overeenkomst ten onrechte ontbonden. Ontbinding kwalificeert als opzegging. In dit geval was opzegging van de overeenkomst tussentijds mogelijk. Vasthouden aan minimum duur is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Artikel 2:9 BW strekt zich niet uit tot de in deze zaak optredende niet-bestuurders. Artikel 7:408 BW. Artikel 6:248 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/609
JOR 2020/102 met annotatie van Klomp, R.J.Q.
JONDR 2020/387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/563429 / HA ZA 18-1161

Vonnis van 9 oktober 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RDL PETROCHEMIE SERVICES B.V.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. Ph. Ekering te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

I.T.A. NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. rechtspersoon naar vreemd recht

GROUP ITA INDUSTRIËLE TECHNISCHE ASSISTENTIE BVBA,

gevestigd te Rijkevorsel,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. W.J. Liebrand te Oss.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als RDL respectievelijk I.T.A. Nederland en Group I.T.A. dan wel I.T.A. Nederland c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) voor gedaagden gezamenlijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 november 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord en van eis in reconventie met producties, van de zijde van I.T.A. Nederland c.s. ;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties van de zijde van RDL ;

  • -

    het proces-verbaal van de op 21 mei 2019 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In dit geschil wordt van de navolgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1.

Tussen RDL en I.T.A. Nederland is op 9 maart 2016 een managementovereenkomst gesloten die, voor zover voor dit geding relevant, als volgt luidt:
“(…)
Artikel 3. Vergoedingen

(…)

4. De manager zal voor de in rekening te brengen vergoedingen en kosten facturen sturen. De vennootschap zal de factuur binnen 14 dagen voldoen, bij gebreke waarvan de vennootschap, zonder dat daartoe enige aanmaning is vereist, in verzuim is. Voor elke dag dat de vennootschap in verzuim is, is de vennootschap een boeterente verschuldigd. De boeterente is gelijk aan de wettelijke rente plus 2%, ingaande op de dag van de aanvang van het verzuim tot en met de dag van betaling

(…)

7. De manager zal een privé wagen inzetten t.b.v. uitvoering van zijn dagelijkse I.T.A. Industriële Technische Assistentie werkzaamheden. Deze wordt enkel voor personenvervoer ingezet. Ter compensatie voor het niet aangaan van een door I.T.A. Industriële Technische Assistentie BV beschikbaar gestelde geel kenteken bedrijfswagen, zal een maandcompensatie door de manager, maandelijks groot € 1100,- (elfhonderdeuro) worden gefactureerd aan I.T.A. Industriële Technische Assistentie BV . De vennootschap zal deze binnen 14 dagen voldoen.

Overige zaken: Er zal een brandstof tankpas worden verstrekt door de vennootschap waarvan manager kosteloos onbeperkt gebruik kan maken, zowel binnen als buiten de uitvoering van zijn opdrachtwerkzaamheden voor de vennootschap.

(…)”

2.2.

Tussen RDL enerzijds en Group I.T.A. en I.T.A. Nederland anderzijds is op 16 maart 2018 een managementovereenkomst gesloten die, voor zover relevant, als volgt luidt:

“(…)

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

Artikel 1. Opdracht

1. De manager neemt op zich het On site machining management over de vennootschap te voeren. In het bijzonder neemt de manager op zich, al dan niet met anderen, leiding te geven aan de onderneming van de vennootschap, welke onderneming zich bezighoudt met het verlenen van diensten op het gebied van alle voorkomende onderhoud en reparatie van industriële installaties.

(…)

Artikel 2. Duur

1. De eerdere management overeenkomst van dd.09 maart 2016 loopt zonder onderbreking over in deze herziende Managementovereenkomst. Deze overeenkomst, ingangsdatum 16 maart 2018, is aangegaan voor onbepaalde tijd, doch echter met een minimale verbintenis voor de duur van 05 (vijf) kalenderjaren (40 urige werkweek) na ingaande van deze managementovereenkomst. (…)
2. Na de hierboven genoemde duur van de verbintenis van minimaal vijf jaar, kan elk van beide partijen de overeenkomst opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 3(drie) maanden. Opzegging dient schriftelijk te geschieden.

Artikel 3. Vergoedingen

1. De vennootschap betaalt de manager voor het verrichten van de in artikel 1 omschreven diensten een vaste vergoeding, voor uitgevoerde arbeid, per kalendermaand van € 11.000 (elfduizend euro) te vermeerderen met omzetbelasting, uitbetaling 12 gelijke maandelijkse termijnen.
(…)

4. De manager zal de vennootschap voor de in rekening te brengen vergoedingen en kosten facturen sturen. De vennootschap zal de factuur binnen 14 dagen voldoen, bij gebreke waarvan de vennootschap, zonder dat daartoe enige aanmaning is vereist, in verzuim is. Voor elke dag dat de vennootschap in verzuim is, is de vennootschap een boeterente verschuldigd. De boeterente is gelijk aan de wettelijke rente plus 2%, ingaande op de dag van de aanvang van het verzuim tot en met de dag van betaling.

5. Voor het nakomen van de financiële verplichting, met betrekking tot deze management vergoeding per kalendermaand, van deze verbintenis met de duur van tenminste minimaal 05 (vijf) jaar, staat Group I.T.A. Industriële Technische Assistentie bvba gevestigd te België borg, ongeacht bij een eventuele faillissement verklaring van de Nederlandse ITA Industriële Technische Assistentie BV . Bij een tussentijdse afkoop van de duur van deze vijfjarige managementovereenkomst, vanuit ITA Industriële Assistentie BV aan de manager, zal een vergoeding verschuldigd zijn ter grootte van de managementvergoeding over de duur van 24 maanden, welke netto zal worden uitgekeerd in de vorm van een schadevergoeding. Ook hier staat Group I.T.A. Group ITA bvba gevestigd te België borg voor. (…)

6.
De manager zal een privé wagen inzetten t.b.v. uitvoering van zijn dagelijkse ITA Industriële Technische Assistentie BV werkzaamheden. Deze wordt enkel voor personenvervoer ingezet. Ter compensatie voor het niet aangaan van een door ITA Industriële Technische Assistentie BV beschikbaar gestelde geel kenteken bedrijfswagen, zal een maandcompensatie door de manager, maandelijks groot €1.100,- (elfhonderd euro), worden gefactureerd aan ITA Technische Assistentie BV. De vennootschap zal deze binnen 14 dagen voldoen.

(…)

Artikel 14. Overige afspraken
1. Deze managementovereenkomst is van kracht ingaande 16 maart 2018, de 40% in bezit zijnde I.T.A. Nederland B.V. aandelen, ondergebracht bij RDL Petrochemie Services BV , worden na ondertekening van deze overeenkomst, notarieel overgedragen (…).

(…)
5. Indien de vennootschap deze managementovereenkomst tussentijds opzegt, dan zal buiten de verplichte financiële verplichtingen zoals in deze management overeenkomst vermeld in artikel 3, alsnog een vergoeding worden betaald voor de overdracht van de aandelen zoals vermeld in lid 1 van groot € 20.000 netto (twintigduizendeuro) onder vermelding aandelen opkoop, dit binnen 14 dagen na het ontbinden van deze managementovereenkomst.

(…)”

2.3.

RDL heeft maandelijks facturen verzonden ter zake van de management- auto- en onkostenvergoeding, steeds voor de daaraan voorafgaande maand. I.T.A. Nederland heeft de facturen d.d. 4 juni 2018 (over de maand mei) ten bedrage van € 15.074,13, d.d. 2 juli 2018 (over de maand juni) ten bedrage van € 15.364,64 en d.d. 1 augustus 2018 (over juli 2018) ten bedrage van € 14.738,62 deels onbetaald gelaten.

2.4.

RDL heeft I.T.A. Nederland meerdere malen om betaling verzocht. Zo heeft [naam directeur] , directeur van RDL op 2 juli 2018 het volgende aan ( [naam 1] van ) I.T.A. Nederland gemaild:

“(…)

Hierbij nogmaals 3e, doch laatste verzoek van directe betaling, na diverse eerdere verzoeken aan jouw gericht, van factuur RDL Petrochemie Services BV – periode Mei 2018 jl. (vervaldatum factuur 18 juni jl)

Mijn onbegrip dat deze na meermaals verzoeken, heden inmiddels dd 02 juli 2018, nog niet is voldaan.

Mijn prive verplichtingen hebben inmiddels grote achterstand, dit gezien er geen betalingen in prive (hypotheek / kinderalimentatie / belastingdienst ect ect) gedaan kunnen worden.

(…).”

2.5.

Bij mailbericht van 2 juli 2018 heeft ( [naam 1] van ) I.T.A. Nederland daarop als volgt gereageerd:

“(…)

Ik had gezegd dat er in juni geen geld binnenkwam. Dus ook niet om jou fee te betalen..

Vanaf morgen komt er terug geld op de rekening en wordt aldus morgen betaald,

Je bent idd een medewerker maar tegelijk ook zelfstandig! Je zou dus moeten weten dat er alleen geld binnenkomt als er gefactureerd wordt en ook tijdig betaald wordt door de klant.
Zowel facturatie als betalingen door klanten lopen vertraging op. We doen ons uiterste best om alles lopende te houden. Echter ben ik niet van plan NL constant kunstmatig in leven te houden als dit je instelling is!

(...)”

2.6.

Op 16 juli 2018 heeft I.T.A. Nederland een bedrag van € 6.000, - voldaan aan RDL .

2.7.

Bij brief van 14 augustus 2018 heeft (de advocaat van) RDL , voor zover hier relevant, het volgende aan I.T.A. Nederland en Group I.T.A. meegedeeld:
“(…)

Conform overeenkomst heeft cliënte haar werkzaamheden aan I.T.A. Nederland B.V. (verder: “ ITAN ”) maandelijks in rekening gebracht maar de facturen van cliënte zijn vanaf mei niet meer (volledig) betaald. Cliënte heeft u hierop inmiddels bij herhaling aangesproken maar ondanks eerdere betalingstoezeggingen hebben geen daadwerkelijke betalingen plaatsgevonden.

Inmiddels heeft u cliënte ook laten weten dat ITAN niet in staat is of zal zijn om de facturen van cliënte te voldoen, waarmee vaststaat dat ITAN in verzuim verkeert. (…) Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 5 staat Group I.T.A. Industriële Technische Assistentie bvba (verder: “ GITA ”) garant voor de betalingsverplichtingen van ITAN , reden waarom deze brief ook aan GITA gericht wordt.

Verder schort cliënte haar verplichtingen op totdat door u aan al uw verplichtingen is voldaan.

(…)”

2.8.

Op 17 augustus 2018 heeft I.T.A. Nederland een betaling van € 9.000, - aan RDL verricht.

2.9.

Op 21 augustus 2018 heeft RDL na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank conservatoir derdenbeslag ten laste van I.T.A. Nederland onder Engie Services Zuid B.V. (hierna: Engie ) gelegd. Het beslag strekt tot zekerheid van verhaal van een inclusief rente en kosten op € 58.263,91 begrote vordering in verband met openstaande facturen voor de managementvergoeding en autokosten over de maanden mei tot en met juli 2018.

2.10.

Bij dagvaarding in kort geding van 27 augustus 2018 heeft RDL betaling gevorderd van (onder meer) achterstallige managementvergoedingen over de maande juni tot en met augustus 2018.

2.11.

Bij brief van 20 september 2018 heeft (de advocaat van) I.T.A. Nederland c.s. het volgende aan RDL bericht:

“(…)

Ter zitting van 17 september jongstleden heeft RDL Petrochemie Services B.V. , bij monde van [naam directeur] verklaard, dat hij van 14 augustus 2018 geen werkzaamheden meer heeft verricht, terwijl hij op dat moment als enige de belangen van I.T.A. Nederland behartigde.

Uw cliënte heeft voorts verzuimd om met de firma Ortgiess deugdelijke afspraken te maken over betaling van haar facturen, en ook overigens geen terugkoppeling hiervan gegeven aan de Belgische firmant, hetgeen heeft geresulteerd in beslaglegging zijdens Ortgiess onder de firma ENGIE op 22 augustus 2018. De dagvaarding in een bodemprocedure is inmiddels uitgebracht. Zoals al aangegeven bij de voorzieningenrechter, heeft [naam 1] vanaf april 2018 geen inzicht meer kunnen krijgen in de uitgaande facturen aangezien die kennelijk niet meer vanaf april 2018 door uw cliënte in de Dropbox zijn ingevoerd, hetgeen uw cliënte wel heeft beweerd.

Uw cliënt wordt in deze grove nalatigheid verweten en handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2:9 BW zodat uw cliënt hierbij aansprakelijk gesteld wordt voor alle vermogensschade en afgeleide schade, welke mijn cliënte lijdt en nog zal lijden.

Uw cliënt heeft als feitelijk bestuurder van I.T.A. Nederland haar taak als zelfstandig bevoegd leidinggevende verwaarloosd en daarbij het belang van de vennootschap geschaad. Gelet op de overeenkomst die partijen hebben gesloten kan dan ook geconcludeerd worden dat uw cliënte zich niet als een zorgvuldig handelend opdrachtnemer heeft gedragen.

Van cliënte kan dan ook niet langer verwacht worden om uw cliënte nog langer als leidinggevende te handhaven, nu dit tot ernstige reputatieschade in de markt leidt en vermogensschade.

Namens I.T.A. Nederland ontbind ik hierdoor met onmiddellijke ingang de managementovereenkomst die tussen partijen is gesloten op 16 maart 2018 wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst. Nu nakoming niet mogelijk nog wenselijk is wegens ernstig verwijtbare handelwijze zijdens uw cliënt is het bepaalde in artikel 6:265 lid 2 BW niet van toepassing.

Uiterst subsidiair zegt cliënte de managementovereenkomst met uw cliënte op met ingang van heden op de voet van artikel 7:408 lid 1 BW, wegens handelen in strijd met het bepaalde in artikel 7:401 en 402 BW. Uw cliënte heeft bij haar werkzaamheden niet de zorg van goed opdrachtnemer in acht genomen en zich niet gehouden aan de afspraak dat leveranciers, zoals bijvoorbeeld Ortgiess , als eerste worden betaald.

Het misachten van de belangen van de onderneming en het frustreren van de goede zakelijke relaties met de leveranciers en opdrachtnemers vormt voor mijn cliënte een gewichtige reden in de zin der wet en acht mijn cliënte uw cliënte aansprakelijk voor alle schade dientengevolge als bedoeld in artikel 6:74 BW.

(…).”

2.12.

In september 2018 heeft RDL aan I.T.A. Nederland nog twee facturen gestuurd, één over de maand augustus ten bedrage van € 15.283,91 en één over de maand september ten bedrage van € 10.980,75.

2.13.

Op 1 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam vonnis gewezen. Het vonnis luidt - voor zover hier relevant - als volgt:


“(…)

4.4

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat ITA de achterstallige managementvergoeding over de maanden mei tot en met juli 2018 (inclusief BTW) aan RDL verschuldigd is. (…) Op grond hiervan is een bedrag van

€ 30.222,39 toewijsbaar, zoals gevorderd vermeerderd met rente.

4.5

Hetzelfde geldt voor de managementvergoeding over de periode tot 14 augustus 2018, de dag waarop RTL haar werkzaamheden heeft beëindigd. Voor de vergoeding over de periode na opschorting van de werkzaamheden ligt dit anders. RDL heeft haar werkzaamheden gestaakt en gelet daarop en de tussen partijen gevoerde onderhandelingen over de beëindiging van de werkzaamheden van RDL is onzeker of in een eventuele bodemprocedure toewijzing van een geldvordering over die periode te verwachten is. Dat deel van de vordering zal daarom worden afgewezen. De gedeeltelijke toe- en afwijzing van de managementvergoeding over augustus 2018 maakt dat naast het in 4.4 vermelde bedrag een bedrag van € 6.902,40 (…) (inclusief BTW) zal worden toegewezen.

(…)”

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

5.1

veroordeelt ITA en GITA tot betaling aan RDL van € 30.222,39, te vermeerderen met de contractuele rente (de wettelijke handelsrente +2%) vanaf 20 augustus 2018 tot de dag van algehele voldoening;

5.2

veroordeelt ITA tot betaling aan RDL van € 6.902,40, te vermeerderen met de contractuele rente (de wettelijke handelsrente + 2%) vanaf 14 dagen na heden tot de dag van algehele voldoening;

(…)”

2.14.

I.T.A. Nederland heeft voldaan aan de veroordeling in kort geding van 1 oktober 2018 door betaling op 19 oktober 2018 van een bedrag van € 22.581,48 en een betaling via de derde beslagene Engie van € 16.820,57 op 8 november 2017.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

RDL vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad I.T.A. Nederland c.s. te veroordelen om hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, aan RDL te voldoen:

I het bedrag van € 8.381,51, te vermeerderen met de contractuele rente ter grootte van de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over € 8.381,51 vanaf 2 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede het bedrag van € 10.980,75 te vermeerderen met contractuele rente ter grootte van de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over € 10.980,75 vanaf 10 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

II het bedrag van € 35.991,14 ten aanzien van de niet in acht genomen opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over € 35.991,14 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

II het bedrag van € 1.166,77 ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.166,77 vanaf 17 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV het bedrag van € 31.944, - ten aanzien van de autokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over € 31.944, - vanaf 7 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

V het bedrag van € 290.400, - netto ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over € 290.400, - vanaf 20 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

VI het bedrag van € 20.000, -, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vermeerderd met 2% over € 20.000, - vanaf 20 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

alsmede

VII I.T.A. Nederland c.s. te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede te bepalen dat I.T.A. Nederland c.s. de wettelijke rente over deze proceskostenveroordeling verschuldigd zullen zijn als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis aan RDL voldaan zullen hebben.

3.2.

I.T.A. Nederland c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

I.T.A. Nederland c.s. vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat RDL jegens I.T.A. Nederland c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, zulks met veroordeling van RDL tot betaling van de door I.T.A. Nederland c.s. geleden schade, en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen overeenkomstig de wet;

2. te verklaren voor recht dat I.T.A. Nederland de managementovereenkomst tussen haar en RDL op 20 september 2018 op goede gronden heeft ontbonden, althans deze overeenkomst tussen partijen te ontbinden per 21 september 2018 wegens tekortkomingen zijdens RDL , althans per zodanige datum te ontbinden als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,

met veroordeling van RDL in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, indien deze kosten niet aan I.T.A. Nederland c.s. zijn voldaan.

3.5.

RDL voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

In dit geschil is aan de orde de afwikkeling van de door RDL en I.T.A. Nederland aangegane samenwerking, welke is vastgelegd allereerst in de managementovereenkomst van 9 maart 2019 (hierna: de managementovereenkomst van 9 maart 2016), die vervolgens is vervangen door de managementovereenkomst van 16 maart 2018 (hierna: de managementovereenkomst dan wel kortweg: de overeenkomst). Partijen zijn het erover eens dat aan de samenwerking een einde is gekomen op 21 september 2018, per welke datum I.T.A. Nederland de overeenkomst buitengerechtelijke heeft ontbonden, althans met onmiddellijke ingang heeft opgezegd.

4.2.

Kernpunt van geschil tussen partijen in conventie en in reconventie is de vraag of I.T.A. Nederland c.s. uit hoofde van de bepalingen in de managementovereenkomst nog vergoedingen aan RDL zijn verschuldigd dan wel RDL tekort is geschoten in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en zij uit dien hoofde schadevergoeding aan I.T.A. Nederland c.s. dient te betalen. Als onbetwist staat vast dat de financiële verplichtingen uit de overeenkomst zijn aangegaan door I.T.A. Nederland en dat Group I.T.A. zich in diezelfde overeenkomst slechts heeft verbonden als borg.

4.3.

Volgens RDL heeft zij recht op de overeengekomen managementvergoeding en autokosten tot 1 december 2018, omdat I.T.A. Nederland de overeenkomst op zijn vroegst per die datum had kunnen opzeggen, gelet op de opzegtermijn van drie maanden als opgenomen in artikel 2 van de managementovereenkomst. Voorts meent RDL recht te hebben op de vergoeding bedoeld in artikel 3 lid 5 van de managementovereenkomst die I.T.A. Nederland verschuldigd is bij tussentijdse - dat wil zeggen eerder dan de overeengekomen minimale duur van vijf jaar - afkoop van de managementovereenkomst, ter grootte van 24 maanden managementvergoeding. Daarnaast is er volgens RDL vanwege de opzegging van de managementovereenkomst door I.T.A. Nederland op grond van artikel 14 lid 5 (alsnog) plaats voor betaling door I.T.A. Nederland van een vergoeding voor de door RDL aan I.T.A. Nederland overgedragen aandelen ten bedrage van € 20.000, -.

4.4.

Als meest verstrekkende verweer in conventie respectievelijk als (primaire) grondslag voor de vordering in reconventie voeren I.T.A. Nederland c.s. aan dat de overeenkomst met RDL niet is opgezegd, maar bij brief van 20 september 2018 (weergegeven onder 2.12.) buitengerechtelijk is ontbonden. I.T.A. Nederland c.s. stellen zich daarbij op het standpunt dat er gronden waren om voor I.T.A. Nederland om haar betalingen op te schorten en de managementovereenkomst te ontbinden. RDL is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de managementovereenkomst. RDL heeft nauwelijks werk binnengehaald, maar anderzijds wel hoge kosten voor rekening van I.T.A. Nederland gemaakt. Bovendien is de dropbox waar de opdrachten waren te zien die RDL had binnengehaald reeds vanaf april 2018 leeg gebleven zodat RDL kennelijk vanaf die datum geen werkzaamheden meer heeft verricht voor I.T.A. Nederland . De door RDL gevorderde vergoedingen zijn daarom niet verschuldigd. In elk geval zijn de managementvergoeding en de autokosten niet meer verschuldigd vanaf 14 augustus 2018, omdat RDL heeft erkend vanaf dat moment helemaal geen werkzaamheden meer te hebben gedaan voor I.T.A. Nederland , aldus I.T.A. Nederland c.s.

grond opschorting betaling/ ontbinding managementovereenkomst?

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben I.T.A. Nederland c.s. onvoldoende onderbouwd dat RDL tekort is geschoten in haar verplichtingen voortvloeiend uit de managementovereenkomst en ter zake in verzuim is geraakt. Overwogen wordt als volgt.

4.5.1.

Ter zitting heeft RDL naar voren gebracht waaruit haar werkzaamheden voor I.T.A. Nederland hebben bestaan en tot welke resultaten (nieuwe klanten en/of contacten) dat voor I.T.A. Nederland heeft geleid. I.T.A. Nederland c.s. heeft dat niet betwist.

Het lag op de weg van I.T.A. Nederland c.s. deugdelijk onderbouwd naar voren te brengen wat meer of anders van RDL verwacht mocht worden. Dat hebben I.T.A. Nederland c.s. onvoldoende gedaan. De afbeeldingen van het whiteboard (onder punt 40 van de conclusie van antwoord in conventie) acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Dat daarop vanaf een bepaald moment geen gegevens meer zijn genoteerd door RDL , betekent niet dat RDL geen werkzaamheden meer heeft verricht. RDL betwist dat ook, stellende dat zij in de periode vanaf april 2018 op reguliere wijze haar werkzaamheden heeft verricht, veelal in bijzijn van [naam 2] van Group I.T.A. . Ter staving daarvan heeft RDL een overzicht van door haar in de periode 14 april 2018 tot en met 19 juni 2018 verrichte werkzaamheden in het geding gebracht, evenals kopieën uit de agenda van [naam directeur] , de directeur van RDL (productie 15). RDL heeft voorts correspondentie overgelegd die zij in het kader van de uitvoering haar werkzaamheden voor I.T.A. Nederland heeft gevoerd met onder andere (potentiële) klanten van I.T.A. Nederland en met medewerkers van I.T.A. Nederland (productie 16). I.T.A. Nederland c.s. hebben hierop niet gereageerd. Het lag in het licht van deze onderbouwde betwisting op de weg van RDL om de gestelde tekortkoming nader te onderbouwen. Bij gebreke daarvan wordt er in rechte vanuit gegaan dat RDL niet tekortgeschoten is in haar verplichtingen voortvloeiend uit de managementovereenkomst. Als onvoldoende onderbouwd is dan ook niet komen vast te staan dat RDL vanaf april 2018 de overeengekomen werkzaamheden niet meer heeft verricht.

4.5.2.

I.T.A. Nederland voert nog aan dat vanaf een bepaald moment RDL geen inzicht meer heeft gegeven aan I.T.A. Nederland in de werkzaamheden die zij verrichtte. Volgens I.T.A. Nederland c.s. hadden partijen afgesproken dat RDL gegevens rondom haar werkzaamheden zou plaatsen in een dropbox, maar had I.T.A. Nederland op enig moment geen toegang meer tot die dropbox. RDL voert onder overlegging van stukken - productie 18 - aan dat zij I.T.A. Nederland steeds op de hoogte heeft gehouden van alle ontwikkelingen, dat zij de codes van de dropbox heeft verstrekt en dat daarop ook daadwerkelijk werd ingelogd door I.T.A. Nederland . I.T.A. Nederland c.s. heeft ook hier haar stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd. Bij gebreke daarvan wordt er in rechte vanuit gegaan dat ook op dit punt geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van RDL .

4.5.3.

De rechtbank overweegt in dit kader nog dat de omstandigheid dat I.T.A. Nederland c.s. mogelijk andere verwachtingen hadden van de resultaten van I.T.A. Nederland onder leiding van RDL , nog niet betekent dat RDL zich onvoldoende van haar taak heeft gekweten. Dat geldt temeer nu I.T.A. Nederland c.s. ter zitting hebben aangegeven dat het financiële tij van de Group I.T.A. in het voorjaar van 2018 voornamelijk is gekeerd doordat een klant haar financiële verplichtingen niet nakwam, hetgeen volgens de eigen stelling van I.T.A. Nederland c.s. niet aan RDL te wijten viel. Dat RDL aan haar verplichtingen voortvloeiend uit de managementovereenkomst geen uitvoering meer gaf, is dan ook geenszins vast komen te staan. In elk geval kan er in rechte niet van worden uitgegaan dat RDL daarmee is gestopt vóór juni 2018, het moment waarop I.T.A. Nederland is gestopt met het (volledig) te betalen van de overeengekomen vergoedingen.

4.6.

Het voorgaande brengt met zich dat I.T.A. Nederland niet gerechtigd was haar eigen betalingsverplichtingen op te schorten. Niet in geschil is dat I.T.A. Nederland in juni 2018 is gestopt met de (volledige) betaling van de managementvergoeding en dat RDL in de daarop volgende periode meerdere keren om betaling heeft verzocht. Voor zover I.T.A. Nederland niet reeds vanwege het laten verstrijken van de overeengekomen betaaldata in verzuim is geraakt, is zij dat in elk geval door deze aanmaningen. Vaststaat dan ook dat I.T.A. Nederland in elk geval vóór 14 augustus 2018, het moment waarop RDL haar verplichtingen voortvloeiend uit de managementovereenkomst heeft opgeschort (bij brief weergegeven onder 2.6) in verzuim is geraakt door haar contractuele betalingsverplichtingen jegens RDL (vanaf juni 2018) niet na te komen. Dat betekent dat RDL harerzijds wel gerechtigd was haar verplichtingen uit de managementovereenkomst op te schorten. Dat RDL vanaf 14 augustus 2018 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor I.T.A. Nederland , betekent dus - anders dan I.T.A. Nederland c.s. menen - niet dat RDL vanaf dat moment geen aanspraak meer zou kunnen maken op de managementvergoeding en autokosten.

4.7.

Dat I.T.A. Nederland haar betalingsverplichtingen niet nakwam en zodoende in verzuim verkeerde, betekent voorts dat zij niet gerechtigd was de managementovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, zoals zij bij brief van 20 september 2018 heeft gedaan. I.T.A. Nederland verkeerde op dat moment nog steeds in verzuim. Zij heeft pas nadien, in oktober 2018, aan haar betalingsverplichtingen voldaan (na executie van het kort gedingvonnis). Voor zover I.T.A. Nederland c.s. beoogt aan te voeren dat de omstandigheid dat RDL beslag heeft doen leggen onder een klant van I.T.A. Nederland ten laste van I.T.A. Nederland , grond vormde voor ontbinding van de managementovereenkomst, volgt de rechtbank haar daar in niet. I.T.A. Nederland kwam haar betalingsverplichtingen jegens RDL niet na, ondanks meerdere verzoeken daartoe en ook nadat zij zelf daaromtrent toezeggingen had gedaan. Niet in te zien valt dat de omstandigheid dat RDL ter meerdere zekerheid van haar vordering op I.T.A. Nederland beslag heeft gelegd onder een klant van I.T.A. Nederland een tekortkoming in de nakoming van de managementovereenkomst oplevert. Dat was haar goed recht, te meer daar [naam directeur] , de directeur van RDL , door de niet betaling ook privé in financiële problemen kwam, hetgeen hij ook heeft gemeld. De ter zitting nog naar voren gebrachte stelling dat RDL , gezien de borgstelling door Group I.T.A. in de managementovereenkomst, eerst Group I.T.A. had moeten aanspreken alvorens tot beslaglegging over te gaan, brengt in dat oordeel geen verandering. RDL heeft ter zitting aangevoerd dat herhaalde betaalverzoeken zijn neergelegd bij [naam 1] , hetgeen wordt gestaafd door de door RDL in het geding gebrachte producties. Vaststaat dat [naam 1] directeur is van zowel I.T.A. Nederland als Group I.T.A. Van RDL hoefde dan ook niet verwacht te worden dat zij een nader, afzonderlijk, betaalverzoek aan Group I.T.A. zou doen.

opzegging managementovereenkomst

4.8.

Nu voor ontbinding van de overeenkomst geen gronden aanwezig waren, moet de beëindiging van de managementovereenkomst door I.T.A. Nederland bij brief van 20 september 2018 worden gekwalificeerd als een opzegging.

4.9.

Krachtens het bepaalde in artikel 7:408 lid 1 BW is het uitgangspunt bij opdrachtovereenkomsten als de onderhavige dat de opdrachtgever de overeenkomst te allen tijde kan opzeggen of deze nu voor onbepaalde tijd dan wel voor bepaalde tijd is gesloten. Deze opzeggingsbevoegdheid kan voor zover het gaat om een professionele opdrachtgever, zoals in casu, bij overeenkomst worden beperkt of nader vorm gegeven. Voor zover nodig dient de overeenkomst te worden uitgelegd op basis van de Haviltex-maatstaf. De aan de opdrachtgever toekomende bevoegdheid vindt voorts haar grens in een in de gegeven omstandigheden - en gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitoefening van die bevoegdheid. Dit kan er toe leiden dat overeenkomst slechts opzegbaar is indien sprake is van een zwaarwegende grond, met inachtneming van een bepaalde opzegtermijn dan wel slechts tegen betaling van een (schade) vergoeding. Ook kan het zijn dat de derogerende werking van de redelijkheid en de billijkheid juist in de weg staat aan een beroep op de in de overeenkomst opgenomen beperkende bepalingen. Bij de beoordeling van de opzegging dient steeds rekenschap te worden gegeven van alle omstandigheden van het geval (zie o.a.: Hoge Raad 10 juni 2016 (Alcatel Pensioenfonds), ECLI:NL:HR:2016:1134).

4.10.

Partijen twisten allereerst over de uitleg van de managementovereenkomst en in het bijzonder de uitleg van de artikelen omtrent de duur (artikel 2) en afkoop (artikel 3 lid 5). Daarnaast verschillen zij van mening over de rol die in het onderhavige geval aan artikel 6:248 lid 2 BW toekomt.

4.11.

Volgens RDL was het de bedoeling van partijen dat de managementovereenkomst werd aangegaan voor onbepaalde tijd met een minimumduur van vijf jaar, zodat die eerst na afloop van deze periode en alsdan met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden kon worden opgezegd. Bovendien is bij eerdere beëindiging van de overeenkomst als nu aan de orde de vergoeding over 24 maanden van artikel 3 lid 5 verschuldigd, in totaal zijnde een bedrag van € 290.400, -. Tussentijdse opzegging is gelijk aan “tussentijdse afkoop”, aldus RDL .

4.12.

I.T.A. Nederland c.s. heeft deze uitleg betwist en daartegenover gesteld dat weliswaar in artikel 2 wordt gesproken over minimumduur, maar dat partijen dat nooit beoogd hebben. De bedoeling was een overeenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan met een opzegtermmijn van drie maanden. Dat past ook bij de aard van de overeenkomst. De eerste zinsnede van artikel 2 lid 2 (“Na de hierboven genoemde duur van de verbintenis voor minimaal vijf jaar”) moet daarom worden weggedacht, aldus I.T.A. Nederland c.s. Daarnaast heeft zij betoogd dat van een “tussentijdse afkoop” als bedoeld in artikel 3 lid 5 geen sprake is: opzegging is geen afkoop. Volgens I.T.A. Nederland c.s. zou een verplichting tot vergoeding van het door RDL gevorderde bedrag in de omstandigheden van dit geval bovendien buitenproportioneel en niet redelijk zijn. I.T.A. Nederland c.s. wijst er in dat kader op dat de managementovereenkomst binnen minder dan een jaar is beëindigd vanwege tegenvallende resultaten en dat de prijs van de door RDL in het kader van de samenwerking ingebrachte aandelen slechts € 30.000,- was. Voorts wijst zij ook in dit verband er op dat RDL kort nadat in augustus 2018 was aangegeven dat de overeenkomst zou worden beëindigd conservatoir derdenbeslag gelegd onder Engie , terwijl zij wist dat I.T.A. Nederland op dat moment haar managementvergoeding niet kon betalen en precies wist wanneer I.T.A. Nederland weer bedragen van Engie zou ontvangen. Daarmee heeft RDL zelf aangestuurd op een catastrofe.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.13.1.

De door I.T.A. Nederland c.s. bepleite uitleg van artikel 2 lid 2 van de managementovereenkomst kan niet worden gevolgd. Weliswaar dient niet alleen naar de letterlijke tekst van een overeenkomst te worden gekeken, maar daaraan dient in het onderhavige geval redelijkerwijze wel doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Niet in geschil is dat het de bedoeling van beide partijen was een overeenkomst aan te gaan voor langere duur van onbepaalde tijd. Dit staat ook zo verwoord in het eerste lid van artikel 2. Het daarbij beperken van de opzeggingsbevoegdheid door het overeenkomen van een minimale duur, waarover zowel expliciet in artikel 2 lid 1 én 2 als ook in artikel 3 lid 5 van de overeenkomst wordt gesproken, is daarmee niet in tegenspraak en bij overeenkomsten als de onderhavige niet ongebruikelijk. Partijen moesten immers investeren in de samenwerking en het opstarten van een nieuwe onderneming kost tijd. Het kan zo zijn dat met name RDL zich verzekerd wenste van een minimumduur gelet op haar investering in de nieuwe onderneming, maar indien I.T.A. Nederland dat absoluut niet wilde, had het op haar weg gelegen niet met deze (duidelijke) teksten akkoord te gaan; ook I.T.A. Nederland is een professionele partij. Nu zij geen bezwaar heeft gemaakt, mocht RDL ervan uitgaan dat I.T.A. Nederland instemde met de minimale duur van vijf jaar. Tussentijdse opzegging van de overeenkomst was in beginsel dan ook niet mogelijk, tenzij een beroep op deze opzegbeperkende bepalingen in artikel 2 en 3 van de managementovereenkomst naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

4.13.2.

Naar het oordeel van de rechtbank doet die laatste situatie zich hier voor. Daartoe zijn de navolgende omstandigheden redengevend. Vaststaat dat de financiële situatie van zowel I.T.A. Nederland als Group ITA ten tijde van de opzegging medio 2018 bepaald niet rooskleurig was. Voor de stelling dat dit voornamelijk aan één van beide partijen te wijten zou zijn, zoals partijen over en weer lijken te willen betogen, is over en weer onvoldoende gesteld. Het kan zo zijn dat het leggen van het beslag door RDL (hetgeen op zichzelf, zoals reeds is overwogen onder 4.7., haar goed recht was) de financiële situatie van beide ondernemingen geen goed heeft gedaan, maar dat betekent geenszins dat zij daarmee de catastrofale situatie heeft veroorzaakt. Immers, zoals ter zitting naar voren is gekomen, zijn de positieve verwachtingen voor I.T.A. Nederland niet bewaarheid door teleurstellingen aan beide zijden. Zo is met betrekking tot de slechte financiële positie van Group ITA door [naam 3] , directeur van zowel I.T.A. Nederland als Group ITA , ter zitting verklaard dat debet daaraan is geweest de niet-betaling door een grote klant, een omstandigheid ter zake waarvan RDL niets te verwijten is. Daartegenover staat dat evenmin voldoende is gesteld voor de aanname dat van de zijde van I.T.A. Nederland c.s. onvoldoende inspanningen zijn getroost de samenwerking tot een succes te maken. In deze situatie moet het vasthouden aan de minimum duur van de managementovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht.

4.13.3.

Het nog door RDL gedane beroep op de afkoopregeling van artikel 3 lid 5 van de managementovereenkomst wordt eveneens verworpen. Nog daargelaten dat taalkundig bezien de term afkoop niet gelijk is aan opzegging, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede dat voor een situatie als de onderhavige - waarin het financieel zo slecht ging met beide ondernemingen aan de zijde van I.T.A. Nederland c.s. dat zelfs de overeengekomen maandelijkse managementvergoedingen niet tijdig konden worden voldaan - de afkoopregeling als opgenomen in artikel 3 lid 5 is bedoeld. Een beroep daarop moet althans in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geacht.

4.13.4.

Een en ander leidt tot het oordeel dat I.T.A. Nederland gerechtigd was de overeenkomst tussentijds op te zeggen en niet gehouden is tot betaling van een afkoopsom als bedoeld in artikel 3 lid 5 van de managementovereenkomst. De redelijkheid en billijkheid brengen, met name gelet op de aard van de overeenkomst en de oorspronkelijke bedoeling van partijen een langdurige relatie aan te gaan, waarin ook beide partijen hebben geïnvesteerd, echter wel met zich dat I.T.A. Nederland daarbij een redelijke opzegtermijn in acht had moeten nemen. Nu partijen het er kennelijk over eens zijn dat in ieder geval de contractueel bepaalde opzegtermijn van drie maanden zou moeten worden aangehouden, zal ook de rechtbank daarvan uitgaan. Dat betekent dat I.T.A. Nederland de overeenkomst niet eerder dan per 20 december 2018 kon opzeggen (drie maanden na de opzegging aangezegd bij brief van 20 september 2018).

4.13.5.

Dat I.T.A. Nederland , indien tussentijdse opzegging geoorloofd wordt geacht, daarnaast gehouden is tot betaling van € 20.000, - ter vergoeding van de destijds verrichte overdracht van aandelen als overeengekomen in artikel 14 lid 5, is geen punt van geschil. De rechtbank volgt partijen hierin.

slotsom beëindiging managementovereenkomst

4.14.

De slotsom van al hetgeen hiervoor is overwogen, is dat I.T.A. Nederland niet gerechtigd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen gelijk zij heeft gedaan, maar dat zij deze wel mocht opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, zodat zij gehouden is aan RDL de nog openstaande contractueel overeengekomen vergoedingen over deze maanden alsmede de vergoeding van artikel 14 lid 5 van de managementovereenkomst te voldoen. Op de consequenties hiervan voor de door RDL ingestelde vorderingen zal hierna onder 4.20 worden ingegaan.

autokosten over de periode maart 2016 tot en met maart 2018

4.15.

Ter beoordeling ligt nog voor de vraag of I.T.A. Nederland c.s. over de periode maart 2016 tot en met maart 2018 – derhalve los van de problematiek omtrent de beëindiging van de overeenkomst – nog een vergoeding voor autokosten is verschuldigd ten bedrage van € 1.100, - per maand, neerkomend op een bedrag van in totaal € 31.944, - inclusief BTW. Dat zij hier recht op heeft vloeit voort uit de reeds op 9 maart 2016 tussen partijen gesloten managementovereenkomst (artikel 3 lid 7), welke later is vervangen door die van 16 maart 2018 (artikel 3 lid 6).

4.16.

I.T.A. Nederland c.s. betwist dat over de periode vanaf maart 2016 een afspraak bestond tot vergoeding door I.T.A. Nederland van autokosten ad € 1.100, - per maand.

Volgens I.T.A. Nederland c.s. is er hoe dan ook slechts plaats voor vergoeding van zakelijk gereden kilometers. Omdat RDL geen urenverantwoording heeft overgelegd, valt niet na te gaan of er op grond van de managementovereenkomst een recht bestaat op vergoeding van de gedeclareerde kilometers, aldus I.T.A. Nederland c.s.

4.17.

De rechtbank overweegt dat RDL ter onderbouwing van deze vordering een aan de overeenkomst van 16 maart 2018 voorafgaande managementovereenkomst van 9 maart 2016 in het geding heeft gebracht waarin de hier bedoelde autokostenvergoeding onder artikel 3 lid 7 is opgenomen. Deze overeenkomst is namens beide partijen op alle bladzijden geparafeerd en op de laatste bladzijde ondertekend. I.T.A. Nederland c.s. heeft niet betwist dat zij de overeenkomst heeft ondertekend, zodat er in rechte vanuit moet worden gegaan dat partijen reeds toen zijn overeengekomen dat RDL vanaf 9 maart 2016 recht had op een vergoeding voor autokosten van € 1.100, -. I.T.A. Nederland c.s. onderbouwt de stelling dat deze vergoeding alleen verschuldigd was voor zakelijk gereden kilometers niet. Uit de tekst van het hier bedoelde artikel 3 lid 7 van de overeenkomst van 9 maart 2016 volgt niet dat een dergelijk voorbehoud is gemaakt. Bij gebreke van die onderbouwing wordt er dan ook van uitgegaan dat voor de verschuldigdheid door I.T.A. Nederland van de autokostenvergoeding van € 1.100, - niet relevant is hoeveel zakelijke kilometers RDL reed.

in conventie voorts

vorderingen

4.18.

RDL vordert ten aanzien van al haar vorderingen ook veroordeling van Group I.T.A. tot betaling daarvan, en wel hoofdelijk naast I.T.A. Nederland . Door I.T.A. Nederland c.s. is de hoofdelijke gehoudenheid betwist. Zij stelt dat Group ITA enkel als borg aansprakelijk is, zodat zij eerst dan aansprakelijk is indien I.T.A. Nederland in verzuim is.

4.19.

In artikel 3 lid 5 van de managementovereenkomst is opgenomen dat Group I.T.A. borg staat voor betaling van de managementvergoeding en de vergoeding bij “tussentijdse afkoop”. Niet betwist is dat deze borgstelling geldt voor alle financiële verplichtingen uit de overeenkomst. Zoals terecht door I.T.A. Nederland c.s. is aangevoerd, betekent de borgstelling dat RDL Group I.T.A. eerst dan tot betaling kan aanspreken indien en voor zover I.T.A. Nederland zelf niet tot betaling over mocht gaan van de in dit vonnis vastgestelde bedragen. Voor een hoofdelijke veroordeling van Group I.T.A. is dan ook (nog) geen plaats.

4.20.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat over de vordering als hiervoor weergegeven onder 3.1. (met uitzondering van de nevenvordering tot betaling buitengerechtelijke kosten en proceskosten) voor zover gericht tegen I.T.A. Nederland als volgt moet worden geoordeeld.

4.20.1.

De vordering onder sub I ziet op betaling van de managementvergoeding over de periode 14 augustus 2018 tot en met 31 augustus (de periode tot 14 augustus is reeds aan RDL voldaan op grond het kort gedingvonnis) en op de periode 1 september 2018 tot 20 september 2018, de dag waarop de overeenkomst met onmiddellijke ingang is beëindigd. Volgens de onbetwiste stelling van RDL gaat het daarbij om € 8.381,51 respectievelijk € 10.980,75. Die bedragen liggen voor toewijzing gereed.

4.20.2.

RDL vordert vergoeding van rente over voornoemde bedragen door I.T.A. Nederland ter grootte van de wettelijke handelsrente plus 2% vanaf 2 september 2018 respectievelijk 10 oktober 2018. Deze rente is als zodanig niet door I.T.A. Nederland c.s. betwist. Zij volgt ook uit artikel 3 lid 4 van de managementovereenkomst. Op grond van hetgeen RDL naar voren heeft gebracht en uit de door haar overgelegde stukken is niet gebleken dat I.T.A. Nederland eerder dan per 10 september 2018 in verzuim is geraakt met betaling van het bedrag van € 8.381,51. Ten aanzien van het bedrag van € 10.980,75 is niet gebleken dat I.T.A. Nederland eerder dan per de dag van dagvaarding in verzuim is geraakt. De gevorderde overeengekomen rente over de genoemde bedragen wordt dan ook toegewezen per die respectieve data.

4.20.3.

De vordering onder sub II ziet op de managementvergoeding en autokosten over de periode 20 september tot 1 december 2018. Die vordering is toewijsbaar. De omvang van het bedrag aan managementvergoeding en, naar de rechtbank begrijpt, de autokosten over de periode tot 1 december 2018 is volgens RDL € 35.991,14. I.T.A. Nederland c.s. heeft dat bedrag niet betwist. Dat bedrag van € 35.991,14 zal dan ook worden toegewezen.

4.20.4.

RDL vordert vermeerdering van dit bedrag met de wettelijke handelsrente plus de boeterente van 2% als opgenomen in artikel 3 lid 4 van de managementovereenkomst. RDL onderbouwt niet dat deze rente ook verschuldigd is over het bedrag dat haar toekomt wegens het niet in acht nemen van een (redelijke opzeg)termijn voor beëindiging van de managementovereenkomst. Bij gebreke van die onderbouwing wordt de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

4.20.5.

De vordering als hiervoor weergegeven onder 3.1. sub IV ziet op een vergoeding van de autokosten over de periode maart 2016 tot en met maart 2018 ten bedrage van € 1.100, - per maand. Zoals hiervoor onder 4.17. reeds is overwogen, is I.T.A. Nederland gehouden deze kosten te voldoen. I.T.A. Nederland c.s. heeft niet betwist dat daarmee een bedrag van € 31.944, - inclusief BTW gemoeid is. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

4.20.6.

RDL vordert de wettelijke handelsrente plus 2%, althans de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 31.944, - vanaf 7 september 2018. I.T.A. Nederland c.s. heeft niet betwist dat wettelijke handelsrente plus 2% verschuldigd is over dit bedrag, zodat daarvan in rechte van moet worden uitgegaan. Op 7 september 2018 heeft RDL de onderhavige vordering bij akte van vermeerdering van eis in de kortgedingprocedure leidend tot het kortgedingvonnis van 1 oktober 2018 ingesteld tegen I.T.A. Nederland De rechtbank zal de gevorderde rente toewijzen met ingang van 21 september 2018, op welk moment I.T.A. Nederland in elk geval geacht moet worden in verzuim te zijn geraakt met betaling.

4.20.7.

De vordering onder sub VI ziet op de vergoeding als bedoeld in artikel 14 lid 5 van de overeenkomst. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.13.5. reeds is overwogen, ligt betaling van het gevorderde bedrag van € 20.000, - voor toewijzing gereed.

4.20.8.

RDL vordert vermeerdering van dit bedrag met de wettelijke handelsrente plus 2% vanaf 20 september 2018. Niet onderbouwd is dat I.T.A. Nederland vanaf dat moment in verzuim was met betaling van de hier bedoelde vergoeding. Niet gebleken is dat RDL , nadat de managementovereenkomst was geëindigd en het hier bedoelde bedrag opeisbaar was, eerder dan bij dagvaarding aanspraak heeft gemaakt op betaling van dit bedrag. De voorwaardelijke vordering om RDL te veroordelen tot betaling van dit bedrag die RDL heeft ingesteld bij de dagvaarding in kort geding, heeft niet tot verzuim geleid. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen met ingang van 14 dagen na de dag van dagvaarding, dat wil zeggen met ingang van 4 december 2018.

buitengerechtelijke en proceskosten

4.21.

RDL vordert onder sub III betaling van een bedrag van € 1.166,77 aan buitengerechtelijke kosten. I.T.A. Nederland c.s. betwist deze vordering. RDL onderbouwt deze vordering door te verwijzen naar de kort gedingdagvaarding. Die onderbouwing volstaat niet. Het lag op de weg van RDL om te onderbouwen dat (namens of door haar) buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht in het kader van de onderhavige procedure. Dat heeft RDL niet gedaan. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat andere werkzaamheden zijn verricht dan werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

proceskosten

4.22.

Hoewel een groot deel van de vordering wordt afgewezen, wordt desalniettemin aanleiding gezien I.T.A. Nederland te veroordelen in de proceskosten. RDL heeft immers de procedure moeten aanvangen om de bedragen te krijgen waarop zij op grond van de beëindigde managementovereenkomst nog recht had. Het gaat om € 3.946, - aan vastrecht,

€ 85,44 aan explootkosten en € 2.148, - aan salaris voor de advocaat (twee punten van liquidatietarief IV), in totaal derhalve € 6.179,44.

in reconventie voorts

ontbinding managementovereenkomst

4.23.

Nu hiervoor onder 4.5. t/m 4.7 reeds is geoordeeld dat I.T.A. Nederland niet gerechtigd was de managementovereenkomst te ontbinden, zal de vordering tot verklaring voor recht dat de managementovereenkomst is (of wordt) ontbonden (hiervoor weergegeven onder 3.4. sub 2) worden afgewezen.

aansprakelijkheid RDL

4.24.

I.T.A. Nederland c.s. legt aan haar vordering te verklaren voor recht dat RDL onrechtmatig heeft gehandeld jegens I.T.A. Nederland c.s. met veroordeling van RDL tot vergoeding van de schade, primair ten grondslag dat sprake is van (bestuurders) aansprakelijkheid van RDL uit hoofde van artikel 2:9 BW. Volgens I.T.A. Nederland c.s. was RDL in de persoon van [naam directeur] de enige die feitelijk leiding gaf aan I.T.A. Nederland . RDL heeft haar taak niet naar behoren vervuld. RDL wist dat het beslag gelegd ter verzekering van haar eigen vordering, onder een klant van I.T.A. Nederland , de liquiditeit van I.T.A. Nederland negatief zou beïnvloeden en tot klantenverlies zou lijden. Dat heeft ook daadwerkelijk tot schade geleid, aldus I.T.A. Nederland c.s. Van het een en ander kan RDL een ernstig en persoonlijk verwijt gemaakt worden. Dit handelen acht zij tevens onrechtmatig uit hoofde van artikel 6:162 BW. Ten slotte stelt I.T.A. Nederland c.s. dat sprake is van misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW omdat de geringe omvang van de vordering van RDL niet in verhouding stond tot de kosten en de gevolgen van het beslag.

4.25.

RDL betwist dat sprake is van interne bestuurdersaansprakelijkheid en/of onrechtmatig handelen.

4.26.

De rechtbank overweegt dat artikel 2:9 BW ziet op de interne aansprakelijkheid van bestuurders jegens de vennootschap. RDL is geen bestuurder. Artikel 2:9 BW strekt zich niet mede uit tot andere beleidsbepalers dan de bestuurders van de vennootschap. In zoverre is de grondslag van de vordering van I.T.A. Nederland c.s. dan ook ondeugdelijk.

4.27.

Voor zover gegrond op artikel 6:162 BW en artikel 3:13 BW overweegt de rechtbank dat I.T.A. Nederland c.s. ter onderbouwing van haar vordering dezelfde feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht als die in conventie aangevoerd ter onderbouwing van de buitengerechtelijke ontbinding van de managementovereenkomst. Gelet op hetgeen daaromtrent reeds is overwogen onder 4.5. en – voor zover het gaat om het door RDL gelegde beslag in rechtsoverweging 4.7. en 4.13.2. – moet de conclusie zijn dat hetgeen RDL heeft gesteld niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW dan wel misbruik van recht.

4.28.

Een en ander betekent dat ook de vordering als hiervoor weergegeven onder 3.4. sub 1 zal worden afgewezen.

proceskosten

4.29.

Nu I.T.A. Nederland c.s. in het ongelijk is gesteld, dienen de proceskosten voor haar rekening te komen. Deze kosten komen neer op € 1.086, - (twee punten van liquidatietarief II ad € 543, - per punt).

5 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

5.1.

veroordeelt I.T.A. Nederland tot betaling aan RDL van:

1) € 8.381,51 ter zake van managementvergoeding over de periode 14 augustus 2018 – 31 augustus 2018, vermeerderd met de contractuele rente gelijk aan de wettelijke handelsrente plus 2% vanaf 10 september 2018;

2) € 10.980,75 ter zake van managementvergoeding over de periode 1 september – 20 september 2018, vermeerderd met de contractuele rente gelijk aan de wettelijke handelsrente plus 2% vanaf de dag van dagvaarding (20 november 2018);

3) € 35.991,14 ter zake van de managementvergoeding over de periode van de redelijke opzegtermijn tot 1 december 2018, vermeerderd met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding (20 november 2018);

4) € 31.944, - ter zake van autokosten over de periode 9 maart 2016- 16 maart 2018, vermeerderd met de contractuele rente gelijk aan de wettelijke handelsrente plus 2% vanaf 21 september 2018;

5) € 20.000, - wegens vergoeding voor aandelen, vermeerderd de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 december 2018;

5.2.

veroordeelt I.T.A. Nederland in de aan de zijde van RDL gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 6.179,44, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

in reconventie

5.3.

wijst de vorderingen van I.T.A. Nederland c.s. af;

5.4.

veroordeelt I.T.A. Nederland c.s. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van RDL vastgesteld op € 1.086, - aan salaris voor de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

in conventie en in reconventie voorts

5.5.

verklaart dit vonnis voor zover het veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.

1861/1515