Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8808

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
10/701341-16 vordering TUL VV: 10/711138-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal in vereniging met geweld. Gevangenisstraf voor de duur van 190 dagen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/701341-16

Parketnummer vordering TUL VV: 10/711138-14

Datum uitspraak: 18 september 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

raadsman mr. A.H.J. Strak, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 190 dagen met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Op de camerabeelden zijn geen gezichten en nauwelijks personen en/of kleding te onderscheiden. Door verbalisanten wordt te gemakkelijk verondersteld dat de personen op de camerabeelden verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zijn. Het is evident dat mede verdachte [naam medeverdachte] een verklaring heeft afgelegd om daar zelf voordeel uit te halen. Het was in het belang van de verdediging dat aangever aan een fosloconfrontatie onderworpen zou worden. Doordat die confrontatie, buiten de schuld van verdachte, niet heeft plaatsgevonden en er overigens geen steun is voor de herkenning van verdachte op de camerabeelden is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.1.2.

Beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat hij die avond met de medeverdachte was nadat zij naar het casino waren geweest. Zij zijn over de Brielselaan gelopen en zijn de zijstraat naast de Bas van der Heijden aan de Brielselaan ingegaan. Verdachte heeft onderweg drie jongens zien staan die een discussie hadden over geld. Ook zouden hij en de medeverdachte voorbij de coffeeshop op de Brielselaan twee jongens hebben ingehaald.

Aangever [naam aangever] heeft verklaard dat er twee jongens achter hem aanliepen waarvan hij er één herkende als ‘ [naam] ’. De tweede jongen was een donkere jongen met lange dreads en een zwarte panty over zijn haar. Deze twee jongens hebben hem beroofd van ongeveer 800 euro.

De medeverdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij onderweg naar huis was met ‘ [naam verdachte] ’ toen die ineens een jongen vastpakte en tegen de muur duwde. De medeverdachte heeft verklaard dat hij vervolgens het geld van de jongen heeft gepakt. Bij de fouillering van de medeverdachte is € 780,- aangetroffen, bijna hetzelfde bedrag als volgens aangever van hem is gestolen en in vrijwel dezelfde coupures als aangever heeft verklaard. Op beelden van camera’s in de directe omgeving van de plaats waar de beroving zou hebben plaatsgevonden is te zien dat er twee jongens achter aangever aanlopen. De signalementen van deze twee jongens komen overeen met de signalementen van de verdachte en de medeverdachte. Op de camerabeelden zijn geen andere personen te zien dan de aangever en beide verdachten.


Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gang van zaken zoals geschetst door de verdachte geen steun vindt in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting en ook anderszins niet aannemelijk is geworden. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal met geweld.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 2 december 2016 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

op of aan de openbare weg, te weten: de Brielselaan,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag (in totaal ongeveer 800 euro), toebehorende aan [naam slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met

geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging

met geweld er uit bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

- achter die [naam slachtoffer] zijn aangelopen en

- die [naam slachtoffer] tegen het lichaam heeft geduwd en

- tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd: "Geef me geld, geef me geld" en

- die [naam slachtoffer] ten val heeft gebracht en (vervolgens) op die [naam slachtoffer]

is gesprongen en

- met een arm de nek van die [naam slachtoffer] (krachtig) heeft omklemd

en omklemd gehouden en

- de broekzakken van die [naam slachtoffer] heeft doorzocht en

- tegen die [naam slachtoffer] heeft geroepen: "Geef je telefoon, geef je telefoon";

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander ’s nachts op straat iemand beroofd. Zij zijn achter het slachtoffer aangelopen, hebben hem geduwd en op de grond gegooid, vastgehouden en hebben vervolgens ongeveer 800 euro van hem afgepakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich het eigendom van een ander toegeëigend en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten zich op straat nog lang onveilig kunnen voelen.

De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen voordeel en zich geen enkele rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.

Straatroven als deze maken dat burgers zich minder veilig voelen om ’s avonds op straat te zijn en hebben dan ook impact op de gehele samenleving.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 maart 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De reclassering sluit herhaling van delictgedrag niet uit kijkend naar het delictverleden, de huidige sociaal maatschappelijke situatie, de persoonlijkheidsproblematiek en het feit dat verdachte niet openstaat voor begeleiding en behandeling. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden wordt daarom geadviseerd om aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Ter zitting heeft mevr. J.H. van Hulst-Spierenburg, reclasseringswerker, verklaard dat de begeleiding van verdachte goed verloopt, maar dat het beeld dat uit het (gedateerde) rapport naar voren komt nog wel herkenbaar is. Het gaat goed zolang de verdachte gemotiveerd is, maar er is een grote kans dat hij het opgeeft als het traject te lang duurt. Het advies zou nu luiden om een grote voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter de deur, met daarbij als bijzondere voorwaarden het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining en begeleiding van stichting Humanitas.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank rekening met het grote tijdsverloop in onderhavige zaak en met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank een straf opleggen gelijk aan het voorarrest. De rechtbank ziet geen ruimte om daarnaast ook nog een voorwaardelijke straf op te leggen, zoals door de reclassering is geadviseerd.

8 Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 17 september 2015 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal in vereniging, meermalen gepleegd, en belediging van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 47 dagen, waarvan een gedeelte groot 1 dag voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 2 oktober 2015.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.

8.3.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Nu echter wordt volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest acht de rechtbank het niet opportuun de tenuitvoerlegging van 1 dag gevangenisstraf te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 190 (honderdnegentig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 17 september 2015 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. D.L. Spierings en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 02 december 2016 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

op of aan de openbare weg, te weten: de Brielselaan,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

geldbedrag (in totaal ongeveer 800 euro), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

- achter die [naam slachtoffer] is/zijn aangelopen en/of

- die [naam slachtoffer] tegen het lichaam heeft/hebben geduwd en/of

- tegen die [naam slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Geef me geld, geef me geld" en/of

- die [naam slachtoffer] ten val heeft/hebben gebracht en/of (vervolgens) op die [naam slachtoffer]

is/zijn gesprongen en/of

- met (een) arm(en) de nek van die [naam slachtoffer] (krachtig) heeft/hebben omklemd

en/of omklemd gehouden en/of

- de broekzakken van die [naam slachtoffer] heeft/hebben doorzocht en/of

- tegen die [naam slachtoffer] heeft/hebben geroepen: "Geef je telefoon, geef je telefoon";