Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8719

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
C/10/565171 / FA RK 18-10370 en C/10/575216 / FA RK 19-4759
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Zorgregeling met man vindt plaats in de echtelijke woning terwijl vrouw uitsluitend gebruik heeft en voortgezet gebruik toegewezen krijgt. Kinder- en partneralimentatie berekend op de huidige situatie aangezien de echtelijke woning nog niet te koop staat, er geen zicht op verkoop is en de toekomstige (financiële) omstandigheden nog onduidelijk zijn. Tabel eigen aandeel kosten van kinderen geëxtrapoleerd wegens welstand tijdens huwelijk. Vrouw dient zich in te spannen om grotendeels in eigen levensonderhoud te voorzien gelet op omstandigheden. Geen draagkracht voor partneralimentatie. Verdeling gemeenschap van goederen. Stappenplan verkoop woning. Eenmanszaak en FOR. Vennootschap onder firma. Waarde aandelen B.V. en hoogte rekening-courantschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/565171 / FA RK 18-10370 en C/10/575216 / FA RK 19-4759

Beschikking van 24 oktober 2019 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

advocaat mr. P. Vellekoop te Honselersdijk,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. W.R. Arema te Rotterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 27 december 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 1 mei 2019;

  • -

    het aanvullende verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 27 maart 2019;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 29 mei 2019;

  • -

    de faxberichten met producties van de man van 3 september 2019;

  • -

    de brieven met producties van de vrouw van 3 september 2019;

- het faxbericht met producties van de man van 5 september 2019;

- het faxbericht met producties van de vrouw van 11 september 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 september 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de vrouw met haar advocaat en

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger]

1.3.

Tijdens de behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

1.4.

Na de behandeling is op verzoek van de rechtbank door de vrouw op 20 september 2019 nog een F9-formulier toegestuurd. Vervolgens hebben de vrouw en de man ieder op 24 september 2019 een F9-formulier toegestuurd.

1.5.

De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Naaldwijk op 23 juni 2001.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2005 te

[geboorteplaats kind 1] ,

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2007 te [geboorteplaats kind 2] .

2.3.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Scheiding

2.3.1.

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

2.3.3.

Door de man is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Omdat de man voldoende heeft gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.

2.3.4.

De vrouw betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet.

2.3.5.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

2.4.

Verblijfplaats

2.4.1.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.

2.4.2.

De vrouw voert geen verweer en verzoekt ook te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.

2.4.3.

De rechtbank beslist conform het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

2.5.

Zorgregeling

2.5.1.

De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij de man en de minderjarigen contact zullen hebben in de even weken van donderdag 18:00 uur tot maandagochtend naar school, in de oneven weken van donderdag 18:00 uur tot vrijdagochtend naar school en gedurende vakanties en feestdagen volgens het als productie 5 (bij aanvullend verzoekschrift) overgelegde schema, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft de vast te stellen zorgregeling na te komen. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat hij de mogelijkheid heeft de zorgregeling uit te voeren in de echtelijke woning zonder dat de hond in de echtelijke woning aanwezig is. Ook verzoekt de man partijen door te verwijzen naar een traject als Ouderschap Blijft en indien dit niet succesvol wordt afgerond, een raadsonderzoek te gelasten.

2.5.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Daarnaast verzoekt zij een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast te stellen waarbij de minderjarigen een weekend per veertien dagen bij de man verblijven op zaterdag en zondag (zonder overnachting), alsmede, na aanvulling van haar verzoek ter zitting, twee aaneengesloten weken tijdens de zomervakantie.

2.5.3.

Uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken blijkt dat de huidige zorgregeling, waarbij de minderjarigen en de man gedurende een weekend per twee weken, alsmede iedere dinsdagavond contact hebben, niet goed verloopt. Dit ligt aan de verhouding tussen partijen en aan de omstandigheid dat de man geen eigen woning heeft. Hoewel het van belang is dat beide ouders regelmatig contact hebben met de minderjarigen, is het gelet op de huidige situatie goed om rust te creëren. Op dit moment worden de minderjarigen, zoals de raad ook ter zitting aangaf, teveel belast met de strijd tussen partijen. In de gesprekken met de minderjarigen hebben zij uitdrukkelijk de wens naar voren gebracht om de man niet langer op de doordeweekse dag voor hen te laten zorgen. Gelet op de leeftijd van de minderjarigen is het belangrijk dat zij zich gehoord weten, door hun ouders en door de rechtbank. De grote weerstand die zij hebben tegen het contact met de man doordeweeks, wordt niet doorbroken door het contact verplicht op te leggen. Dwang zal, zoals de raad heeft aangegeven, contraproductief werken. De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de raad ter zitting en zal bepalen dat de man en de minderjarigen een weekend per veertien dagen met elkaar doorbrengen. De rechtbank vindt het belangrijk dat de man in dat weekend blijft overnachten in de echtelijke woning zodat hij ook de minderjarigen naar bed kan brengen, er ’s nachts voor hen is indien nodig, en met hen kan opstaan en ontbijten.

Van belang is een basis te creëren van waaruit partijen weer naar de toekomst kunnen kijken. Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat partijen zich hebben aangemeld voor het traject Ouderschap Blijft. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat partijen op eigen initiatief gaan werken aan hun rol als ouder. Zo kan er ruimte komen voor inzicht in het eigen aandeel van ieder van partijen in de ontstane situatie. Als partijen als ouders leren beter met elkaar om te gaan, ontstaat er bij de minderjarigen het gevoel dat zij niet hoeven te kiezen en de vrijheid om het ook naar de zin te hebben bij de andere ouder.

De rechtbank ziet geen aanleiding om nu al een raadsonderzoek te gelasten, voor het geval dat een traject als Ouderschap Blijft niet slaagt. De rechtbank ziet evenmin reden om aan te nemen dat de vrouw de zorgregeling niet zal nakomen. Gelet hierop zal ook de door de man verzochte dwangsom worden afgewezen.

2.5.4.

De zorgregeling zal, zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht en geleverd, mogen plaatsvinden in de echtelijke woning zoals door de man is verzocht. Zoals overwogen, heeft de man geen zelfstandige woonruimte. Aangezien de minderjarigen moeite hebben met de nieuwe partner van de man kan het contact ook niet in haar woning plaatsvinden. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat het voor haar onmogelijk is eens per twee weken gedurende het weekend de woning te (blijven) verlaten. Dat de vrouw een aantal ruimtes met haar persoonlijke spullen afsluit gedurende het weekend dat de man in de woning aanwezig is, acht de rechtbank niet bezwaarlijk. De man heeft niet gesteld dat het hem belemmert in het uitvoeren van de zorgregeling.

Gelet op de huidige situatie en de weerstand die bestaat bij de minderjarigen tegen het contact met de nieuwe partner van de man, zal het verzoek van de vrouw te bepalen dat de minderjarigen tijdens de zorgregeling geen contact hebben met (de kinderen van) de nieuwe partner van de man en niet in haar woning zullen verblijven, worden toegewezen.

Het verzoek van de man te bepalen dat de hond tijdens de zorgregeling niet aanwezig is in de echtelijke woning wordt afgewezen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de hond bij de minderjarigen hoort en dat zij veel steun aan de hond hebben. De man heeft niet onderbouwd dat de aanwezigheid van de hond tot onoverkomelijke problemen zal leiden. Daarbij sluit de aanwezigheid van de hond aan bij de insteek van partijen om de hele situatie voor de minderjarigen – vooralsnog - zo veel mogelijk te laten zoals deze tijdens het huwelijk was.

2.5.5.

Ten aanzien van de verdeling van de vakanties en de feestdagen overweegt de rechtbank als volgt. De man zal tijdens de zomervakantie gedurende twee weken aaneengesloten de zorg voor de minderjarigen hebben. De kerstvakantie wordt bij helfte gedeeld. Gedurende de overige vakanties geldt de tweewekelijkse zorgregeling als hierboven weergegeven. Met Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, zullen partijen jaarlijks om en om de eerste respectievelijk tweede feestdag de minderjarigen bij zich hebben. Deze regeling wordt in het belang van de minderjarigen geacht.

2.6.

Voortgezet gebruik woning

2.6.1.

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning aan het [adres] tot zij in een andere woning woonachtig is.

2.6.2.

De man voert geen verweer tegen dit verzoek op voorwaarde dat hij tijdens de zorgregeling in de woning kan verblijven en dat de vrouw de woning dient te verlaten indien deze aan een derde wordt verkocht en geleverd binnen de termijn van zes maanden in de zin van artikel 1:165 BW.

2.6.3.

Op grond van artikel 1:165 BW kan de rechter bij echtscheidingsbeschikking bepalen dat één van de echtgenoten jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten. Voorwaarde is dat de betreffende echtgenoot op het moment van de inschrijving van de beschikking de woning bewoont.

2.6.4.

Het verzoek van de vrouw het gebruik aan haar toe te kennen zal worden toegewezen met uitzondering van de momenten waarop de man in het kader van de zorgregeling met de minderjarigen in de woning verblijft. Voor zover de vrouw met de formulering van haar verzoek (‘tot zij een andere woning heeft’) bedoeld heeft het gebruik van de woning ook na zes maanden na inschrijving van de beschikking nog voort te zetten, heeft zij haar verzoek onvoldoende onderbouwd. Het verzoek wordt toegewezen voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Gelet op de omstandigheid dat de vrouw met de minderjarigen in de woning verblijft en zij in de gelegenheid moet worden gesteld om vervangende huisvesting te vinden, kan van haar in redelijkheid niet worden gevergd dat zij binnen zes maanden de woning verlaat tenzij dit in onderling overleg gebeurt. Aangezien geen vergoeding is verzocht door de man, zal de vergoeding op nihil worden gesteld.

2.7.

Onderhoudsbijdragen

2.7.1.

De man verzoekt tot aan de datum van verkoop en levering van de echtelijke woning een door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 445,- per maand per kind vast te stellen. Na de verkoop en levering van de echtelijke woning verzoekt de man een door hem te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 453,- per maand per kind en een door de hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.377,- per maand vast te stellen.

2.7.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt te bepalen dat de man aan haar een kinderbijdrage van € 744,- per maand per kind voldoet. Alsmede dat de man op eerste verzoek van de vrouw de kosten van therapieën, onderzoeken, begeleiding, remedial coaching en schoolkosten (waaronder schoolbijdrage, laptop, schoolreis en wat verder verplicht is) voldoet. Daarnaast verzoekt zij een partnerbijdrage van € 7.500,- per maand na verkoop en levering van de echtelijke woning. In de periode daarvoor verzoekt zij een partnerbijdrage van € 5.500,- per maand.

2.7.3.

De rechtbank zal bij het bepalen van de kinder- en partnerbijdrage uitgaan van de huidige situatie waarin de echtelijke woning nog niet verkocht is. Hoewel de man ten aanzien van de kinderbijdrage en de vrouw ten aanzien van de partnerbijdrage verzocht heeft om deze ook vast te stellen voor de periode na verkoop van de echtelijke woning, zullen deze verzoeken worden afgewezen. De verkoop van de woning is een toekomstige omstandigheid. Op het moment staat de woning nog niet te koop en is er dus ook nog geen zicht op verkoop. Onbekend is hoe de overige financiële omstandigheden van partijen op dat moment zullen zijn. Om die reden is het nu niet mogelijk om een juiste berekening voor een kinder- of partnerbijdrage op dat moment te maken.

2.7.4.

Het bovenstaande geldt tevens voor het verzoek van de man om op dit moment al rekening te houden met de toekomstige wijzigingen in de tarieven van de inkomstenbelasting.

De kinderbijdrage

2.7.5.

De kinderbijdrage zal worden berekend volgens de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. In het vast te stellen bedrag aan behoefte worden alle kosten van de minderjarigen geacht te zijn verdisconteerd. Als de man naast de vast te stellen bijdrage nog andere kosten voor de minderjarigen zou moeten voldoen, betekent dit dat hem een grotere verplichting wordt opgelegd dan de combinatie van zijn draagkracht en de behoefte van de minderjarigen rechtvaardigt. De rechtbank ziet geen grond voor deze afwijking van de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man haar naast een kinderbijdrage ook op haar eerste verzoek allerlei specifieke kosten moet vergoeden, zal dan ook worden afgewezen.

De behoefte

2.7.6.

Ter bepaling van de behoefte dient eerst aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen te worden bepaald. Partijen hebben tot medio 2018 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2018.

2.7.7.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2018 aan de hand van een gemiddelde winst over 2016 tot en met 2018 van € 122.680,- op € 6.216,- per maand. De stelling van de vrouw dat alleen de winst over 2018 als uitgangspunt dient te gelden, wordt gepasseerd. Bij het bepalen van de behoefte gaat het om het inkomen dat partijen gebruikelijk voorafgaand aan de verbreking van de samenleving ter beschikking stond. Partijen zijn medio 2018 feitelijk uiteengegaan en de winst was in de voorgaande jaren lager. De rechtbank zal daarom van een gemiddelde uitgaan zoals de man voorstaat.

De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:

- zelfstandigenaftrek van € 7.280,-.

De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 16.156,-.

Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).

Rekening is gehouden met de door de man opgevoerde premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 337,- per maand, omdat deze redelijk en fiscaal aftrekbaar zijn.

De arbeidskorting is in aanmerking genomen.

Ten slotte is rekening gehouden met de door de man in dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.086,-.

2.7.8.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2018 aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2018, waarop een jaarloon staat vermeld van € 19.902,-, op € 1.658,- per maand.

Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.)

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

2.7.9.

De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op

€ 7.874,- per maand.

2.7.10.

De vrouw stelt dat de tabel eigen aandeel kosten van kinderen die is opgenomen bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremanormen), geëxtrapoleerd dient te worden. De man heeft deze stelling onvoldoende gemotiveerd betwist. De man erkent bovendien dat partijen tijdens het huwelijk zeer ruim hebben geleefd. Partijen leefden van meer dan het feitelijke inkomen dat binnenkwam. Wat partijen gewend waren, dient te worden vertaald naar de behoefte van de minderjarigen. De rechtbank zal de voornoemde tabel daarom extrapoleren. Daarbij is mede van belang dat het becijferde netto besteedbaar gezinsinkomen ruim boven het bedrag van € 6.000,-, het hoogste inkomen in de tabel, uitstijgt.

Voormeld netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (2), levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen (geëxtrapoleerd), een bedrag op van € 1.917,- per maand. Geïndexeerd naar 2019 levert dat op een bedrag van € 1.955,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarigen wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.

2.7.11.

De vrouw heeft gesteld dat zij - naast de behoefte van de minderjarigen volgens de geëxtrapoleerde tabel - nog extra kosten voor de minderjarigen heeft die niet in dat bedrag verdisconteerd zijn. De rechtbank merkt in dit verband op dat hogere uitgaven aan de ene kostenpost in het algemeen gepaard gaan met lagere uitgaven aan een andere post. Het uit de tabel afgeleide bedrag wordt alleen dan verhoogd als er sprake is van extra kosten die niet of onvoldoende in de tabel zijn verdisconteerd en bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. De vrouw heeft haar stelling in het licht van de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd. Geen rekening wordt gehouden met extra kosten boven op het bedrag van € 1.955,- per maand.

Draagkrachtberekening

2.7.12.

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van beider draagkracht.

2.7.13.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.

Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2019-2.

2.7.14.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2019 aan de hand van een winst van

€ 122.680,- op € 6.319,- per maand. Aangezien de winst uit onderneming fluctueert, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van het gemiddelde over drie jaren.

De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:

- zelfstandigenaftrek van € 7.280,-

De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 16.156,-.

Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).

Rekening is gehouden met de door de man opgevoerde premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 337,- per maand, omdat deze redelijk en fiscaal aftrekbaar zijn.

Tenslotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.188,-.

2.7.15.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2018, waarop een jaarloon staat vermeld van € 19.902,-, op € 1.658,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting

2.7.16.

Hierbij is geen rekening gehouden met het kindgebonden budget, omdat de vrouw hierop geen aanspraak maakt aangezien partijen nog fiscaal partners zijn.

2.7.17.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)] en bedraagt € 2.431,- per maand.

2.7.18.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)] en bedraagt € 148,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

2.7.19.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 2.431,- / € 2.579,- x € 1.955,- = € 1.843,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 148,- / € 2.579,- x € 1.955,- = € 112,- +

samen € 1.955,-

Derhalve komt van de totale behoefte van de minderjarigen een gedeelte van € 1.843,- per maand ofwel € 922,- per maand per kind voor rekening van de man en een gedeelte van

€ 112,- per maand ofwel € 56,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

2.7.20.

De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 25%. De vrouw voert verweer en voert aan dat de zorgkorting moet worden bepaald op 20%.

2.7.21.

Gezien de nu vast te stellen zorgregeling , zal de rechtbank een zorgkorting van 20% hanteren als het meest passend bij de situatie.

2.7.22.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.955,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 391,- per maand.

2.7.23.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 1.452,- per maand.

Conclusie

2.7.24.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 726,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

2.7.25.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

2.7.26.

De man verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van de datum van deze beschikking zal worden vastgesteld.

De partnerbijdrage

Behoefte

2.7.27.

De vrouw stelt haar behoefte aan een partnerbijdrage op € 5.465,91 netto per maand zonder woonlasten. De man betwist de hoogte van de door de vrouw gestelde behoefte.

2.7.28.

De vrouw baseert haar behoefte op een door haar opgestelde behoeftelijst. Voor het bepalen van de netto behoefte is echter ook een vuistregel (de zogenoemde Hofnorm) beschikbaar. De man voert aan dat daarvan dient te worden uitgegaan. De Hofnorm wordt toegepast, tenzij het bedrag dat aan de hand hiervan is berekend voldoende gemotiveerd betwist is. De vrouw heeft in de door haar opgestelde behoeftelijst niet consequent onderscheid gemaakt tussen haar eigen kosten en de kosten van de minderjarigen. Ook heeft zij in het licht van de betwisting door de man, de opgevoerde bedragen op geen enkele manier onderbouwd. De behoefte volgens de Hofnorm is daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom hanteert de rechtbank de Hofnorm.

2.7.29.

Tijdens het huwelijk hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van circa € 7.874,- netto per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen van € 1.917,- per maand. Dan resteert een bedrag van

€ 5.957,-. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 3.574,-. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de behoefte van de vrouw € 3.645,- per maand.

Behoeftigheid

2.7.30.

De man voert aan dat de vrouw in eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien.

2.7.31.

De vrouw betwist dit gemotiveerd.

2.7.32.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw in 2008 gestopt is met werken in verband met de zorg voor de minderjarigen. Zij is jurist. Op het moment heeft zij inkomsten omdat zij gemeenteraadslid is. Gebleken is dat de minderjarigen, ondanks hun leeftijd, nog regelmatig begeleiding nodig hebben. Enerzijds is dit gelegen in eigen problematiek van de minderjarigen, maar ook de echtscheidingssituatie speelt daarin een rol, alsmede de vele activiteiten waaraan de minderjarigen deelnemen en het feit dat zij niet overal alleen naar toe kunnen in verband met de afstanden. Hiermee dient rekening te worden gehouden.

De stelling van de man dat de vrouw naast haar huidige werkzaamheden als gemeenteraadslid, waarmee ongeveer 16 uur per week gemoeid is, ook nog elders 16 uur per week kan werken, wordt dan ook gepasseerd. Dit is niet reëel gelet op de rolverdeling tijdens het huwelijk van partijen en de huidige verdeling van de zorgtaken. Ook weegt mee dat de scheiding nog niet is afgewikkeld.

In 2022 eindigt het raadslidmaatschap van de vrouw. De vrouw stelt dat zij ervan uitgaat dat zij na die tijd in ieder geval eenzelfde inkomen als nu kan genereren. Zij heeft zich ingeschreven bij een uitzendbureau om haar kans op (extra) werkzaamheden en een hoger inkomen te vergroten. Alle omstandigheden meegenomen, mag van de vrouw verwacht worden dat zij zal proberen om grotendeels in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Gezien de toenemende zelfstandigheid van de kinderen, zal de vrouw zich moeten inspannen om na het raadslidmaatschap een dienstverband te vinden van tenminste 32 uur, op een niveau dat past bij haar opleidingsniveau en werkervaring. Alles in aanmerking nemend is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw nu nog niet in staat is geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

2.7.33.

Op de behoefte van de vrouw moet haar netto besteedbaar inkomen van € 1.658,- per maand, in mindering worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 3.799,- bruto per maand resteert. De rechtbank verwijst naar de bijgevoegde berekening.

Draagkrachtberekening

2.7.34.

De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.

2.7.35.

De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het Tremarapport.

2.7.36.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2019 aan de hand van een winst van

€ 122.680,- op € 8.058,- per maand. Uitgegaan wordt van het gemiddelde over de jaren 2016-2018 zoals reeds overwogen bij de berekening van het NBI ten behoeve van de kinderbijdrage. Niet wordt uitgegaan van een bedrag van € 6.750,- per maand zoals de vrouw voorstaat. De vrouw laat met bankrekeningen zien dat dit het bedrag is dat de man gemiddeld maandelijks stortte tijdens het huwelijk. Volgens haar dient dit als uitgangspunt te gelden voor de draagkracht bij de partneralimentatie. Wat er in het verleden werd gestort, kan niet als uitgangpunt dienen voor de toekomstige draagkracht van de man. De rechtbank sluit aan bij de daadwerkelijke inkomsten omdat daarvan de alimentatie dient te worden betaald.

De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:

- zelfstandigenaftrek van € 7.280,-.

De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 16.156,-.

Rekening is gehouden met de door de man opgevoerde premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 337,- per maand, omdat deze redelijk en fiscaal aftrekbaar zijn.

De algemene heffingskorting is van toepassing.

Tenslotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.188,-.

2.7.37.

Het belastbare inkomen uit eigen woning van de man bedraagt € 36.559,- per jaar negatief, zijnde het eigenwoningforfait van € 9.041,- per jaar verminderd met de jaarlijkse hypothecaire rentelast van € 45.600,-. Partijen hebben de rechtbank uitdrukkelijk bericht dat zij in 2019 nog als fiscaal partners dienen te worden aangemerkt. De rechtbank sluit hier voor de huidige draagkrachtberekening bij aan en voert de volledige hypotheekrente en het volledige eigenwoningforfait op bij de man aangezien hij deze lasten volledig betaalt.

2.7.38.

De rechtbank brengt ter vaststelling van de draagkrachtruimte van de man de navolgende, niet betwiste maandelijkse lasten in mindering op het hiervoor berekende netto besteedbaar inkomen:

  • -

    Het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 1.030,-.

  • -

    De woonlasten van € 4.265,-, bestaande uit de rentebetaling in verband met de hypotheek gevestigd op de voormalige echtelijke woning van € 3.800,-, de premies gekoppeld aan Nationale Nederlanden, ASR en Van Lanschot (die de man heeft toegezegd te blijven betalen en die de man voor eigen rekening wil nemen voor zover zij binnen zijn draagkracht vallen) van € 444,- en de overige eigenaarslasten, die worden gesteld op gemiddeld € 247,- (namelijk de door de vrouw niet betwiste betalingen van de gemeentelijke belastingen, onroerende zaakbelasting en inboedel en opstalverzekering), verminderd met de gemiddelde basishuur van € 226,-.

  • -

    De ziektekosten van € 163,-, bestaande uit de premie voor een zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekeringen, van € 166,-, verminderd met het al in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 35,- en vermeerderd met het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden van € 32,-.

  • -

    De premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 337,-.

2.7.39.

Ten aanzien van de betwiste lasten overweegt de rechtbank hierna als volgt:

- Het bedrag van € 500,- per maand dat de man opvoert als woonlasten omdat hij afwisselend bij zijn ouders dan wel in een hotel verblijft, wordt niet meegenomen ten laste van zijn draagkracht. De man heeft dit bedrag op geen enkele manier onderbouwd na betwisting door de vrouw.

Conclusie

2.7.40.

Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal

€ 5.795,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 2.263,- per maand resteert, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, zijnde een bedrag van

€ 1.358,- per maand.

2.7.41.

Na aftrek van de kinderbijdrage verhoogd met de zorgkorting van in totaal

€ 1.843,- per maand resteert geen ruimte meer voor partneralimentatie, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. De rechtbank zal het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage van de vrouw afwijzen.

2.7.42.

De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat de man naast de volledige hypotheekrente ook de volledige lasten van de verzekeringen bij ASR, Nationale Nederlanden en Van Lanschot voldoet, alsmede de eigenaarslasten. De vrouw heeft ter zitting verklaard de gebruikerslasten te voldoen.

Door de man is verzocht te bepalen dat hij alle hypotheeklasten, de helft van de lasten bij ASR, Nationale Nederlanden en Van Lanschot voldoet, dat de vrouw de andere helft voldoet, alsmede de eigenaarslasten en de gebruikerslasten.

De man heeft ter zitting verklaard dat hij met het verzoek van de vrouw instemt zolang dit binnen zijn draagkracht past. Uit de draagkrachtberekening blijkt echter dat de man een bedrag van € 486,- per maand tekort komt. Partijen zijn beiden eigenaar van de echtelijke woning en ieder voor de helft gerechtigd tot de opbrengst van de verschillende verzekeringen en daarom gehouden ieder de helft van de kosten die daaraan verbonden zijn te voldoen. Door de vrouw zijn geen gronden aangevoerd om tot een andere verdeling te komen. Gezien de inkomensgegevens van de vrouw, is het echter de vraag of zij de rest kan dragen. Of en door wie de eigenaarslasten dan wel de kosten voor de verzekeringen betaald moeten worden, kan de rechtbank daarom niet (in het kader van deze procedure) bepalen. Aangezien partijen het blijkbaar eens zijn over de gebruikerslasten, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw deze voldoet.

2.8.

Verdeling

2.8.1.

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.8.2.

De man verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze. Daarbij verzoekt hij de rechtbank te bepalen dat partijen over dienen te gaan tot het te koop aanbieden van de echtelijke woning en daarbij de aanwijzingen van de makelaar op te volgen ten aanzien van de vraagprijs en het accepteren van een bod.

2.8.3.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en zij verzoekt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bepalen zoals door haar is weergegeven in haar processtukken.

2.8.4.

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 van het BW.

Peildata

2.8.5.

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b. van het BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 27 december 2018.

2.8.6.

In afwijking hiervan, zijn partijen overeengekomen dat voor de saldi van de bankrekeningen 31 december 2018 als de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap geldt.

2.8.7.

Met betrekking tot de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

2.8.8.

Ten aanzien van een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgoederengemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. In afwijking hiervan zijn partijen, zoals hiervoor vermeld, overeengekomen dat voor de saldi van de bankrekeningen uit praktisch oogpunt uitgegaan wordt van 31 december 2018.

Omvang

2.8.9.

Volgens partijen dan wel één van hen bestaat de huwelijksgoederengemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:

Goederen:

-de woning aan het [adres]

-de polis bij Nationale Nederlanden met nummer [polisnummer 1]

-de polis bij Van Lanschot met nummer [polisnummer 2]

-de levensverzekering bij ASR met nummer [polisnummer 3]

-het saldo op de beleggingsverzekering Aegon certificaatnummer [nummer]

-het saldo op de rekening met nummer [bankrekeningnummer 1]

-het saldo op de rekening van Van Lanschot met nummer [rekeningnummer]

-het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 2]

-het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 3]

-het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 4]

-het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 5]

-het saldo op rekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 6]

-het saldo op de rekeningen [bankrekeningnummer 7] en [bankrekeningnummer 8]

-de inboedelgoederen

-de auto Suzuki Splash

-de eenmanszaak [naam bedrijf 1]

-de vennootschap onder firma [naam bedrijf 2]

-de aandelen in [naam bedrijf 3] .

Schulden:

-de hypothecaire geldlening bij Van Lanschot

-het saldo van de rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [bankrekeningnummer 9]

-de (rekening-courant) schuld aan de besloten vennootschap

-de aanslagen IB en ZVW 2018.

2.8.10.

In tegenstelling tot wat de vrouw stelt, behoort het saldo op de rekening bij de Rabobank met nummer [bankrekeningnummer 6] niet tot de huwelijksgoederengemeenschap omdat deze geopend is op 1 maart 2019, derhalve na ontbinding van de huwelijksgemeenschap.

De woning, de hypothecaire geldlening en de daaraan verbonden polissen.

2.8.11.

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning dient te worden verkocht. Aangezien partijen twisten over de vraagprijs en de in te schakelen makelaar, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende wijze.

Binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw twee tot drie makelaarskantoren, niet zijnde Helm & Heus makelaars en Olsthoorn makelaars, en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken, de volgende handelingen:

  • -

    invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,

  • -

    aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;

  • -

    betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,

  • -

    leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

  • -

    meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

  • -

    meewerken aan geplande bezichtigingen,

  • -

    zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,

  • -

    alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen.

2.8.12.

Bij dit alles geldt nog het volgende:

  • -

    voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, alsmede een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,

  • -

    in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,

  • -

    partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte,

  • -

    als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van de zijde van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,

  • -

    met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.

2.8.13.

Op de verkoopopbrengst moet de hypothecaire schuld ten tijde van de overdracht van de woning in mindering worden gebracht. De aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering bij ASR, voor zover deze een waarde vertegenwoordigt wat partijen verdeeld houdt, strekken in mindering op de hypothecaire schuld. Voor zover de verkoopopbrengst hoger zal zijn dan de hypothecaire schuld is sprake van overwaarde, die partijen gelijkelijk verdelen. Indien de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering hoger zullen zijn dan de hypotheekschuld verdelen partijen deze gelijkelijk.

2.8.14.

Als de verkoopopbrengst lager is dan de hoogte van de hypothecaire schuld, waarop de aanspraken uit hoofde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekering in mindering strekken, is sprake van onderwaarde, die partijen gelijkelijk zullen dragen.

2.8.15.

De kosten verbonden aan de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen

2.8.16.

De uit te keren waardes van de polis bij Nationale Nederlanden met nummer [polisnummer 1] en de polis bij Van Lanschot met nummer [polisnummer 2] worden gebruikt om een eventuele restantschuld ten aanzien van de hypothecaire geldlening af te lossen. Indien deze is afgelost en er nog een bedrag resteert, wordt dit bij helfte verdeeld.

2.8.17.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de kosten van onderhoud en reparatie van de woning voor zijn rekening moet nemen. Los van het feit dat hiervoor een rechtsgrond ontbreekt, is het verzoek van de vrouw onvoldoende concreet en zal het worden afgewezen.

De beleggingsverzekering bij Aegon

2.8.18.

Partijen zijn het er over eens dat de man de verzekering zal voortzetten en dat de rechten uit de verzekering aan de man worden toegedeeld onder de verplichting om de helft van de waarde (€ 2.626,20 per 31 december 2018) aan de vrouw te voldoen. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

Het saldo van de rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [bankrekeningnummer 9]

2.8.19.

Partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor het debetsaldo dat op 31 december 2018 op deze rekening stond.

Het saldo op de rekening bij Van Lanschot [bankrekeningnummer 1]

2.8.20.

Partijen zijn het er over eens dat de man gelden op deze rekening stort waarvan de woonlasten worden voldaan. Het saldo van deze rekening wordt door partijen verdeeld na verkoop van de woning. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat degene die iets opneemt van die rekening verantwoordelijk is daarvoor, in die zin dat hij of zij de helft van het opgenomen bedrag aan de ander verschuldigd wordt.

Het saldo op de rekening bij Van Lanschot met nummer [rekeningnummer]

2.8.21.

Partijen zijn het er tijdens de mondelinge behandeling over eens geworden dat dit een tussenrekening betreft met een saldo van € 255,- dat bij helfte verdeeld moet worden.

Het saldo op de rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [bankrekeningnummer 2]

2.8.22.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw het saldo van € 3.044,61 krijgt toegedeeld onder de verplichting om de helft hiervan aan de man te voldoen. De vrouw zet de rekening voort.

Het saldo op de rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [bankrekeningnummer 3]

2.8.23.

Niet in geschil is dat dit een rekening van de eenmanszaak betreft. Aangezien de activa en passiva van de eenmanszaak in de verdeling van de huwelijksgemeenschap worden betrokken, dient het saldo op deze rekening niet nog eens apart te worden verdeeld om een dubbeltelling te voorkomen.

De saldi op de rekening bij de Rabobank met rekeningnummers [bankrekeningnummer 5] en [bankrekeningnummer 4]

2.8.24.

Tussen partijen staat vast dat er geen saldi te verdelen zijn.

Het saldo op de rekeningen [bankrekeningnummer 7] en [bankrekeningnummer 8]

2.8.25.

Partijen zijn het erover eens dat de saldi op de rekeningen van de minderjarigen zijn en daarom niet tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren. Om die reden worden de saldi niet in de verdeling te worden betrokken.

De inboedelgoederen

2.8.26.

De man heeft tijdens de zitting ingestemd met het door de vrouw gedane voorstel zoals is verwoord in productie 27 behorend bij het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De auto

2.8.27.

Partijen zijn het er over eens dat de auto Suzuki Splash, partijen genoegzaam bekend, aan de vrouw zal worden toegedeeld. Zij twisten over de waarde. De vrouw heeft de door haar gestelde waarde onderbouwd en de man heeft deze waarde onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank bepaalt dat de auto aan de vrouw zal worden toegedeeld tegen een waarde van € 750,- en onder de verplichting de helft hiervan aan de man te voldoen.

De eenmanszaak

2.8.28.

Een eenmanszaak is geen goed dat in de wettelijke gemeenschap van goederen valt en kan als zodanig niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva valt in de wettelijke gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld, waarbij als uitgangspunt voor de waardering het tijdstip van feitelijke verdeling geldt, tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn.

2.8.29.

De activa worden aan de man toegedeeld, onder de verplichting om ook de passiva voor zijn rekening te nemen. Dit geschiedt tegen een waarde van € 34.107,- zoals door de man is gesteld. De stelling van de vrouw dat ook de goodwill in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de waarde, wordt gepasseerd. Het betreft hier onbelichaamde en persoonlijke goodwill die niet als een zelfstandige waarde kan worden gerealiseerd en die niet overdraagbaar is. De man dient in het kader van deze wijze van verdeling een bedrag van € 17.053,50 aan de vrouw te voldoen. Hierop dient nog de helft van de latente belastingclaim voor de FOR in mindering te worden gebracht. De man stelt dat rekening dient te worden gehouden met een claim van 53%. De vrouw gaat uit van 20%. Omdat geen van partijen het standpunt onderbouwd heeft, zal de rechtbank uitgaan van een gemiddelde, te weten 36,5%. Gelet op de gehanteerde peildatum door partijen ten aanzien van de waardering van de activa en passiva van de eenmanszaak, dient ook voor de hoogte van de FOR bij deze datum, te weten 31 december 2018, te worden aangesloten. Het door de man aan de vrouw te betalen bedrag wordt dan € 17.053,50 minus de helft van 36,5% maal de stand van de FOR op de voormelde peildatum.

De vof

2.8.30.

De man had op de peildatum een vennootschap onder firma met een derde. Het voor het bedrijf van de vof bestemde vermogen van de vennoten is een afgescheiden vermogen. Op dit afgescheiden vermogen kunnen schulden, aangegaan in het kader van het door de vof uitgeoefende bedrijf, worden verhaald. Een schuldeiser van de vof kan zijn vordering zowel geldend maken tegen de gezamenlijke vennoten (‘tegen de vof’) als tegen iedere vennoot afzonderlijk (Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649). Het aandeel van de man in het vennootschappelijk vermogen valt niet in de wettelijke gemeenschap van goederen, maar slechts de waarde daarvan (de economische gerechtigdheid), zie Hoge Raad 15 december 1961, NJ 1962/48. Vastgesteld dient dus te worden wat deze waarde op de peildatum was.

2.8.31.

De man gaat er in zijn processtukken zelf van uit dat de vof een negatieve waarde vertegenwoordigt. De rechtbank zal niet, zoals de man voorstaat, deze negatieve waarde in mindering brengen op de waarde van de eenmanszaak, nu dit afzonderlijke ondernemingen betreffen die juridisch anders geduid worden. De vof is niet ontbonden. Er is geen positieve waarde te verdelen. Niet gebleken is van een vordering van de (vennoten van de) vof op de huwelijksgemeenschap zodat het verzoek van de man een negatieve waarde aan de vrouw bij helfte toe te rekenen, zal worden afgewezen.

De besloten vennootschap en de rekening-courantschuld

2.8.32.

Partijen zijn het erover eens dat de aandelen van de besloten vennootschap aan de man dienen te worden toegedeeld, onder de verrekening van de helft van de waarde met de vrouw. Partijen twisten echter over de waarde van de aandelen.

2.8.33.

De vrouw betwist dat er sprake is van een schuld in rekening-courant aan de besloten vennootschap. De man heeft echter voldoende onderbouwd dat er sprake is van een schuld in rekening-courant. Uit de stukken blijkt dat deze is omgezet in een leningovereenkomst. Voor zover de vrouw met haar standpunt bedoeld heeft dat zij niet draagplichtig is voor de schuld, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. De rechtbank gaat hieraan voorbij.

2.8.34.

Partijen nemen beiden geen duidelijk standpunt in over de waarde van de besloten vennootschap. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de waarde in de besloten vennootschap volledig wordt bepaald door de schuld in rekening-courant die is omgezet in een langlopende lening. Daarom zal de rechtbank aansluiting zoeken bij hoogte van de schuld volgens de aangifte Inkomstenbelasting van partijen over het jaar 2018 en de waarde van de aandelen bepalen op € 331.381,-. De aandelen worden aan de man toegedeeld onder de verplichting om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. Ten aanzien van de schuld ten bedrage van € 331.381,- geldt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn. Partijen zullen de vordering van de vrouw op de man verrekenen met de helft van de schuld die voor rekening van de vrouw komt, zodat er per saldo geen verrekenpost resteert.

Aanslag IB en ZVW 2018

2.8.35.

Partijen verzoeken over en weer dat de ander de helft van de nog op te leggen definitieve aanslagen dient te voldoen. Voor zover er discussie is over reeds betaalde voorlopige aanslagen, dienen partijen elkaar inzage te geven in de definitieve aanslag waaruit dit zou moeten volgen. Aangezien tot en met 27 december 2018 alles in de huwelijksgemeenschap is gevallen, dienen de aanslagen die zien op de periode voor die datum bij helfte te worden voldaan. Partijen hebben in hun verweer beiden onvoldoende gesteld om tot een andere verdeling van de draagplicht te komen.

2.8.36.

De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten zoals hierboven in rechtsoverweging 2.8.11 tot en met 2.8.35 is weergegeven.

Verrekenvordering

2.8.37.

Partijen hebben over en weer aanvullende verzoeken gedaan tot verrekening van bedragen die zij volgens hun eigen stelling te veel hebben betaald. Deze kosten behoren niet tot de schulden van de huwelijksgemeenschap aangezien zij na de ontbinding van de gemeenschap zijn gemaakt. De rechtbank laat deze aanvullende verzoeken buiten beschouwing omdat deze aanvullingen in strijd zijn met de goede procesorde. Van de vordering van de vrouw ontbreekt een petitum, terwijl de vordering in het betreffende processtuk slechts zeer summier is omschreven, en de vordering van de man is in het geheel niet in een processtuk toegelicht.

2.9.

Pensioen

2.9.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man inzage en inlichtingen dient te verstrekken in de door hem bij de pensioenfondsen opgebouwde pensioenrechten die vallen onder de wet VP. Ook verzoekt zij te bepalen dat de man inzage en inlichtingen dient te verstrekken over de manier waarop hij als zelfstandig ondernemer en aandeelhouder van de B.V. voorzieningen heeft getroffen voor zijn pensioen. In het lichaam van het door de vrouw ingediende verweerschrift tevens zelfstandig verzoek doet zij een expliciet verzoek tot verevening.

2.9.2.

De man heeft een overzicht in het geding gebracht en uitleg gegeven over het door hem opgebouwde pensioen. Ook de man wil inzage in het door de vrouw opgebouwde pensioen. Ter zitting heeft de vrouw toegezegd hier inzage in te geven in het door haar opgebouwde pensioen.

2.9.3.

Gelet op de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling, gaat de rechtbank ervan uit dat zij voldoende informatie hebben over de opgebouwde pensioenen. Ten aanzien van het niet in het petitum geformuleerde verzoek van de vrouw, wordt wellicht ten overvloede het volgende overwogen. Indien een echtgenoot tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot bij echtscheiding van rechtswege recht op pensioenverevening. Het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.

2.10.

Proceskosten

2.10.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 23 juni 2001 te Naaldwijk;

3.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [naam kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] 2005 te [geboorteplaats kind 1] , en [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2007 te [geboorteplaats kind 2] , bij de vrouw zal zijn;

3.3.

stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zullen zijn gedurende een weekend per veertien dagen op zaterdag en zondag met overnachting. Daarnaast zal de man tijdens de zomervakantie gedurende twee weken aaneengesloten de zorg voor de minderjarigen hebben. De kerstvakantie wordt bij helfte gedeeld. Gedurende de overige vakanties geldt de tweewekelijkse zorgregeling. Met Kerst, Pasen en Oud en Nieuw, zullen partijen jaarlijks om en om de eerste respectievelijk tweede feestdag de minderjarigen bij zich hebben. De tweewekelijkse zorgregeling mag plaatsvinden in de echtelijke woning in aanwezigheid van de hond. De minderjarigen zullen tijdens de zorgregeling geen contact hebben met de nieuwe partner van de man (en/of haar kinderen);

3.4.

bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan het [adres] , die aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten, behoudens gedurende de weekenden dat de man de zorg voor de minderjarigen heeft zoals in rechtsoverweging 2.5.3. van de onderhavige beschikking is neergelegd, gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, waarbij de redelijke vergoeding op nihil wordt gesteld;

3.5.

bepaalt dat de vrouw de gebruikerslasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen;

3.6.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 726,- per maand per kind;

3.7.

gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.8.11 tot en met 2.8.35;

3.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

3.9.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.10.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Lablans, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H.J. Wieman-Bart en L.M. Coenraad, rechters, tevens kinderrechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Smulders op 24 oktober 2019.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.