Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8660

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
10/750276-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, werkzaam als heftruckchauffeur bij een fruitoverslagbedrijf in de Rotterdamse haven, is veroordeeld voor het medeplegen van de invoer van 100 kilogram cocaïne, voorbereidingshandelingen daartoe en passieve niet-ambtelijke omkoping, tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Daarnaast wordt hem € 1.970,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750276-18

Datum uitspraak: 30 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. J.V. van Blitterswijk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 9 en 17 oktober 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Sondermeijer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsoverweging

Onder feit 1 primair en feit 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij samen met anderen 100 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd en dat hij daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd. De verdachte heeft dit bekend. Deze feiten zullen daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Onder feit 3 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zich in zijn functie als vorkheftruckchauffeur bij het bedrijf [naam bedrijf] heeft laten omkopen om eerdergenoemde feiten te plegen. Ook dit feit heeft de verdachte bekend. Onderdeel van de tenlastelegging is dat de verdachte het aannemen van de geldbedragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever. Dit volgt niet expliciet uit andere bewijsmiddelen. De rechtbank vindt het vanwege de aard van de handelingen en omdat uit de stukken blijkt dat de verdachte niet wilde dat zijn leidinggevende wist van het laden van de pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een vrachtwagen, echter evident dat de verdachte het aannemen van de geldbedragen niet met zijn werkgever heeft gedeeld. Ook feit 3 zal daarom bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan, en op grond van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te

Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid

4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

2.

hij in de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te

Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een

feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van ongeveer 100 kilogram van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst 1

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes mededader(s):

- ( telefonisch) contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of

afspraken gemaakt en/of één of meer bespreking(en) gehad met zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het uithalen/veilig stellen, klaar zetten,

verstrekken en vervoeren van die cocaïne, en

- geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen) en/of verstrekt (gekregen) en/of

ontvangen en/

- een briefje met daarop cijfers genoteerd voorhanden gehad en/of een

pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een loods aan de [adres delict]

apart/klaar gezet voor verder transport en

- die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een vrachtwagen

geplaatst;

3.

hij in de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te

Rotterdam, anders dan als ambtenaar, te weten als vorkheftruckchauffeur,

werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [naam bedrijf]

,

naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn

betrekking heeft gedaan, een gift, te weten meerdere

geldbedragen, heeft aangenomen terwijl hij

verdachte dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft

verzwegen tegenover zijn werkgever.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1 primair en feit 2:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

Feit 3:

het anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan, aannemen van een gift.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met anderen ongeveer 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne in Nederland ingevoerd. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan daarop gerichte voorbereidingshandelingen. De verdachte was werkzaam als heftruckchauffeur bij een fruitoverslagbedrijf in de Rotterdamse haven. Vanuit die positie heeft hij op aanwijzing van een ander bij het lossen van een scheepslading bananen uit Zuid-Amerika een pallet bananen met daarin de cocaïne apart gezet en later in een vrachtwagen geladen. Hem zou verteld zijn dat het slechts om een ‘testertje’ ging. In ruil voor zijn ‘diensten’ was hem € 10.000,- in het vooruitzicht gesteld, maar hij heeft uiteindelijk niet meer dan bijna € 2.000,- ontvangen. De verdachte heeft zijn aandeel in het geheel direct bekend en ook in het vervolg (een grote mate van) openheid van zaken gegeven.

Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel. Corrupte medewerkers in de haven, zoals de verdachte, zijn een onmisbare schakel in het smokkelen van drugs via de Rotterdamse haven. De ingevoerde hoeveelheid was dusdanig groot, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het is algemeen bekend dat de handel in cocaïne uitermate winstgevend is. Hierdoor wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd (cocaïne is immers een voor de gezondheid zeer schadelijke stof), maar de ervaring leert ook dat dit in het bijzonder bij grensoverschrijdende handel in de invoer- en uitvoerlanden vaak gepaard gaat met vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad en was uitsluitend uit op eigen financieel gewin.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 september 2019. Hieruit blijkt dat de verdachte enkele veroordelingen op zijn naam heeft staan, maar die zijn dermate gedateerd dat de rechtbank daar niet in strafverzwarende zin rekening mee zal houden.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft gedurende de loop van dit strafproces rapportages over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 augustus 2018, 16 november 2018 en 24 september 2019. Deze rapporten houden – kort gezegd - het volgende in.

De verdachte had zijn leven voorafgaand aan het plegen van de feiten redelijk op orde, in die zin dat hij beschikte over een (huur)woning, een baan en een partner. Problematisch was echter zijn schuldenproblematiek, wat ook de aanleiding is geweest om onderhavige feiten te plegen. Daarnaast is het jarenlange cocaïnegebruik van de verdachte zorgelijk, maar lijkt dit niet direct tot het plegen van de onderhavige of andere strafbare feiten te hebben geleid. De verdachte toont inzicht in zijn delictgedrag en heeft spijt betuigd. Hij meent echter op geen enkel leefgebied hulp nodig te hebben. Mede daarom worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd.

In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte heeft hij sinds eind januari 2019 onder toezicht van de reclassering gestaan. In deze periode heeft de verdachte een nieuwe baan gevonden en heeft hij betalingsregelingen getroffen voor zijn schulden. Van specifieke schuldenproblematiek lijkt daarom geen sprake meer. Daarnaast heeft de verdachte een intakegesprek gehad bij Forensische Polikliniek De Waag. Zij geven aan geen gronden te zien voor forensische diagnosiek en/of behandeling.

Overig

Op de zitting is door en namens de verdachte aangevoerd dat hij zijn woning zal verliezen indien hij (langdurig) gedetineerd raakt en dat dat tevens tot gevolg zal hebben dat zijn vriendin uit Kenia, die voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning afhankelijk is van de verdachte, Nederland zal moeten verlaten.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Vanwege de ernst van de feiten, zoals die hiervoor tot uitdrukking is gebracht, is enkel een gevangenisstraf op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op uitspraken in soortgelijke zaken. Daarbij is rekening gehouden met de grote hoeveelheid verdovende middelen, maar ook met het feit dat de verdachte in het geheel geen initiërende rol heeft gehad. Hij handelde immers op instructies van een ander. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de verdachte weet had van de precieze hoeveelheid cocaïne. De rechtbank houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat de verdachte misbruik maakte van zijn vertrouwenspositie bij zijn werkgever.

Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat hij vanaf het begin van het onderzoek openheid van zaken heeft gegeven en ervan blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de reeds door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis achterwege te laten en in plaats daarvan – als stok achter de deur - een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De ernst van de feiten laat hiervoor echter geen ruimte. Ook de aangevoerde – voor de verdachte bij het plegen van de feiten voorzienbare - persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om anderszins te oordelen.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.

7.5.

Voorlopige hechtenis

Op de terechtzittingen van respectievelijk 18 december 2018 en 9 oktober 2019 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis te continueren, zodat het geschorste bevel voorlopige hechtenis niet zal worden opgeheven.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 55, 57 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. G.A. Bouter-Rijksen en J.C.M. Persoon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te

Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid

4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 100 kilogram, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te

Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 100 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een

feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van 100 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst 1

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen, en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot

het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had

te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde

feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes mededader(s):

- ( telefonisch) contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of

afspraken gemaakt en/of één of meer bespreking(en) gehad met zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het uithalen/veilig stellen, klaar zetten,

verstrekken en vervoeren van die cocaïne, en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen) en/of verstrekt (gekregen) en/of

ontvangen en/of

- een briefje met daarop cijfers genoteerd voorhanden gehad en/of een

pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een loods aan de [adres delict]

apart/klaar gezet voor verder transport en/of

- die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een vrachtwagen

geplaatst en/of (vervolgens) met die vrachtwagen die pallet (met cocaïne

tussen de lading bananen) weggevoerd/vervoerd;

3.

hij in of omstreeks de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te

Rotterdam, anders dan als ambtenaar, te weten als vorkheftruckchauffeur,

werkzaam zijnde in dienstbetrekking en/of optredend als lasthebber [naam bedrijf]

,

naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn

betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan

wel zou doen of nalaten, een gift, belofte en/of dienst, te weten meerdere

geldbedragen en/of cocaïne, heeft aangenomen en/of heeft gevraagd terwijl hij

verdachte dit aannemen en/of vragen in strijd met de goede trouw heeft

verzwegen tegenover zijn werkgever en/of lastgever.