Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8561

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
C/10/579161 / KG ZA 19-785
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blokkade bankrekening. Weinig voortvarend en zorgvuldig handelen van bank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/579161 / KG ZA 19-785

Vonnis in kort geding van 9 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VALIOSO HOLDING B.V.,

gevestigd te Veldhoven,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.K. Ramdas te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.

Partijen worden hierna Valioso en ABN AMRO genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 augustus 2019, met producties 1 en 3;

  • -

    de akte eis in reconventie met 7 producties van ABN AMRO;

  • -

    de akte vermeerdering eis van Valioso;

  • -

    de bij faxbericht van 30 augustus 2019 overgelegde productie 2 van Valioso;

  • -

    de mondelinge behandeling van 2 september 2019;

  • -

    de pleitnota van Valioso

  • -

    de pleitnota van ABN AMRO.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het bedrijf [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ), een klant van ABN AMRO, wilde op 25 juni 2019 een bedrag van USD 1.700.000,00 overboeken naar ABN AMRO Clearing Bank (hierna: AACB). Zij wilde dit bedrag wisselen en in euro’s bij laten schrijven op haar eigen rekening bij ABN AMRO. ABN AMRO verstrekt voor een dergelijke wisseldienst een zogeheten Cash SSI (standard settlement instructions), waarop een rekeningnummer staat vermeld dat de klant voor die wisseldienst moet gebruiken.

2.2.

[naam bedrijf 1] heeft voor de overboeking een Cash SSI gebruikt waarop een Fortis-rekeningnummer vermeld stond, te weten [bankrekeningnummer 1] . Dit rekeningnummer was op dat moment niet meer in gebruik. AACB heeft klanten na de fusie van ABN AMRO en Fortis bericht dat gelden (bestemd voor voornoemd Fortis-rekeningnummer) voortaan naar een ander rekeningnummer dienen te worden overgeboekt.

2.3.

Op enig moment na de fusie met Fortis heeft ABN AMRO een grotendeels overeenkomstig bankrekeningnummer – [bankrekeningnummer 2] – uitgegeven aan een particuliere klant, de heer [naam] (hierna: [naam] ).

Bij de in 2.1. bedoelde overboeking is het oude Fortisnummer automatisch omgezet naar een ABN AMRO rekeningnummer, meer in het bijzonder is daarbij NL80FTSB automatisch omgezet in NL86ABNA. Hierdoor is het geld van [naam bedrijf 1] – omgerekend € 1.486.039,97 – op 25 juni 2019 voornoemde bankrekening van [naam] bijgeschreven.

2.4.

[naam] boekte op 25, 26 en 27 juni 2019, in zes aparte opdrachten, in totaal € 1.485.000,00 over naar rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] . Valioso houdt dat rekeningnummer aan bij ABN AMRO. Bij de zes overboekingen stond steeds de volgende omschrijving: “overeenkomstnr [nummer] deelbetaling”.

2.5.

Op 12 juli 2019 boekte ABN AMRO het bedrag van € 1.485.000,00 af van de rekening van Valioso. Zij vermeldt daarbij: “RETOUR 5X EUR 250.000,00 EN 1X 235.000 VAN 25-6 T/M 27-6 BEDRAGEN NIET VOOR U BESTEMD OVERBOEKING BUITENLAND”. Op of omstreeks dezelfde datum heeft ABN AMRO de bankrekening van Valioso geblokkeerd. Het saldo van de bankrekening van Valioso bedraagt daardoor

- € 179.281,43.

2.6.

Bij brief van 15 juli 2019 schrijft ABN AMRO aan Valioso:

“Onderwerp: Wij stoppen de relatie met u.

Geachte heer/mevrouw,

U heeft een bankrekening bij ABN AMRO met nummer [bankrekeningnummer 3] . Op deze rekening is op 26 juni 2019 een bedrag van EUR 148.5000,00 bijgeschreven vanaf [bankrekeningnummer 4] . Dit bedrag is afkomstig van fraude. Daarom doen we geen zaken meer met u.

(…)”.

2.7.

Op 23 juli 2019 schrijft advocaat van Valioso aan ABN AMRO:

“Geachte heer of mevrouw,

(…)

Aan mij werd ter hand gesteld uw brief van 15 juli 2019 waarmee ik u bekend veronderstel. Ik heb een bespreking met cliënte gehad en mij werd medegedeeld dat met grote verbazing kennis is genomen van de inhoud van uw brief. U stelt dat het bedrag van € 148.5000,00 afkomstig is van fraude zonder dit nader te motiveren met stukken. Ik merk namens cliënte op, dat zij voornoemd bedrag niet van een SW rekening heeft ontvangen. Indien en voor zover er sprake is van de gestelde fraude, alsdan heeft u evenmin aangetoond, dat cliënte betrokken is geweest bij het gestelde, althans dat er een gerechtvaardigde en ernstige verdenking bestaat jegens cliënte, dat zij zelf betrokken is

geweest bij de gestelde fraude.

Ik ga er van uit dat het voor u mogelijk moet zijn om mij per ommegaande nader te informeren met betrekking tot de door u gestelde fraude en mij ook verifieerbare stukken te doen toekomen waaruit het gestelde zou moeten blijken. Als een financiële instelling, wiens handelen en beslissingen grote consequenties voor de burgers en ondernemingen kan hebben, bent u verplicht om uw beslissingen te motiveren en de feiten, die aan u beslissingen ten grondslag liggen, bekend te maken. Kortom; u dient uw zorgplicht in acht te nemen en voor u gelet op de hoedanigheid van de bank en verzwaarde stel- en motivatieplicht geldt. Zodra ik deze stukken in mijn bezit heb zal ik deze bespreken en u het verweer van cliënte ter zake bekend maken.

Indien u gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de overeenkomst, moet de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld worden aan de hand van de overeenkomst en aan de hand van de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW, die meebrengt dat de beëindiging door u op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit dien hoofde verzoek ik u evenzo de stukken aan mij te doen toekomen.

(…)

Thans stel ik u in de gelegenheid, en voor zover nodig sommeer ik u daartoe, om binnen 3 dagen na heden het rekeningnummer te deblokkeren, bij gebreke waarvan ik opdracht heb om rechtsmaatregelen te nemen. Voorts stel ik u namens cliënte aansprakelijk voor de schade en nog te lijden schade.

(…).”

3 Het geschil in conventie

3.1.

De gewijzigde eis van Valioso luidt, samengevat, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar te verklaren vonnis ABN AMRO veroordeelt:

  1. om per direct dan wel op de dag van de betekening van het vonnis in deze zaak de blokkade op ondernemersrekening [bankrekeningnummer 3] van Valioso op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat ABN AMRO daarmee in gebreke blijft;

  2. tot terugboeking van € 1.485.000,00 op bedoelde bankrekening van Valioso;

  3. in de proceskosten en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

ABN AMRO voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. ABN AMRO meent dat Valioso niet te goeder trouw is.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

ABN AMRO vordert samengevat, en na intrekking van de gevorderde dwangsom, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren:

primair:

Valioso veroordeelt om binnen vijf werkdagen na het wijzen van vonnis in deze zaak het tekort op de bankrekening van Valioso ten bedrage van € 179.281,43 volledig aan te zuiveren;

subsidiair:

Valioso op grond van ongerechtvaardigde verrijking dan wel op grond van onrechtmatige daad veroordeelt tot (terug)betaling (c.q. tot betaling van een voorschot op schadevergoeding) van € 179.281,43 aan ABN AMRO binnen vijf werkdagen na het wijzen van het vonnis in deze zaak, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

4.2.

Valioso voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

ABN AMRO heeft geen bezwaar gemaakt tegen de tijdig ingediende eisvermeerdering van Valioso, zodat op de gewijzigde eis wordt beslist.

5.2.

Het in dit verband relevante artikel 7:542 BW luidt als volgt:

  1. Indien een betaalopdracht wordt uitgevoerd op basis van een unieke identificator, wordt de betaalopdracht geacht correct te zijn uitgevoerd wat de in de unieke identificator gespecificeerde begunstigde betreft.

  2. Indien de unieke identificator die door de betaaldienstgebruiker is verstrekt, onjuist is, is de betaaldienstverlener uit hoofde van artikelen 543 tot en met 545 niet aansprakelijk voor de niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering van de betalingstransactie.

  3. De betaaldienstverlener van de betaler levert in het geval als bedoeld in het tweede lid redelijke inspanningen om de met de betalingstransactie verband houdende geldmiddelen mee aan die inspanningen, onder meer door alle voor de te innen geldmiddelen relevante informatie aan de betaaldienstverlener van de betaler mee te delen. Indien het innen van geldmiddelen op grond van de eerste zin niet mogelijk is, verstrekt de betaaldienstverlener van de betaler aan de betaler, op diens schriftelijke verzoek, alle voor de betaaldienstverlener van de betaler beschikbare informatie die relevant is voor de betaler om een rechtsvordering in te stellen om de geldmiddelen terug te krijgen.

  4. Indien dat in de raamovereenkomst is overeengekomen, mag de betaaldienstverlener de betaaldienstgebruiker voor het terugverkrijgen kosten aanrekenen.

  5. Indien de betaaldienstgebruiker aanvullende informatie verstrekt naast de informatie die krachtens het bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4:22 van de Wet op het financieel toezicht, bepaalde vereist is, is de betaaldienstverlener alleen aansprakelijk voor de uitvoering van betalingstransacties overeenkomstig de unieke identificator die door de betaaldienstgebruiker is gespecificeerd.

5.3.

De betalingstransacties waarbij Valioso betrokken is, zijn de zes overboekingen door [naam] naar de bankrekening van Valioso tot een totaalbedrag van

€ 1.485.000,00. Die betalingstransacties worden, gelet op artikel 7:542 BW, geacht correct te zijn uitgevoerd.

5.4.

De overboeking van gelden van [naam bedrijf 1] naar de bankrekening van [naam] raakt Valioso (in beginsel) niet. Die overboeking is immers een transactie waarbij Valioso geen partij is. De overboeking raakt [naam] wel. Hij is immers niet de in de betaalopdracht gespecifieerde begunstigde. [naam] heeft de gelden vrijwel onmiddellijk na ontvangst daarvan nagenoeg volledig naar de bankrekening van Valioso overgemaakt. Dat heeft geleid tot de door ABN AMRO genomen maatregelen.

5.5.

De vragen die in dit geding moeten worden beantwoord zijn of ABN AMRO de bankrekening van Valioso (nog langer) mag blokkeren en of ABN AMRO, gelet op alle feiten en omstandigheden, de bankrekening van Valioso voor het bedrag van

€ 1.485.000,00 mocht crediteren.

De voorzieningenrechterstelt bij de beantwoording van die vragen voorop dat het blokkeren van de bankrekening van Valioso, naar voorlopig oordeel, niet onrechtmatig was. ABN AMRO diende een onderzoek naar de overboeking(en) vervolgens wel voortvarend en zorgvuldig ter hand te nemen. Dat heeft zij niet gedaan.

Onduidelijk is wanneer de fout ontdekt is. ABN AMRO stelt dat zij de gelden direct na ontdekking heeft teruggeboekt. Die terugboeking vond plaats op 12 juli 2019. Dat betekent dat het 17 dagen heeft geduurd voordat de fout is ontdekt. Dat komt op het eerste gezicht als onwaarschijnlijk lang voor.

Pas 3 dagen na 12 juli 2019 stuurt ABN AMRO de brief van 15 juli aan Valioso. De mededelingen van ABN AMRO in die brief zijn onjuist. Niet alleen wordt een verkeerd bedrag genoemd, ook zijn de bijschrijvingen afkomstig van een ander rekeningnummer dan in de brief wordt gesteld. De stelling dat sprake is van fraude lijkt bovendien voorbarig en te stellig. Uit de stukken en de mondelinge behandeling volgt dat ABN AMRO op dat moment nog geen of nauwelijks onderzoek had gedaan. Over de periode daarna blijkt evenmin van enig onderzoek. Vast staat dat naar [naam] (nog) helemaal geen onderzoek heeft plaatsgevonden.

ABN AMRO communiceert over deze situatie nauwelijks met Valioso. De brief van 15 juli bevat slechts (niet onderbouwde) mededelingen en geen vragen aan Valioso en de brief van Valioso van 23 juli heeft ABN AMRO onbeantwoord gelaten.

Bij dit alles komt nog dat ABN AMRO ter zitting met zoveel woorden heeft erkend dat het (strikt formeel) in strijd met de daarvoor geldende regels was om de gelden van de bankrekening van Valioso terug te boeken.

5.6.

De vraag is wat het weinig voortvarende en weinig zorgvuldige handelen van ABN AMRO voor gevolgen moet hebben. Daarbij is van belang dat er in het kader van de behandeling van dit korte geding nieuwe feiten en omstandigheden boven water gekomen zijn.

5.6.1.

Hoewel ABN AMRO de brief van 23 juli onbeantwoord heeft gelaten, tastte Valioso kennelijk niet in het duister over de aan de brief van 15 juli 2019 ten grondslag liggende feiten en omstandigheden. In de dagvaarding van 2 augustus 2019 schrijft Valioso immers dat zij een bedrag van € 1.485.000,00 van [naam] heeft ontvangen op grond van een gesloten overeenkomst. Valioso verwijst daarbij naar een productie 2.

5.6.2.

Opmerkelijk is dat die productie 2 niet bij de dagvaarding was gevoegd (en betekend is) maar pas op 30 augustus 2019 aan de voorzieningenrechter en ABN AMRO is toegestuurd. Evenzeer valt op dat Valioso in de dagvaarding niet benoemt om wat voor soort overeenkomst het gaat.

5.6.3.

Productie 2 omvat 22 pagina’s. De eerste twee pagina’s zijn getiteld “Koop-verkoop overeenkomst van een kunstwerk”. Deze overeenkomst is op 4 juni 2019 in Den Haag ondertekend. Het kunstwerk is een schilderij van Pieter Paul Rubens, getiteld Diogenes seeking a True Man. Valioso is verkoper en [naam] is koper van het schilderij voor een koopprijs van € 1.520.000,00. Van de koopprijs diende binnen vijf weken betaling van € 1.200.000,00 plaats te vinden. Het restant diende binnen 12 maanden te worden betaald. In de overeenkomst staat verder dat transport, door [naam bedrijf 2] , voor risico van de koper is. De laatste 2 pagina’s van de productie zijn een op 28 juni 2019 gedateerde vrachtbrief die Valioso als afzender en [naam] als geadresseerde vermeldt en een aan Valioso gerichte factuur van [naam bedrijf 2] met de omschrijving Hoofddorp-Lithoijen (de woonplaats van [naam] ).

5.6.4.

Deze productie 2 roept een hoop vragen op. Het overeenkomstnummer dat staat genoemd in de betalingsopdrachten van [naam] – [nummer] – staat niet op de overeenkomst. Verder blijkt vooralsnog nergens uit dat Valioso eigenaar was van het schilderij en waar het schilderij zich bevond. Voorts wekt het bevreemding dat een in Veldhoven gevestigd bedrijf en een Lithoijen woonachtige persoon in Den Haag een overeenkomst sluiten waarna vervolgens in Delft de handtekening van (alleen) [naam] is gelegaliseerd. Valioso heeft tijdens de mondelinge behandeling op deze vragen gereageerd. Niet alle vragen zijn echter beantwoord en iedere onderbouwing van haar antwoorden ontbreekt vooralsnog.

5.6.5.

Andere vragen bij productie 2 zijn waarom de kredietwaardigheid van [naam] niet is onderzocht maar de handtekening wel (en in Delft) is gelegaliseerd, waarom het transport aan Valioso gefactureerd is terwijl in de overeenkomt staat dat de kosten van het transport voor koper ( [naam] ) zijn en hoe kan het dat een dergelijk kostbaar kunstwerk voor slechts € 204,49, inclusief BTW is vervoerd terwijl van enige verzekering van dat vervoer (en het schilderij) vooralsnog niets blijkt.

5.6.6.

Hiertegenover staat vooralsnog slechts het gegeven dat Valioso, anders dan [naam] niet (direct) het bedrag van € 1.485.000,00 is gaan uitgeven. Van het bedrag resteerde voor terugboeking door ABN AMRO immers nog een bedrag van € 1.305.718,57.

5.6.7.

De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat blokkade van de bankrekening van Valioso in het kader van een onderzoek naar de gang van zaken op dit moment (nog) gerechtvaardigd is. Het ligt echter wel op de weg van ABN AMRO om haar onderzoek voortvarend ter hand te nemen. Concrete vragen die zij voor Valioso (en [naam] ) heeft, moet zij gaan stellen en van Valioso mag verwacht worden dat zij die vragen voortvarend beantwoordt. De vordering tot opheffing van de blokkade wordt daarom afgewezen. Een belangenafweging leidt op niet tot een ander oordeel. Valioso – dat volgens haar bedrijfsomschrijving een holding is – heeft haar spoedeisend belang, dat door ABN AMRO wordt betwist, namelijk niet onderbouwd.

5.7.

Van een andere orde is de creditering van het bedrag van € 1.485.000,00. ABN AMRO erkent dat zij daartoe niet gerechtigd was. Dat is voldoende om de vordering tot terugboeking te rechtvaardigen. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Met name het gegeven dat Valioso niet met spoed het volledige bedrag is gaan uitgeven valt in het voordeel van Valioso uit. Voorts weegt mee dat Valioso over een debetstand rente verschuldigd is en is gelet op het weinig zorgvuldige en voortvarende handelen van ABN AMRO (tot op heden). In die situatie dient het risico van “verlies” van het bedrag in ieder geval (vooralsnog) niet voor rekening van Valioso te worden gebracht.

5.8.

De voorzieningenrechter overweegt ten slotte nog dat zij ervan uitgaat dat ABN AMRO de door haar gewenste informatie op korte termijn bij Valioso opvraagt en de bankrekening deblokkeert wanneer Valioso de relevante stellingen (over de overeenkomst met [naam] ) genoegzaam aantoont.

in reconventie

5.6.

De toewijzing van de in conventie gevorderde terugboeking van het bedrag van

€ 1.485.000,00 leidt tot afwijzing van de vordering in reconventie. Zoals hiervoor al is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het risico van “verlies” van het bedrag gelet op alle omstandigheden, op dit moment, (nog) niet voor rekening van Valioso dient te komen.

voorts in conventie en in reconventie

5.7.

Aangezien beide partijen op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

veroordeelt ABN AMRO tot terugboeking van € 1.485.000,00 op de bankrekening van Valioso met nummer [bankrekeningnummer 3] ;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

voorts in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2019.

901/2009