Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8555

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
10/156310-19 en 10/114079-19 (ttz gevoegd)vordering TUL VV: 10/107516-18 en 22/002449-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling meerdere diefstallen. Voorwaardelijke ISD met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummers: 10/156310-19 en 10/114079-19 (ttz gevoegd)

Parketnummers vordering TUL VV: 10/107516-18 en 22/002449-18

Datum uitspraak: 17 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Roemenië) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd

in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Eersel.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De rechtbank heeft in bijlage I de feiten van de tenlasteleggingen voorzien van een doorlopende nummering en zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

3 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Verhoek heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van het voorarrest;

  • -

    niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vorderingen tot ten uitvoerlegging in de zaken met parketnummers 10/107516-18 en 22/002449-18.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1 - bewijswaardering

Standpunt van de officier van justitie

Het primair ten laste gelegde kan op basis van de aangifte, de pintransacties, de foto’s van de camerabeelden en de verklaringen van de verdachte worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft niet betwist dat hij met de pinpas contactloos heeft betaald bij de [naam winkel] , maar omdat hij niet kon weten dat de pinpas van misdrijf afkomstig was en hij daarmee geen opzet op de wederrechtelijkheid van zijn handeling had, moet hij van het primair en het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte ten tijde van het verwerven van de pinpas en het contactloos betalen opzet op het stelen van één of meerdere geldbedragen had en dat hij wist dat de pinpas van misdrijf afkomstig was. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde diefstal met valse sleutel en van de subsidiair tenlastegelegde opzetheling.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de pinpas niet van zijn vriend [naam 1] was, maar van iemand anders. Hij wist naar eigen zeggen dat [naam 1] veel steelt en hij had simpelweg door op het pasje te kijken kunnen zien dat deze niet op diens naam stond. De rechtbank acht hiermee bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling door met deze pinpas bij de [naam winkel] contactloos te betalen. Van de overige transacties staat onvoldoende vast dat de verdachte deze heeft uitgevoerd.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het subsidiair impliciet subsidiair (schuldheling) ten laste gelegde heeft begaan. Niet bewezen is dat de verdachte het primaire (diefstal) en het subsidiair impliciet primair (opzetheling) ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Feit 2 - bewijswaardering

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken, omdat er geen voltooid delict heeft plaatsgevonden. Hij en de medeverdachte hebben weliswaar een aanvang gemaakt met het wegnemen van de fietsen uit de tuin, maar zij hebben zich vrijwillig teruggetreden toen zij tot bezinning kwamen en hebben de fietsen verderop in de straat achtergelaten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht op basis van de aangifte van de heer [naam aangever] en de verklaring van de verdachte bewezen dat hij het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij en zijn medeverdachte hebben het slot waar de fietsen mee vast stonden verbroken en de fietsen de tuin uit getild en verderop in de straat achtergelaten. Door de fietsen uit de tuin te tillen is de diefstal voltooid.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3.

Feit 3 - bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.4.

Feit 4 - bewijswaardering

Standpunt van de verdediging

De verdachte moet vanwege een gebrek aan voldoende bewijs van dit feit worden vrijgesproken. Het feit dat medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij deze diefstal samen met de verdachte heeft begaan en dat er op straat twee mannen zijn gezien, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. Er zijn geen overige feiten en omstandigheden die in de richting van de verdachte wijzen.

Beoordeling door de rechtbank

In de nacht van 10 op 11 mei 2019 zien verbalisanten twee mannen lopen, die zij herkennen als de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] . [naam medeverdachte] droeg een sporttas, rugtas, plastic tas en een gereedschapskoffer bij zich. In de zwarte sporttas zat onder andere een ruitentikker. In de zwarte rugzak zaten een betonschaar, een slijpmachine en een ruitentikker. De beide verdachten zijn hierop aangehouden voor het bij zich dragen van inbrekerswerktuig.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij alleen goederen uit één auto (zijnde het onder 3 ten laste gelegde feit) heeft weggenomen. Bij de diefstal van de overige spullen die medeverdachte [naam medeverdachte] bij zich droeg, was hij niet betrokken. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte echter verklaard dat hij naast goederen uit de bedrijfsbus, ook uit andere auto’s spullen heeft weggenomen en dat zij zo’n twee uur hebben rondgelopen op zoek naar auto’s die niet op slot zaten. Ook medeverdachte [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij die nacht met de verdachte op pad is geweest en dat zij samen goederen uit verschillende auto’s hebben gehaald. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van de verdachte, voor zover hij zijn betrokkenheid ontkent, niet geloofwaardig.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5.

Feit 5 - vrijspraak

Standpunt van de officier van justitie

Op basis van de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] kan worden bewezen dat de verdachte dit ten laste gelegde feit heeft begaan.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat zich ten aanzien van dit feit onvoldoende bewijs in het dossier bevindt. De fiets is in de kelderbox van medeverdachte [naam medeverdachte] aangetroffen en afgezien van de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] , zijn er geen feiten en omstandigheden die in de richting van de verdachte wijzen.

Conclusie

Het onder 5 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

4.6.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

1.
hij op 6 april 2019 te Schiedam,
een goed te weten een pin-/betaalpas en één
geldbedrag heeft verworven en voorhanden gehad
terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van dit
goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een
door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op 30 juni 2019 te Schiedam
tezamen en in vereniging met een ander,
twee elektrische fietsen, die geheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 1] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen
goederen onder hun bereik hebben gebracht door
middel van verbreking;

3.

hij op 11 mei 2019 te Vlaardingen

tezamen en in vereniging met een ander,

uit een bedrijfsbus ( [kentekennummer] )

een portemonnee met inhoud (onder andere een identiteitsbewijs)

en gereedschap (onder andere een accutol van het merk Milwalkee en/of een accuslijptopl van het merk Makita), die geheel aan een ander dan aan verdachte

en zijn mededader toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 2] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op 11 mei 2019 te Vlaardingen

tezamen en in vereniging met een ander,

uit een of meer auto's, een of meer goederen (onder andere een

lifehammer en een sporttas met inhoud en een dopsleutelset

en 2 pannen en een padvinders-outfit), in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en een

of meer tot op heden onbekend gebleven personen,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of misslagen verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiairschuldheling

2 diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

3 diefstal door twee of meer verenigde personen

4 diefstal door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan schuldheling toen hij met een pinpas waarvan hij had moeten vermoeden dat deze gestolen was, een bedrag contactloos afrekende. Daarnaast heeft hij zich samen met een ander schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen uit auto’s. Hij en zijn mededader liepen hierbij langs auto’s om te kijken of deze op slot waren, om vervolgens de ontgrendelde auto’s te doorzoeken en bruikbare goederen weg te nemen. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diefstal van een tweetal elektrische fietsen.

Uit het handelen van de verdachte blijkt zijn gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen. Voor de gedupeerden en de samenleving als geheel veroorzaken dergelijke feiten, naast materiële schade, gevoelens van onveiligheid en ergernis omdat het gevoel zal bestaan dat het niet meer veilig is om de auto of fiets bij de woning of op straat achter te laten. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 september 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 augustus 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.


De verdachte is een stelselmatige dader en is derhalve ISD gepre-labeld. In de periode

2011/2012 kwam hij herhaaldelijk met Justitie in aanraking voor vermogensdelicten. Daarna is er sprake geweest van een delictvrije periode van 5 jaren. Vanaf 2017 tot heden is de verdachte wederom voor vele vermogensdelicten veroordeeld.

Er is sprake van ernstige sociaal-maatschappelijke problemen. Er zijn tal van risicofactoren, waardoor het recidive risico hoog is. Verdachte leeft op straat, heeft geen werk en inkomen, gebruikt dagelijks cocaïne en heroïne (indien hij dit financieel kan bekostigen) en hij begeeft zich in een crimineel/drugsmilieu. Sinds de verdachte zijn woning in 2016 kwijtraakte, is het bergafwaarts met hem gegaan. Daarnaast heeft hij geen geldige papieren zoals een legitimatiebewijs en kan daardoor niet (legaal) werken en/of een uitkering krijgen. Verdachte ziet zich genoodzaakt om te stelen vanwege zijn leefsituatie. Ook spelen er gezinsproblemen. Zijn kinderen zijn vanwege het ontbreken van stabiele huisvesting uit huis geplaatst en zijn partner heeft een strafblad en loopt in een reclasseringstoezicht. Zolang de sociaal maatschappelijk problemen zich blijven voordoen, zal het recidiverisico hoog blijven. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De verdachte heeft zich tot nu toe gemotiveerd opgesteld voor een reclasseringstoezicht, maar hij is tijdens het toezicht wel gerecidiveerd.

Advies
Op basis van het delictverleden en het recidiverisico is een ISD-traject geïndiceerd. Echter er is nauwelijks sprake van een hulpverleningsgeschiedenis. De reclassering heeft nog niet de mogelijkheid gehad om hulpverlening in een ambulant kader goed op te starten. De verdachte toont zich in het contact met de reclassering gemotiveerd en lijkt inzicht in zijn problematiek te hebben. De reclassering wil de verdachte om die reden een (laatste) kans geven om zich in een ambulant kader te bewijzen. Een hulpverleningstraject in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel zou een flinke stok achter de deur kunnen zijn voor de verdachte om hem er toe te bewegen geen delicten meer te plegen en zijn leven op orde te krijgen.


Bij een veroordeling adviseert de reclassering een voorwaardelijke ISD-maatregel met de onderstaande voorwaarden. Indien de verdachte toch weer in aanraking komt met Justitie, dan kan gesteld worden dat er voldoende in een ambulant kader is gedaan om het recidiverisico te beperken. In dat geval zal een onvoorwaardelijke ISD-maatregel het enige middel zijn om de verdachte te dwingen tot verandering.

De reclassering adviseert de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
- meldplicht bij reclassering;
- ambulante behandeling;
- begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- meewerken aan middelencontrole;
- andere voorwaarden het gedrag betreffende, namelijk:

­ de inspanningsverplichting een passende baan of andere vorm van dagbesteding te verkrijgen;

­ de inspanningsverplichting zijn schulden op orde te krijgen;
- de inspanningsverplichting zich te distantiëren van verkeerde vrienden;
- de inspanningsverplichting huisvesting te vinden.

Reclassering Nederland heeft een aanvullend rapport opgemaakt, gedateerd 2 oktober 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Uit recent verkregen informatie is de reclassering gebleken dat de verdachte onrechtmatig in Nederland verblijft en dat hij het land zal moeten verlaten. Dit betekent dat de verdachte geen aanspraak (meer) kan maken op Nederlandse voorzieningen, waardoor een hulpverleningstraject niet meer tot de mogelijkheid behoort. Om die reden adviseert de reclassering bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. Gezien de status van de verdachte, ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan het recidive risico beperken en de maatschappelijk beschermen tegen het delict gedrag van de verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één of meer misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 september 2019 in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk en de onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd. Er is daarom voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gemotiveerd is zich aan de bijzondere voorwaarden te houden en dat hij een stimulans nodig heeft om zijn leven weer op orde te krijgen. De verdachte heeft daarnaast beroep ingesteld tegen het besluit waarbij is vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Deze beslissing is dus nog niet onherroepelijk en de verdachte mag het beroep in Nederland afwachten. Gelet op het rapport van 28 augustus 2019 van de reclassering en de verklaring van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat ter beveiliging van de Nederlandse samenleving het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel passend is. Mocht uiteindelijk blijken dat onherroepelijk komt vast te staan dat de verdachte geen rechtmatig verblijf in Nederland geniet, kan de maatregel alsnog worden beëindigd.

De rechtbank zal de maatregel voor de duur van 2 jaar opleggen, met een proeftijd van 2 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt niet in aftrek gebracht bij de tenuitvoerlegging van de voornoemde maatregel.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

8 Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde]

Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft [naam benadeelde] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 242,80 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt van de partijen

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in het geheel hoofdelijk toe te wijzen.

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onduidelijk is welke reparaties aan de fietsen hebben plaatsgevonden en omdat niet zeker is dat die schade is ontstaan door de diefstal. Het ophelderen hiervan zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

8.2.

Beoordeling door de rechtbank

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdediging, worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de eventuele kosten van tenuitvoerlegging.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 30 juni 2019.

8.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 242,80, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vorderingen tot tenuitvoerlegging parketnummers 10/107516-18 en 22/002449-18

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering met parketnummer 10/107516-18, omdat het voorwaardelijk strafdeel reeds ten uitvoer is gelegd.

De officier van justitie heeft gevorderd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering met parketnumer 22/002449-18, omdat hiervan de stukken in het dossier ontbreken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal om de door het Openbaar Ministerie genoemde redenen het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen tot ten uitvoerlegging.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38p, 47, 63, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren; bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaren, na te melden voorwaraden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich bij de Reclassering Nederland na het ingaan van de proeftijd en blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. de veroordeelde laat zich behandelen voor zijn middelenproblematiek en delictgedrag door Antes of door een soortgelijke hulpverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. de veroordeelde verblijft in een nog te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

4. de veroordeelde werkt mee aan de controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

5. de veroordeelde is gedurende de toezichtperiode verplicht om zich in te spannen om een passende baan of andere, door de toezichthouder goedgekeurde, vorm van dagbesteding te verkrijgen en te behouden zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

6. de veroordeelde heeft een inspanningsverplichting om zijn schulden op orde te krijgen;

7. de veroordeelde heeft een inspanningsverplichting zich te distantiëren van verkeerde vrienden;

8. de veroordeelde heeft de inspanningsverplichting om huisvesting te vinden.

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, zo dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 242,80 (zegge: tweehonderdtweeënveertig euro en tachtig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de eventuele kosten van tenuitvoerlegging;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de hoofdelijke verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 242,80 (hoofdsom, zegge: tweehonderdtweeënveertig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 242,80 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 (vier) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen in de zaken met parketnummers 10/107516-18 en 22/002449-18.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en T. van den Akker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 april 2019 te Schiedam
één of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten
dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 4] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft
verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik
heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd
gebruik te maken van een pin-/betaalpas;

subsidiair:
hij op of omstreeks 6 april 2019 te Schiedam,
een goed te weten een pin-/betaalpas en/of één of meerdere
geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit
goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een
door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op of omstreeks 30 juni 2019 te Schiedam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
twee elektrische fietsen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele
aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde,
te weten aan [naam slachtoffer 1] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats
van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen
goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door
middel van braak en/of verbreking

3.

hij op of omstreeks 11 mei 2019 te Vlaardingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in/uit een bedrijfsbus ( [kentekennummer] )

een portemonnee met inhoud (onder andere een identiteitsbewijs)

en/of een of meer stuks gereedschap (onder andere een accutol van het

merk Milwalkee en/of een accuslijptopl van het merk Makita), in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op of omstreeks 11 mei 2019 te Vlaardingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in/uit een of meer auto's, een of meer goederen (onder andere een

lifehammer en/of een sporttas met inhoud en/of een dopsleutelset

en/of 2 pannen en/of een clownspak en/of een padvinders-outfit), in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en/of een

of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en),

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

5.

hij op of omstreeks 10 mei 2019 te Vlaardingen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een elektrische fiets (merk: Cube), in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 5] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen fiets

onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking.