Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8543

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
10/042236-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer slaagt niet. Geen noodweersituatie. Beroep op psychische overmacht verworpen. Bewuste keuze van de verdachte. Niet verenigbaar met een beroep op psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/042236-18

Datum uitspraak: 11 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Pieters heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraaf van 120 uur met aftrek van voorarrest, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdachte beroept zich primair op noodweer. Hij heeft gehandeld in een situatie waarin de verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding noodzakelijk was. De verdachte vreesde voor de aangever omdat hij hem op zich zag afkomen. De verdachte mocht zich daarom verdedigen en heeft de aangever een tik in het gezicht gegeven. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken. Subsidiair beroept de verdachte zich op psychische overmacht.

4.2.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De verdachte was op 27 april 2017 met zijn vriendin aanwezig op het terras van [naam horecagelegenheid] te Rotterdam, in verband met Koningsdag. Op enig moment is er ruzie ontstaan tussen zijn vriendin en een andere vrouw. In het tumult dat vervolgens is ontstaan wilde de verdachte samen met zijn vriendin het terras verlaten. De verdachte kwam langs een portier en zag ook een man bij die portier staan. De verdachte heeft die man, toen die op hem afkwam, in zijn gezicht geslagen.

Noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr.

In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de verdachte op agressieve of dreigende wijze werd benaderd door de aangever of dat deze gewelddadig is geweest richting de verdachte. De getuigen en de aangever verklaren dit niet en de verdachte zelf verklaart dit evenmin. Dat de aangever op de verdachte af kwam lopen is onvoldoende om bij de verdachte de vrees te doen ontstaan dat hij zou worden aangevallen. Daar komt bij dat de getuigen verklaren dat de verdachte vanuit het niets de aangever in het gezicht heeft geslagen, welke gedraging naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ook daarom niet kan worden aangemerkt als "verdediging", maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het beroep op noodweer kan reeds hierom niet slagen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 27 april 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door in het gezicht van die [naam slachtoffer] te stompen en/of te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Psychische overmacht

Standpunt verdediging

De verdachte komt een beroep op psychische overmacht toe zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging voert ter onderbouwing van die stelling aan dat bij de verdachte sprake is van psychische problematiek vanwege meegemaakte geweldsincidenten waarvoor hij EMDR-behandeling heeft gehad. Hij is in het verleden neergeschoten en neergestoken geweest en is met glas in zijn nek bewerkt. De verdachte zag daarom geen andere mogelijkheid dan te handelen zoals hij heeft gedaan toen hij de aangever vanuit zijn ooghoek op zich af zag komen. Van de verdachte kon niet worden gevergd dat hij aan de drang om de aangever te slaan weerstand zou bieden.

Beoordeling

Een beroep op psychische overmacht kan alleen dan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

In het onderhavige geval zou de drang daarin hebben bestaan dat de verdachte zich acuut bedreigd voelde omdat hij niet wist wat de bedoelingen waren van de aangever toen de verdachte vanuit zijn ooghoek zag dat deze op hem af kwam. De agressieve wijze waarop de aangever hem benaderde, werkte bij de verdachte vanwege zijn negatieve ervaringen in het verleden als een rode lap op een stier.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende om een dergelijke drang aan te nemen. Allereerst is niet komen vast te staan dat de aangever op agressieve wijze op de verdachte af kwam. Voorts weegt de rechtbank mee dat door de verdachte is aangegeven dat hij door zijn verleden niet meer wenst te wachten op wat er mogelijk gaat gebeuren, hetgeen erop duidt dat hij een bewuste keuze heeft gemaakt. Dat is zonder nadere toelichting (die door de verdediging niet is gegeven) niet te verenigen met een beroep op psychische overmacht. Ook overigens zijn uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting feiten en omstandigheden om eerder bedoelde drang aan te nemen, niet aannemelijk geworden. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft het slachtoffer mishandeld door hem vanuit het niets een klap te geven in het gezicht waardoor deze buiten bewustzijn raakte. Het slachtoffer liep daarbij ook een gebroken neus op, waarvoor een operatie noodzakelijk was. Het incident vond plaats op een terras van een horecagelegenheid waar op dat moment veel mensen aanwezig waren. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke geweldsincidenten vaak nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Bovendien zijn ook omstanders ongewild geconfronteerd met deze geweldsuitbarsting. Dit versterkt de gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dat is de verdachte te verwijten.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 19 september 2019 waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden, niet recent, is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

De verdediging heeft op de zitting nog aangevoerd dat de verdachte in het verleden EMDR-therapie heeft gevolgd en op dit moment sinds drie maanden weer die therapie volgt vanwege een incident op zijn werk. Daarnaast is hij door zijn werkgever op non-actief gesteld, mede in verband met deze zaak.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een geldboete, zoals door de verdediging op de zitting is bepleit. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank een taakstraf passend en geboden. Daarbij is ook acht geslagen op straffen die doorgaans in soortgelijke gevallen wordt opgelegd. Bij de bepaling van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met het strafblad van de verdachte.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, welke termijn twee jaren bedraagt, zodat een strafkorting zal worden toegepast.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 56 (zesenvijftig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 oktober 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 27 april 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (onverhoeds en/of met kracht) in/tegen het gezicht van die [naam slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 27 april 2017 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door in/tegen het gezicht van die [naam slachtoffer] te stompen en/of te slaan.