Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8533

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
7760272 HA VERZ 19-45
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vernietiging van onverwijlde opzegging. De werknemer heeft een collega een klap gegeven nadat deze door hem was geduwd. Rechtvaardigt dit een ontslag op staande voet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7760272 HA VERZ 19-45

uitspraak: 12 juli 2019

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. L. Hennink,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder] ,
gevestigd te [vestigingsplaats verweerder] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. F.J. Bloem.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en [verweerder] .

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, door de rechtbank ontvangen op 13 mei 2019, met producties;

  • -

    het verweerschrift, met producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019.

2 De vaststaande feiten

2.1

Als door de ene partij gesteld en door de andere partij niet weersproken staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[verzoeker] is op 5 juli 2005 in dienst getreden van [verweerder] . Laatstelijk verrichte hij de functie van productiemedewerker. Het loon bedroeg laatstelijk € 2.227,00 per maand, exclusief emolumenten.

2.3

Op 4 maart 2019 heeft het volgende plaatsgevonden op het terrein van [verweerder] . De heer [naam 1] , een collega van [verzoeker] , vervoerde met een vorkheftruck een pvc-buis van 10 meter lang, die op schouderhoogte voorop de heftruck was vastgezet. [verzoeker] is voor de naderende voorheftruck overgestoken, terwijl zijn collega vanwege de naderende vorkheftruck bleef staan. [naam 1] is uitgestapt en op [verzoeker] afgelopen. Hij heeft [verzoeker] een duw gegeven waardoor [verzoeker] ten val kwam. Bij die val heeft hij zijn pink gebroken. [verzoeker] is opgestaan en heeft [naam 1] een klap in zijn gezicht gegeven.

2.4

[verweerder] heeft zowel [verzoeker] als [naam 1] op staande voet ontslagen. [naam 1] heeft in het ontslag berust. In de brief waarin het ontslag aan [verzoeker] wordt bevestigd staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“Op maandag 4 maart jl. rond 07:15 uur is ons bekend geworden dat u een handgemeen heeft gehad met [naam 1] . Dat daarbij zowel door u als door de heer [naam 1] fysiek geweld is gebruikt. We hadden gehoord dat u bent geduwd en u de heer [naam 1] heeft geslagen. Wij hebben besloten om nader onderzoek te doen naar hetgeen was voorgevallen. Wij hebben u en de heer [naam 1] naar huis gestuurd met de mededeling dat u tot en met vrijdag 8 maart 2019 zou zijn geschorst van het werk en het niet was toegestaan om op het werk te verschijnen, behalve dan om met ons in gesprek te gaan in het kader van het onderzoek.

Uit dit onderzoek kwamen de volgende feiten en omstandigheden naar voren: Op maandag 4 maart jI. omstreeks 07:10 uur komt de heet [naam 1] met een buis 315 op de doorn van de heftrucktruck bij de zagerij aanrijden. Er werd op normale snelheid gereden. Op dat moment bent u en de heer [naam 2] aan de zijkant van het pand aan het werk. U steekt plotseling, net voor de last van de heftruck langs, over. Dit betreft een zeer onveilige situatie. De heer [naam 2] blijft staan. Er is maximaal 5 meter afstand tussen u en het uiteinde van de buis. Heftruckchauffeur de heer [naam 1] schrikt hiervan en toetert. Hij stapt uit de heftruck en vraagt aan u of “wel goed bij uw hoofd bent” om zo levensgevaarlijk te handelen. De heer [naam 1] loopt naar u toe en kort nadat jullie bij elkaar staan geeft hij u een duw, waarna u valt. Vervolgens staat u op en slaat de heer [naam 1] met uw vuist in het gezicht, ter hoogte van zijn kaak. De heer [naam 1] gaat naar de heer [naam 3] om het incident te melden. Later meldt ook u zich bij de heer [naam 3] . U vertelt aan de heer [naam 3] dat u heeft geslagen. Ook vertelt u dat u pijn heeft aan uw linkerhand. Later wordt — in het ziekenhuis — vastgesteld dat uw pink is gebroken.

(…)

Ontslag op staande voet

Na intern overleg hebben wij u meegedeeld dat aan u per direct ontslag is verleend.

De redenen voor het ontslag op staande voet zijn:

- het vertonen van ongewenst gedrag door in een handgemeen te raken met een collega en deze collega te slaan, althans hem te willen slaan met uw vuist;

- het overtreden van het u bekende protocol ongewenst gedrag;

- het niet tonen van berouw of het maken van excuses, evenals het niet inzien dat ook ander gedrag vertoond had kunnen worden;

- Uzelf, de heer [naam 1] en [verweerder] in gevaar te brengen door onveilig gedrag tevertonen door op onveilige afstand voor een aanrijdende heftruck langs over te steken. Dit terwijl u weet dat veiligheid voor ons cruciaal is.

Wij zijn van oordeel dat elk van deze gedragingen, zowel de afzonderlijke gedragingen als ook in onderling verband bezien, een dringende reden vormen voor een ontslag. Tenslotte zijn wij het vertrouwen in u als werknemer door deze handelwijze verloren, hetgeen eveneens het ontslag rechtvaardigt.

Bij ons besluit hebben wij uw persoonlijke situatie, waaronder uw leeftijd en de duur van het dienstverband, meegewogen. Dit maakte ons besluit niet anders.

Als gevolg van het ontslag eindigde uw arbeidsovereenkomst op 11 maart 2019. Vanaf 12 maart 2019 ontvangt u geen loon meer. Wij zullen overgaan tot het opstellen van een eindafrekening.

Omdat u [verweerder] een dringende reden hebt gegeven om u op staande voet te ontslaan, bent u schadeplichtig jegens [verweerder] maakt dan ook aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, die gelijk is aan het bedrag dat u bij voortduren van de arbeidsovereenkomst tot 1 mei 2019 aan loon zou hebben ontvangen. Deze schadevergoeding wordt verrekend met hetgeen [verweerder] in het kader van de eindafrekening (eventueel) nog verschuldigd is. Wij behouden ons het recht voor een eventueel tekort op u te verhalen.”

3 Het verzoek en het verweer

3.1

[verzoeker] verzoekt dat bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: [gelezen wordt] de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] wordt vernietigd en [verweerder] wordt veroordeeld om [verzoeker] toe te laten tot de werkvloer om de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.2

[verzoeker] legt aan dat verzoek ten grondslag dat de door [verweerder] gedane opzegging vernietigbaar is, omdat geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW.

3.3

[verweerder] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW bezit een werkgever de bevoegdheid om een arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen vanwege een dringende reden. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens artikel 7:678 lid 2 BW kan sprake zijn van een dringende reden wanneer de werknemer een medewerknemer mishandelt.

4.2

[verweerder] heeft vier redenen gegeven voor het ontslag. De eerste reden die [verweerder] heeft gegeven is dat [verzoeker] een klap heeft gegeven in het gezicht van [naam 1] . De andere door [verweerder] gegeven redenen hangen hiermee nauw samen en kunnen niet zelfstandig het ontslag dragen. Daarom zal worden beoordeeld of de klap die [verzoeker] heeft gegeven in het licht van de overige omstandigheden een dringende reden is die ontslag op staande voet rechtvaardigt.

4.3

[verzoeker] erkent dat hij [naam 1] heeft geprobeerd een klap te geven maar volgens [verzoeker] heeft hij [naam 1] niet geraakt. Het standpunt van [verzoeker] wordt niet gevolgd. [naam 2] heeft stellig verklaard dat [verzoeker] raak heeft geslagen en [verzoeker] lijkt dit zelf aanvankelijk ook te hebben verklaard. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij denkt hem niet geraakt te hebben, maar zeker leek [verzoeker] het niet te weten. Daarmee heeft hij de verklaring van [naam 2] , die geen belang heeft het afleggen van een onjuiste verklaring, onvoldoende weersproken.

4.4

Het met de vuist in het gezicht slaan van een andere medewerker levert in beginsel een dringende reden op die ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dat is ook het geval wanneer de werkgever niet over regeling beschikt waarin fysiek geweld wordt verboden. Het is immers op grond van de wet verboden om iemand te mishandelen en de wet noemt mishandeling van een andere werknemer expliciet als een dringende reden voor de werkgever. Een werkgever dient bovendien ervoor zorg te dragen dat de werknemers geen schade of letsel oplopen bij het uitvoeren van het werk. Zij hoeft daarom niet toe te staan dat een werknemer fysiek geweld gebruikt tegen een andere werknemer. Van een dringende reden is in beginsel geen sprake wanneer de werknemer een rechtvaardigingsgrond had voor zijn handelen of wanneer zijn handelen hem gelet op de gegeven omstandigheden niet of slechts in geringe mate kan worden toegerekend.

4.5

[verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat het hij [naam 1] zonder na te denken heeft geslagen vanwege adrenaline die hij kreeg na de duw van [naam 1] en de pijn die hij daarvan ondervond. Toen [verzoeker] ‘wakker werd’ besefte hij wat hij gedaan had en is hij direct naar zijn leidinggevende gegaan, aldus [verzoeker] . Deze omstandigheden nemen niet weg dat [verzoeker] anders kon en had moeten handelen. Van zelfverdediging is geen sprake, omdat [naam 1] na de eerste duw zich niet meer fysiek agressief heeft gedragen en er dus geen sprake meer was van dreiging. [verzoeker] moest bovendien eerst opstaan voordat hij [naam 1] een klap kon geven, zodat tussen de duw en de klap van [verzoeker] een kort moment zat waarin [verzoeker] tot bezinnen had kunnen komen. Dat [naam 1] als eerste zich agressief heeft gedragen rechtvaardigt de reactie van [verzoeker] niet. Daarbij is verder van belang dat [verzoeker] zelf ook schuld heeft aan het incident omdat hij in strijd met de geldende regels kort voor de vorkheftruck van [naam 1] is overgestoken. Dat er onvoldoende ruimte was om over te steken heeft [verzoeker] tegenover de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] onvoldoende weersproken. Verder is van belang dat [verzoeker] geen spijt heeft betuigd maar de schuld volledig bij [naam 1] is blijven leggen. Kennelijk ziet [verzoeker] onvoldoende in dat hij anders had moeten handelen. Tot slot is van belang dat [verweerder] er een gerechtvaardigd belang bij heeft dat haar beleid met betrekking tot veiligheid en agressief gedrag wordt gehandhaafd. [verzoeker] was bekend met het beleid van [verweerder] en had dan ook kunnen weten dat ontslag op staande voet zou kunnen volgen. Al deze omstandigheden tegen elkaar afgewogen moet geoordeeld worden dat sprake was van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. De persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] maken dat niet anders. Het verzoek van [verzoeker] wordt daarom afgewezen.

4.6

[verzoeker] heeft een incidenteel verzoek ingediend. Dit verzoek hoeft niet te worden behandeld nu direct op het verzoek in de hoofdzaak wordt beslist. De door [verweerder] ingediende voorwaardelijke verzoeken hoeven evenmin te worden behandeld, nu de voorwaarde waaronder de verzoeken zijn ingediend niet zijn vervuld.

4.7

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter,

wijst het verzoek van [verzoeker] af;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

371