Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8392

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
C/10/556218 / HA ZA 18-755
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Dekkingsgeschil. Besmetting eieren met fipronil. Bewijslevering opgedragen. Zaaksvorming. Beschadiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/556218 / HA ZA 18-755

Vonnis van 23 oktober 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZONNE EI FARM B.V.,

gevestigd te Terschuur,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

METGEZEL BEHEER B.V.,

gevestigd te Terschuur,

eiseressen,

advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen,

tegen

de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Eiseressen worden hierna afzonderlijk ZEF en Metgezel en gezamenlijk ZEF c.s. genoemd. Gedaagde wordt hierna HDI genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 juli 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 10 oktober 2018, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 14 november 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte overlegging producties tevens wijziging van eis van ZEF c.s.;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 maart 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

ZEF houdt op verschillende locaties in pluimveestallen leghennen voor de productie van eieren. Zij is een dochteronderneming van Metgezel.

2.2.

ZEF heeft in opdracht van Zandhof Eier und Geflügel Handelsgesellschaft mbH (hierna: Zandhof) eieren geleverd aan Sanovo Eiprodukte GmH (hierna: Sanovo). Zandhof is hierbij opgetreden als agent van ZEF.

2.3.

Sanovo verwerkt de door ZEF geleverde eieren. Zij breekt de eieren en scheidt het eiwit van het eigeel. De eierschaal blijft achter als restproduct. Sanovo houdt het eiwit voor verdere verkoop en verhandeling. Het eigeel wordt gedroogd en verwerkt tot eigeelpoeder. Sanovo levert het eigeelpoeder in opdracht van Zandhof aan Lipoid GmbH (hierna: Lipoid). Lipoid gebruikt het eigeelpoeder bij de productie van halffabricaten en eindproducten. In dit productieproces worden geen bestanddelen toegevoegd aan het eigeelpoeder, maar uitsluitend bestanddelen hieraan onttrokken (zoals lipide en lecithine).

2.4.

Tussen 3 mei 2016 en 17 juli 2017 heeft ZEF eieren aan Sanovo geleverd die besmet bleken te zijn met fipronil. Deze besmetting was het gevolg van het feit dat ZEF in een deel van haar stallen werkzaamheden ter bestrijding van bloedluis had laten uitvoeren door Chickfriend, welk bedrijf hiervoor een bestrijdingsmiddel had gebruikt dat fipronil bevatte.

2.5.

Fipronil kan (in te hoge concentraties) schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarom geldt (en gold destijds) op grond van Europese wet- en regelgeving voor de aanwezigheid van fipronil in vogeleieren een Maximum Residue Level (hierna: MRL).

2.6.

De onder 2.4. bedoelde voor deze zaak relevante leveringen en het gehalte fipronil in de geleverde eieren zijn als volgt weer te geven:

Data

Charge

Kg eieren

A

[datum 1] – [datum 2]

[chargenummer 1] - [chargenummer 2]

1.185.478

B

[datum 3] – [datum 4]

[chargenummer 3] – [chargenummer 4]

18.650

C

[datum 5] – [datum 6]

[chargenummer 5]

9.625

D

[datum 7] – [datum 8]

[chargenummer 6] – [chargenummer 7]

7.425

E

[datum 9] – [datum 10]

[chargenummer 8] – [chargenummer 9]

58.825

Alleen ten aanzien van levering A is sprake van verwerking door Lipoid in een eindproduct. Levering D en E bevonden zich nog in het magazijn van Sanovo.

2.7.

Lipoid heeft Zandhof aansprakelijk gesteld en schadevergoeding gevorderd. Zij stelt dat zij schade lijdt doordat zij met fipronil besmet eigeelpoeder heeft aangeschaft en/of heeft verwerkt bij het maken van halffabricaten en eindproducten. Lipoid vordert als schade € 467.084,81 aan niet verkochte eindproducten, € 163.504,67 aan onbruikbare halffabricaten, € 943.757,57 aan aangeschaft eigeelpoeder en € 2.851,94 aan gemaakte onderzoekskosten De totale vordering van Lipoid op Zandhof bedraagt € 1.577.198,98.

Over deze aanspraken zal een Duitse rechter oordelen in een reeds aanhangige procedure.

2.8.

Zandhof heeft ZEF aansprakelijk gesteld en schadevergoeding gevorderd. Zij stelt dat zij schade lijdt doordat Sanovo in haar opdracht eigeelpoeder heeft gemaakt dat Zandhof wegens de besmetting met fipronil niet aan Lipoid heeft kunnen verkopen. Zandhof vordert als schade € 516.781,25 aan gemiste opbrengsten, € 4.588,67 aan opslagkosten, € 7.502,95 aan verwijderingskosten en € 8.918,00 aan onderzoekskosten. De totale vordering van Zandhof op ZEF bedraagt € 537.790,87. Daarnaast vordert Zandhof van ZEF vergoeding van de onder 2.7. bedoelde schade, indien en voor zover Zandhof daarvoor jegens Lipoid aansprakelijk blijkt te zijn. Over deze aanspraken zal een Duitse rechter oordelen in een reeds aanhangige procedure.

2.9.

Metgezel heeft een aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven afgesloten bij HDI. ZEF is in de verzekeringsovereenkomst aangeduid als verzekerde. HDI en Metgezel zijn de toepasselijkheid van de Algemene verzekeringsvoorwaarden met het kenmerk [kenmerk] overeengekomen (hierna: de verzekeringsvoorwaarden). De verzekeringsvoorwaarden luiden, voor zover voor de beoordeling van het geschil relevant, als volgt:

“(…)

1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

(…)

1.5

Derden

Iedereen met uitzondering van de aansprakelijk gestelde verzekerde.

1.6

Schade

(…)

1.6.2

Zaakschade

Beschadiging, vernietiging of verloren gaan van zaken van derden, met inbegrip van direct daaruit voortvloeiende schade.

(…)

2 OMVANG VAN DE VERZEKERING

2.1

De verzekering dekt de aansprakelijkheid van verzekerde tegenover derden in verband met een handelen of nalaten welke verband houdt met hun in de polis omschreven hoedanigheid. De dekking geldt overeenkomstig de van toepassing verklaarde rubrieken en de bij deze polis behorende algemene en bijzondere voorwaarden .

(…)

4 `UITSLUITINGEN EN BIJZONDERE INSLUITINGEN

De verzekering dekt niet de aansprakelijkheid:

(…)

4.7

Vervanging van een ondeugdelijke prestatie :

4.7.1

voor schade toegebracht aan door of onder verantwoordelijkheid van verzekerden geleverde zaken zelf.

4.7.2

voor schade en kosten verband houdende met:

4.7.2.1 verbetering, herstelling, terugroepen of vervanging van de in artikel 4.7.1 bedoelde zaken;

4.7.2.2 het geheel of gedeeltelijk opnieuw naar behoren uitvoeren van door of onder verantwoordelijkheid van verzekeringnemer of aangesproken verzekerde niet naar behoren uitgevoerde werkzaamheden;

4.7.2.3 dan wel enig andere prestatie die hiervoor in de plaats treedt;

4.7.3

voor schade wegens het niet of niet naar behoren kunnen gebruiken van de betreffende zaken en/of werkzaamheden.

4.7.4

De uitsluitingen genoemd in de artikelen 4.7.1 t/m 4.7.3 gelden ongeacht door wie de schade is geleden of de kosten zijn gemaakt.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

ZEF c.s. vorderen, na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat, wanneer in rechte vast staat dat ZEF als gevolg van de levering van eieren besmet met fipronil aansprakelijk is jegens Zandhof en/of Lipoid voor schade aan (a.) eindproducten, (b.) halffabricaten en (c.) eigeelpoeder, met bijkomende onderzoeks-, opslag- en verwijderingskosten en (juridische) kosten en rente, HDI op basis van de door Metgezel afgesloten aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven gehouden is om aan ZEF en/of Metgezel dekking te verlenen voor primair elk schadeonderdeel, subsidiair schadeonderdeel (a.) en (b.) en meer subsidiair schadeonderdeel (a), met in alle gevallen kosten en rente, omdat deze schadeonderdelen of -onderdeel, onder de definitie van "zaakschade" moet(en) worden begrepen en niet worden (of wordt) geraakt door de uitsluiting van de vervangingskostenclausule;

2. HDI te veroordelen in de (na)kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

ZEF c.s. leggen hieraan het volgende ten grondslag. Fipronil hoopt zich op in het vet van de leghennen en in het eigeel van de door die hennen gelegde eieren. Fipronil kan (in te hoge concentraties) schadelijk zijn voor de gezondheid. Op grond van Europese wet- en regelgeving is de aanwezigheid van fipronil in eieren daarom slechts tot op een bepaalde hoogte toegestaan. In dit geval was voorts expliciet afgesproken dat eieren zonder fipronil geleverd zouden worden. Als komt vast te staan dat Zandhof en/of Lipoid de gestelde schade (schade vanwege onbruikbaar eigeel/eigeelpoeder, uit eigeelpoeder gewonnen halffabricaat en uit halffabricaat gewonnen eindproduct), hebben geleden als gevolg van de levering door ZEF van met fipronil besmette eieren, betreft dat zaakschade waarvoor ZEF jegens hen aansprakelijk is en waarvoor de verzekering dekking biedt.

Wat betreft de aanwezigheid van fipronil stellen ZEF c.s. dat het gehalte in levering A onbekend was, dat het gehalte in levering B boven de MRL-norm was, dat het gehalte in de leveringen C en E onder de MRL-norm was, en dat in levering D alleen charge [chargenummer 10] fipronil bevatte.

3.3.

HDI voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van ZEF c.s. in haar vorderingen althans ontzegging van die vorderingen, met veroordeling van ZEF c.s. in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen, welke nakosten te begroten zijn op € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening.

3.4.

HDI onderbouwt haar verweer – samengevat – als volgt. Metgezel is niet vorderingsgerechtigd omdat Metgezel niet door Zandhof en/of Lipoid aansprakelijk wordt gehouden voor de gestelde schade. ZEF is vorderingsgerechtigd, maar HDI hoeft geen dekking te verlenen. De schade waarvoor ZEF aansprakelijk wordt gehouden kan niet worden gekwalificeerd als zaakschade, nu niet is gebleken dat in het eindproduct, het halffabricaat en/of het eigeelproduct andere bestanddelen zijn gebruikt en daardoor zijn beschadigd dan het eigeel dat afkomstig is uit de met fipronil besmette eieren. Aldus zijn geen zaken van derden beschadigd. Als al sprake is van zaakschade geldt dat de vervangingskostenclausule dekking van de gestelde schade uitsluit, in ieder geval voor sommige onderdelen van de aan de orde zijnde claims (zoals de aanschafkosten van de niet verwerkte charges) .

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid Metgezel

4.1.

Metgezel is naast verzekeringnemer ook verzekerde. Tussen partijen staat echter vast dat Metgezel niet aansprakelijk is gesteld voor schade als gevolg van de levering van met fipronil besmette eieren. Nu de verzekeringsovereenkomst de aansprakelijkheid van verzekerden dekt voor schade van derden, brengt het voorgaande mee dat Metgezel ten aanzien van de thans aan de orde zijnde schade geen aanspraak kan maken op een uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst. Dat Metgezel, zoals door haar is gesteld, als moederbedrijf van ZEF schade zou lijden wanneer ZEF jegens Zandhof en/of Lipoid aansprakelijk is, doet daaraan niet af. Dergelijke afgeleide schade van de aandeelhouder kan niet worden begrepen onder de dekkingsomschrijving van artikel 1.6.2. van de verzekeringsvoorwaarden en is dus niet gedekt. Zelfs als sprake is van beschadiging waarvoor ZEF aansprakelijk is, is eventuele schade van Metgezel geen direct uit die beschadiging voortvloeiende schade. De rechtbank zal de vorderingen voor zover deze zijn ingesteld door Metgezel dan ook afwijzen.

De verzekerde schade

4.2.

Tussen partijen is in geschil of alle gestelde door Zandhof en Lipoid geleden schade zaakschade betreft als bedoeld in de verzekeringsvoorwaarden.

4.3.

In artikel 1.6.2. van de verzekeringsvoorwaarden is zaakschade gedefinieerd als beschadiging, vernietiging of verloren gaan van zaken van derden, met inbegrip van direct daaruit voortvloeiende schade. Tussen partijen staat vast dat er in het onderhavige geval geen sprake is van vernietiging of het verloren gaan van zaken. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of sprake is van beschadiging van zaken van derden.

Leidt de verwerking van de eieren tot het ontstaan van een zaak van een derde?

4.4.

ZEF levert hele eieren aan Sanovo. De eieren worden door Sanovo verwerkt. De eieren worden gebroken waarna het eiwit en eigeel worden gesplitst. Op grond van artikel 5:16 BW is sprake van zaaksvorming als uit een of meer roerende zaken een nieuwe zaak wordt gevormd. Er is sprake van een nieuwe zaak als de vormgeving zo belangrijk is, dat de nieuwe zaak voor een aanzienlijk deel zijn waarde aan die vormgeving ontleent (TM, Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 109). Dit kan het geval zijn als er door een onomkeerbare bewerking zaken ontstaan die naar de verkeersopvattingen een eigen, van de oorspronkelijke zaak te onderscheiden, identiteit hebben (HR 5 december 1986, NJ 1987/745, Van Spronsen/Rabobank).

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verwerking van de eieren tot eigeel en eiwit een onomkeerbaar proces. Het breken van het ei kan immers niet meer ongedaan worden gemaakt. Het ei verliest door de verwerking zijn identiteit en bestaat als zodanig niet meer. Het eigeel en eiwit krijgen naar verkeersopvattingen door de verwerking een eigen, van het ei te onderscheiden, identiteit. Dat blijkt ook wel uit de omstandigheid dat het eigeel en eiwit in de verdere keten afzonderlijk van elkaar worden verkocht en geleverd. Het eigeel en het eiwit en als gevolg daarvan ook het van het eigeel gemaakte eigeelpoeder, de eindproducten en de halffabricaten zijn nieuwe zaken. Het gaat dan in dit geval om zaken die, gelet op de verkoop aan Zandhof (en eventuele doorverkoop), geen eigendom van ZEF zijn en daarom als zaken van derden moeten worden gezien.

Is er sprake van een beschadiging?

4.6.

De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsvoorwaarden niet definiëren wanneer sprake is van beschadiging. Partijen gaan uit van de betekenis die aan het begrip beschadiging – in de context van een AVB-verzekering – in de jurisprudentie wordt gegeven. Van beschadiging in die zin is sprake bij een objectieve aantasting van de stoffelijke structuur van een zaak, die naar verkeersopvattingen haar stoffelijke gaafheid kenmerkt. De betreffende zaak moet, om te kunnen spreken van beschadiging, niet of minder voldoen aan de objectieve verwachtingen die een ieder ten minste daarvan zou mogen hebben. Niet voldoende is dat bepaalde subjectieve eisen of verwachtingen met betrekking tot de gebruikseigenschappen of de gebruikswaarde van een zaak zijn gefrustreerd (Hof Den Haag 21 maart 2006, NJF 2006, 260). Daarbij moet de stoffelijke structuur van de zaak aanvankelijk gaaf zijn geweest. (HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6163).

4.7.

ZEF heeft de eieren in opdracht van Zandhof geleverd aan Sanovo. Sanovo heeft op haar beurt in opdracht van Zandhof het van de eieren van ZEF gemaakte eigeelpoeder geleverd aan Lipoid. HDI heeft onbetwist gesteld dat Zandhof met Lipoid is overeengekomen eigeelpoeder te leveren zonder enig fipronil. ZEF c.s. hebben ter comparitie verklaard dat ZEF op de hoogte was van deze afspraak. Het moet er daarom voor worden gehouden dat ZEF en Zandhof (stilzwijgend) zijn overeengekomen dat ZEF eieren aan Sanovo zou leveren zonder enige aanwezigheid van fipronil. Slechts dan zou Zandhof immers conform afspraak eigeel zonder enig fipronil aan Lipoid hebben kunnen laten leveren.

4.8.

Indien de door ZEF geleverde eieren een gehalte aan fipronil bevatten onder de toepasselijke MRL (zie hiervoor onder 2.6) voldeden deze eieren weliswaar niet aan de (subjectieve) verwachtingen die Zandhof daarvan (op grond van voormelde overeenkomst) mocht hebben, maar wel aan de objectieve verwachtingen die een ieder daarvan zou mogen hebben. De eieren vormden geen risico voor de volksgezondheid, voldeden aan de relevante regelgeving en waren derhalve in zoverre bruikbaar voor verdere verwerking. Er is in dat geval geen sprake van een beschadiging zoals bedoeld in de verzekeringsvoorwaarden, maar slechts van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tussen ZEF en Zandhof. Daarvoor biedt de verzekeringsovereenkomst echter geen dekking.

4.9.

Indien de door ZEF geleverde eieren een gehalte aan fipronil bevatten boven de toepasselijke MRL dan voldeden deze eieren niet alleen niet aan de verwachtingen die Zandhof daarvan mocht hebben, maar ook niet aan de objectieve verwachtingen die een ieder daarvan zou mogen hebben. Deze eieren vormden immers een gevaar voor de volksgezondheid, voldeden niet aan de regelgeving en waren daarom (in elk geval in beginsel) niet bruikbaar voor verdere verwerking.

Om van beschadiging in de zin van de verzekeringsvoorwaarden te kunnen spreken, moet echter ook de stoffelijke structuur van de zaak aanvankelijk gaaf zijn geweest.

De rechtbank overweegt dat aan die eis niet is voldaan. De samenstelling moet gerekend worden tot de stoffelijke gaafheid. Het ei en het daaruit vervaardigde eigeelpoeder en de half- en eindfabricaten zijn nooit gaaf geweest. Zij hebben nooit minder fipronil bevat dan de toepasselijke MRL toestaat. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat voor zover er bij de totstandkoming van het eigeelpoeder, de halffabricaten en de eindproducten besmet ei(geel) is gebruikt afkomstig van uitsluitend eieren van ZEF, er geen sprake is van beschadiging zoals bedoeld in de verzekeringsvoorwaarden.

4.10.

Tijdens de comparitie van partijen hebben ZEF c.s. aangevoerd dat het fipronilgehalte van de leveringen van ZEF aan Sanovo is gebaseerd op het gemiddelde gehalte fipronil van de desbetreffende levering en niet op het gehalte van de individuele eieren. De leveringen zouden volgens ZEF c.s. ook schone eieren hebben kunnen bevatten. Het schone eigeel afkomstig van eieren van ZEF zou daardoor vermengd kunnen zijn met besmet eigeel afkomstig van eieren van ZEF. Door deze vermenging zou er ten aanzien van het daarvan gemaakte eigeelpoeder, de eindproducten en de halffabricaten ook sprake kunnen zijn van een beschadigde zaak.

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van ZEF c.s. gelegen om hun stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. ZEF c.s. hebben zich ten aanzien van de verschillende leveringen slechts uitgelaten over de vraag of het fipronilgehalte onder of boven de toepasselijke MRL was. In het licht van haar hiervoor weergeven stellingname had het op de weg van ZEF c.s. gelegen om te onderbouwen dat en zo ja in welke mate een levering ook schone eieren bevatte (en hoe dat nu nog vast te stellen zou zijn), een en ander mede in het licht van de omstandigheid dat de besmetting is ontstaan door het gebruik van een bepaald schoonmaakmiddel in een bepaalde periode en dat HDI onbetwist heeft gesteld dat ZEF per kilogram aan Sanova leverde en niet per ei. De enkele vermelding dat een gedeelte van levering D “schoon” was, (alleen over charge [chargenummer 10] wordt gesteld dat daarin fipronil is aangetroffen)

volstaat daartoe zonder behoorlijke toelichting niet, mede gelet op de toelichting in de dagvaarding (2.20) dat dat gedeelte van levering E vermoedelijk gewoon is doorverkocht, geen schade heeft opgeleverd en dus voor dit geding irrelevant is. Nu ZEF c.s. dit hebben nagelaten, zal de rechtbank hun stelling als onvoldoende onderbouwd passeren.

4.11.

De rechtbank overweegt voorts, in het verlengde van hetgeen zij onder 4.9. heeft overwogen, als volgt. Indien er bij de totstandkoming van het eigeelpoeder, de halffabricaten en de eindproducten naast eigeel uit de eieren van ZEF met een gehalte aan fipronil boven de toepasselijke MRL ook (bestanddelen uit) eieren van andere leveranciers zijn gebruikt die niet zijn besmet met fipronil, geldt het volgende. Het eigeel uit deze schone eieren is door vermenging met het eigeel uit de eieren van ZEF haar stoffelijke zelfstandigheid verloren en eveneens besmet geraakt met fipronil. Het aanvankelijk schone eigeel is ooit gaaf geweest, maar is door de vermenging met het besmet eigeel beschadigd geraakt. Ten aanzien van de aanvankelijk schone bestanddelen is er wel sprake van een beschadigde zaak van een derde en voor de daaruit direct voortvloeiende schade biedt de verzekeringsovereenkomst in beginsel dekking. Dat heeft HDI overigens in de conclusie van antwoord (2.3.13, 2.3.16, 2.3.17) in beginsel ook erkend.

4.12.

Nu HDI betwist dat vermenging als hiervoor bedoeld heeft plaatsgevonden, zullen ZEF c.s. in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren van hun stelling dat voor de totstandkoming van het eigeelpoeder, de eindproducten en de halffabricaten niet alleen gebruik is gemaakt van eigeel dat afkomstig is van de met fipronil (boven de toepasselijke MRL) besmette eieren van ZEF, maar ook van eigeel afkomstig van schone eieren van andere leveranciers. Dat volstaat in principe voor de beantwoording van de vraag of er dekking is.

Omdat partijen kennelijk belang hebben bij enig inzicht in de omvang van de dekking ligt voor de hand dat het bewijs ook ziet op de mate waarin deze vermenging zich heeft voorgedaan. Van ZEF c.s. wordt dan ook verwacht dat zij aan dat aspect bij de bewijslevering aandacht besteedt, bij de conclusie na enquête dan wel de akte/conclusie waarbij schriftelijk bewijs wordt overgelegd.

Vooruitlopend op de verdere beoordeling na bewijslevering: de vervangingskostenclausule

4.13.

Vooruitlopend op de verdere beoordeling overweegt de rechtbank als volgt. Indien en voor zover ZEF c.s. niet slagen in het leveren van het hiervoor bedoelde bewijs, dan zal de rechtbank de vorderingen van ZEF afwijzen. Er is dan immers geen dekking onder de verzekeringsovereenkomst.

4.14.

Indien en voor zover ZEF c.s. slagen in het leveren van bewijs als hiervoor bedoeld, dan dient HDI in beginsel dekking te verlenen voor de schade die door Zandhof en/of Lipoid is geleden doordat eigeel afkomstig van schone eieren is vermengd met het met fipronil (boven de toepasselijke MRL) besmette eigeel van ZEF, waarvoor ZEF aansprakelijk is, een en ander voor zover het gaat om beschadiging als hiervoor toegelicht en de daaruit direct voortvloeiende schade. Een eventuele uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst zal in beginsel voorzien in vergoeding van de (door Zandhof en/of Lipoid) betaalde koopprijs van die schone bestanddelen. Of de andere door Lipoid en/of Zandhof gevorderde schade ook gedekt is, zal afhangen van de vraag of die schade direct voortvloeit uit de beschadiging van de schone bestanddelen. Dat valt in deze procedure, op basis van de thans beschikbare stukken, niet vast te stellen.

4.15.

Vervolgens dient dan te worden beoordeeld of dekking is uitgesloten op basis van de in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen zogenoemde vervangingskostenclausule. De discussie tussen partijen concentreert zich op het bepaalde in artikel 4.7.3 van de verzekeringsvoorwaarden: De verzekering dekt niet de aansprakelijkheid voor schade wegens het niet of niet naar behoren kunnen gebruiken van de betreffende zaken of werkzaamheden. HDI beroept zich op deze uitsluiting en stelt in dit verband dat de vervangingskostenclausule zich ook uitstrekt over geleverde zaken die na levering een verandering hebben ondergaan en/of hun zelfstandigheid hebben verloren. In dit verband wijst HDI onder meer op de ratio van de vervangingskostenclausule die er toe strekt om het risico van claims wegens kwaliteitsproblemen van dekking uit te sluiten. ZEF c.s. stellen dat de vervangingskostenclausule niet meer van toepassing is na het breken van de eieren en de verwerking door Sanovo. Op dat moment bestond er immers een andere zaak en was geen sprake meer van de betreffende zaken uit de clausule.

4.16.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitsluitingen worden naar hun aard beperkt uitgelegd. Als ZEF c.s. in het hen op te dragen bewijs slagen, en als komt vast te staan dat ZEF aansprakelijk is voor schade jegens Zandhof en/of Lipoid. geldt dat deze schade is veroorzaakt doordat nieuwe zaken (eigeel) aan met fipronil (boven de MRL) besmet eigeel van ZEF zijn toegevoegd. Deze nieuwe zaken hebben nooit aan ZEF toebehoord en kunnen niet worden aangemerkt als de betreffende zaken in de zin van art. 4.7.3 van de verzekeringsvoorwaarden. In dat geval komt aan HDI dus geen beroep op de uitsluitingsclausule toe. De ratio van de uitsluiting, wat daarvan zij, doet daaraan niet af; het gaat hier immers om een mogelijk voor de volksgezondheid gevaarlijke verontreiniging, niet om een klassiek kwaliteitsprobleem.

Wat dit betekent voor de diverse onderdelen van de claim van Lipoid/Zandhof jegens ZEF valt op dit moment niet vast te stellen; mogelijk zal daarover meer duidelijkheid bestaan nadat de Duitse rechter tot een oordeel is gekomen. De aanschafwaarde van de niet verwerkte leveringen (D en E) zal echter gelet op het voorgaande niet onder de dekking vallen.

4.17.

In afwachting van de bewijslevering houdt de rechtbank ieder verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat ZEF c.s. toe tot het bewijs van haar stelling dat voor de totstandkoming van het eigeelpoeder, de eindproducten en de halffabricaten niet alleen gebruik is gemaakt van eigeel dat afkomstig is van met fipronil (boven de toepasselijke MRL) besmette eieren van ZEF, maar ook van schoon eigeel van andere leveranciers,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 november 2019 voor uitlating door ZEF c.s. of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat ZEF c.s., indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.4.

bepaalt dat ZEF c.s., indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2019 tot en met augustus 2019 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. Hofmeijer-Rutten in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. J.F. Koekebakker en mr. J. van de Klashorst en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2019.

3138/106/1582