Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8385

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
28-10-2019
Zaaknummer
10/732005-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 WVW. Verdachte is met haar auto bij een kruispunt door rood licht gereden en heeft vervolgens een bromfietser aangereden. Het slachtoffer heeft daardoor fors letsel opgelopen. Gelet op alle omstandigheden wordt geoordeeld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Zij krijgt daarvoor een taakstraf van 50 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden. Daarnaast krijgt zij een taakstraf van 50 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken opgelegd voor het (weer) rijden zonder rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/732005-19

Datum uitspraak: 23 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] (Nederlandse Antillen),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. T. Sen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. Boekhoud heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte voor feit 1 primair tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Veroordeling van de verdachte voor feit 2 tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat zij niet handelde met het oogmerk om een verkeersongeval te veroorzaken.

Beoordeling

Voor het bewijs van schuld aan een ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), zoals primair is ten laste gelegd, is vereist dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling daarvan komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Onvoldoende is de enkele omstandigheid dat verdachte de andere verkeersdeelnemer niet heeft gezien terwijl die voor verdachte wel zichtbaar moet zijn geweest.

De rechtbank gaat uit van het volgende. Op 22 juni 2018 is tijdens de avondspits op de kruising van de Schiedamsedijk, het Vasteland, de Boompjes en de rijbaan van de Erasmusbrug te Rotterdam een ongeluk gebeurd. De verdachte is die dag met haar auto gebotst tegen de heer [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), die op een snorfiets reed. Het slachtoffer heeft ten gevolge van deze botsing fors letsel opgelopen.

In het dossier zitten onder meer verklaringen van de verdachte, het slachtoffer en getuige [naam getuige] (hierna: [naam getuige] ). De verdachte heeft verklaard dat zij kwam van de Schiedamsedijk en ging in de richting van de Boompjes en dat het stoplicht voor haar op oranje stond op het moment dat zij ter hoogte van het zebrapad was. Volgens de verdachte stonden de verkeerslichten, aangenomen dat het slachtoffer groen licht had, te kort op elkaar afgesteld. Op de terechtzitting heeft de verdachte nog verklaard dat de auto vóór haar ook door het oranje licht reed en dat zij gas heeft bijgegeven en achter die auto aan is gereden. Zij heeft, naar eigen zeggen, toen niet meer naar het stoplicht gekeken. Ook heeft zij verklaard dat het op de betreffende kruising altijd erg druk is en dat het stoplicht snel op rood springt. Het slachtoffer en [naam getuige] hebben verklaard dat voor hen het stoplicht op groen stond op het moment dat zij gingen rijden respectievelijk lopen.

De verkeersongevallenanalyse heeft uitgewezen dat het niet mogelijk is dat het stoplicht van de rijstrook waar de verdachte heeft gereden op oranje staat terwijl het stoplicht voor de fietsers en voetgangers op groen staat en dat het drie seconden duurt voordat het stoplicht op de rijstrook van de verdachte van oranje over gaat naar rood. Pas als het stoplicht van de rijstrook van de verdachte op rood gaat, gaat het stoplicht voor de fietsers en bromfietsers op groen. Verder onderzoek heeft uitgewezen dat de verdachte door rood is gereden en dat het stoplicht toen al 1,6 seconden rood licht uitstraalde. Ook heeft onderzoek uitgewezen dat het slachtoffer de maximum toegestane snelheid niet heeft overschreden en dat het voor hem geldende stoplicht zeer waarschijnlijk op groen stond toen hij de kruising overstak. Dit laatste strookt ook met zijn eigen verklaring en met de verklaring van [naam getuige] .

Uit onderzoek is ook komen vast te staan dat de auto van de verdachte gebreken had aan het remsysteem (ABS) en dat bij een goed werkend ABS de botssnelheid lager zou zijn geweest.

Op basis van dit alles concludeert de rechtbank dat de verdachte niet goed heeft opgelet en dat zij daardoor door rood is gereden. Na het passeren van het stoplicht heeft de verdachte weer niet goed opgelet op bijvoorbeeld overstekende snorfietsers, vergeleken met een automobilist een kwetsbare groep van verkeersdeelnemers. Als zij wel zou hebben opgelet dan had zij het slachtoffer kunnen en moeten waarnemen. Gegeven de afstand tussen de stopstreep bij het stoplicht van het slachtofferen het confrontatiepunt (ongeveer 20 meter), reed hij namelijk al enige tijd op de kruising.

De feiten en omstandigheden in onderling verband bezien maken dat het rijgedrag van de van de verdachte kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval is dan ook aan haar schuld te wijten als bedoeld in artikel 6 van de WVW. Het letsel van het slachtoffer is zodanig dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het slachtoffer heeft vijf dagen in het ziekenhuis moeten verblijven.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

zij op 22 juni 2018 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zodanig heeft gedragen dat

een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats gevonden door met

dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Schiedamsedijk en het Vasteland, althans op één van deze wegen,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

-extra gas heeft gegeven terwijl dat het voor haar rijrichting geldende

verkeerslicht oranje licht uitstraalde en

-met een, mede gelet op de verkeersdrukte, te hoge snelheid die kruising is

opgereden terwijl het voor haar geldende verkeerslicht inmiddels rood licht

uitstraalde en

-haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, de weg kon

overzien en waarover deze vrij was en

-niet tijdig heeft opgemerkt dat een bromfietser doende was de rijbaan over

te steken via het aldaar gelegen fiets/bromfietspad en

-die bromfietser niet heeft laten voorgaan en

-vervolgens op die kruising in botsing of aanrijding is gekomen met die

bromfietser, waardoor die bromfietser, genaamd [naam slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijkc ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

zulks terwijl het ABS-systeem van het door haar, verdachte, bestuurde voertuig

defect was althans niet in werking was

2.

zij op 22 juni 2018 te Rotterdan. als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Schiedamsedijk, zonder dat aan haar door de daartoe

bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet

1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe

dat motorrijtuig behoorde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1

overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor aan een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat;

Ten aanzien van feit 2

overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten,

de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Zij heeft een bewuste keuze gemaakt om gas bij te geven toen het licht voor haar oranje was en niet gezien dat het stoplicht voor haar rijbaan al op rood stond en daarna heeft zij niet gezien dat een snorfietser al aan het oversteken was. Van de verdachte mocht worden verwacht dat zij dit zeer drukke kruispunt met de nodige alertheid benaderde. Omdat de verdachte dit niet heeft gedaan, heeft zij een ernstig ongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer fors letsel heeft opgelopen.

Daar komt nog bij dat de verdachte überhaupt niet een auto mocht besturen, omdat zij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Dat wist zij ook, omdat zij daar in het verleden ook al een aantal keer voor is veroordeeld. Die veroordelingen hebben haar er klaarblijkelijk niet van weerhouden toch weer achter het stuur te gaan zitten. Op de terechtzitting heeft de verdachte er geen blijk van gegeven dat zij de ernst van haar handelen inziet. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 september 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder verkeersfeiten.

Om de verdachte van het kwalijke van haar gedrag te doordringen, acht de rechtbank het geboden om aan de verdachte ten aanzien van het rijden zonder geldig rijbewijs een hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Een deel van deze straf zal voorwaardelijk worden opgelegd in de hoop dat dat de verdachte ervan weerhoudt in de toekomst opnieuw een dergelijk strafbaar feit te plegen.

Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank aan de verdachte taakstraffen van na te noemen duur opleggen, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 107, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte voor feit 1 tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

ontzegt de verdachte voor feit 1 de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

veroordeelt de verdachte voor feit 2 tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

veroordeelt de verdachte voor feit 2 tot een hechtenis voor de duur van 4 weken;

bepaalt dat deze hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Smit, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en J. van Dort, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 oktober 2019.

Zijnde de voorzitter buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 22 juni 2018 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zodanig heeft gedragen dat

een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met

dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden

zorgvuldigheid te rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar

verkeer openstaande wegen, de Schiedamsedijk en het Vasteland, althans op één

van deze wegen,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

-extra gas heeft gegeven terwijl dat het voor haar rijrichting geldende

verkeerslicht oranje licht uitstraalde en/of

-met een, mede gelet op de verkeersdrukte, te hoge snelheid die kruising is

opgereden terwijl het voor haar geldende verkeerslicht inmiddels rood licht

uitstraalde en/of

-haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, de weg kon

overzien en waarover deze vrij was en/of

-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een bromfietser doende was de rijbaan over

te steken via het aldaar gelegen fiets/bromfietspad en/of

-die bromfietser niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) op die kruising in botsing of aanrijding is gekomen met die

bromfietser,

waardoor die bromfietser, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten

een bloeding onder het harde hersenvlies, breuken van jukbeen en slaapbeen en

een ribbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan;

zulks terwijl het ABS-systcem van het door haar, verdachte, bestuurde voertuig

defect was althans niet in werking was;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 22 juni 2018 Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de

voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Schiedamsedijk en het

Vasteland, althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat

gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,

en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,

-extra gas heeft gegeven terwijl dat het voor haar rijrichting geldende

verkeerslicht oranje licht uitstraalde en/of

-met een, mede gelet op de verkeersdrukte, te hoge snelheid die kruising is

opgereden terwijl het voor haar geldende verkeerslicht inmiddels rood licht

uitstraalde en/of

-haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, de weg kon

overzien en waarover deze vrij was en/of

-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een bromfietser doende was de rijbaan over

te steken via het aldaar gelegen fiets/bromfietspad en/of

-die bromfietser niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) op die kruising in botsing of aanrijding is gekomen met die

bromfietser;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

zij op of omstreeks 22 juni 2018 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Schiedamsedijk, zonder dat aan haar door de daartoe

bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet

1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe

dat motorrijtuig behoorde;

art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994