Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8376

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
10/750209-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

NOS-journalist ontslagen uit gijzeling

De raadkamer van de rechtbank Rotterdam heeft een journalist van de NOS, die gisteren door de rechter-commissaris in gijzeling was gesteld toen hij weigerde als getuige in een strafzaak een verklaring af te leggen, uit de gijzeling ontslagen.

Verschoningsrecht

Het oordeel van de rechtbank luidt als volgt. Aan de journalist als getuige komt een verschoningsrecht toe. Dat recht is niet absoluut, in de zin dat hij op geen enkele vraag antwoord zou hoeven geven, maar betekent in elk geval wel dat hij geen vragen hoeft te beantwoorden waardoor hij (informatie over) zijn bronnen zou prijsgeven.

Ruime uitleg

Dat verschoningsrecht moet ruim worden uitgelegd en geldt daarom ook, zoals hier, als uit andere informatie al duidelijk is wie de bron is. De vragen die de getuige in dit geval gesteld zouden worden, vallen volgens de rechtbank (en anders dan de rechter-commissaris eerder van oordeel was) allemaal onder het verschoningsrecht van de journalist. De journalist hoeft daarom geen uitleg te geven over uitlatingen van hem die hij heeft gedaan in een gesprek met zijn bron.

Belangenafweging

Vervolgens is doorbreking van het verschoningsrecht volgens de wet nog mogelijk, maar de rechtbank vindt dat hier niet aan de orde, omdat het fundamentele belang van bronbescherming in dit geval zwaarder weegt dan andere belangen, zoals het ondervragingsrecht van de verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750209-15

Bevel ontslag uit gijzeling getuige

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, in de zaak van de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

Procedure

De rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam heeft op 24 oktober 2019 in de strafzaak met het hiervoor genoemde parketnummer de gijzeling bevolen van:

[naam gegijzelde] ,

geboren op [geboortedatum gegijzelde] te [geboorteplaats gegijzelde] ,

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. F. van Ardenne, advocatenkantoor Van Ardenne & Crince le Roy Advocaten N.V. te Rotterdam.

Aan dat bevel is ten grondslag gelegd dat hij als getuige tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris op 24 oktober 2019 zonder wettige grond heeft geweigerd de hem gestelde vragen te beantwoorden. Het bevel is op diezelfde dag ter beschikking gesteld aan de rechtbank.

De rechter-commissaris heeft tevens op 24 oktober 2019 middels een proces-verbaal van bevindingen verslag gedaan aan de rechtbank van hetgeen is voorgevallen bij het verhoor.

Ten behoeve van de beantwoording van de vraag of de gijzeling dient te worden voortgezet dan wel beëindigd, heeft op 25 oktober 2019 een behandeling in raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

  • -

    De gegijzelde en zijn raadslieden mrs. F. van Ardenne en J.S. Bilgi;

  • -

    De verdachte en zijn raadsman mr. E. Manders;

  • -

    De officier van justitie mr. P.A. Willemse.

Voorts heeft de voorzitter bijzondere toegang verleend aan dhr. [naam 1] en mevr. [naam 2] .

Feiten

De verdachte is naar voren gekomen in het onderzoek naar de zogenaamde “vergismoord” op 1 januari 2014 in Berkel en Rodenrijs. In dat onderzoek is de telefoon van een getuige enige tijd getapt geweest. Door die tap heeft de officier van justitie kennis gekregen van een drietal tapgesprekken tussen die getuige (de bron) en een journalist, te weten de thans gegijzelde [naam gegijzelde] (hierna: “de journalist”). Deze drie gesprekken zijn in het strafdossier van de verdachte gevoegd.

De raadsman van de verdachte heeft de rechtbank verzocht de journalist door de rechter-commissaris als getuige in de strafzaak te laten horen. De rechtbank heeft dit verzoek op 22 februari 2019 toegewezen.

De journalist heeft zich vervolgens op voorhand beroepen op zijn verschoningsrecht. Naar aanleiding daarvan heeft de rechter-commissaris op 28 juni 2019 beslist dat hem dit verschoningsrecht slechts ten dele toekomt, te weten niet ten aanzien van de drie in het dossier opgenomen tapgesprekken en de (reeds bekende) bron daarvan, maar wel voor zover hem zou worden gevraagd naar informatie die uit andere bron afkomstig zou zijn.

Op 24 oktober 2019 heeft het verhoor van de journalist bij de rechter-commissaris plaatsgevonden en is hem door de raadsman van de verdachte een eerste vraag gesteld.

De journalist heeft zich van aanvang af categorisch op zijn journalistiek verschoningsrecht beroepen en gesteld geen enkele vraag te zullen beantwoorden.

Ook nadat de rechter-commissaris hem op de inhoud van de beslissing van 28 juni 2019 had gewezen en hem wederom had verzocht de vraag van de raadsman te beantwoorden, is hij bij zijn eerdere weigering gebleven.

Hierop heeft de rechter-commissaris ambtshalve de gijzeling van de journalist bevolen.

Beoordeling

Uitgangspunt is dat een door de rechter-commissaris opgeroepen getuige gehouden is alle gestelde vragen te beantwoorden, tenzij er sprake is van een verschoningsrecht.

De journalist heeft bij de rechter-commissaris het hem beroepshalve toekomende verschoningsrecht ingeroepen. Dit recht is neergelegd in artikel 218a van het Wetboek van Strafvordering en kan blijkens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ook worden ontleend aan artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Burgerlijke Vrijheden (EVRM).

De raadsman van de verdachte heeft betwist dat de verdachte enig journalistiek verschoningsrecht toekomt. De getuige is weliswaar journalist, maar hij heeft volgens de raadsman van de verdachte in zijn contacten met “de bron” niet als journalist gehandeld.

De getuige zou met zijn bron hebben samengespannen om de verdachte ten onrechte de schuld van de moord op [naam slachtoffer] in de schoenen te schuiven.

De rechtbank passeert deze stelling. Vaststaat dat de getuige journalist is bij de NOS.

Het is niet aannemelijk geworden dat zijn contacten met de bron op iets anders gericht waren dan op het verkrijgen van informatie uit het criminele circuit.

De rechtbank stelt daarom vast dat de getuige journalist is en daarmee een beroep kan doen op artikel 218a Sv. Lid 1 van dit artikel luidt:

“Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens.”

De rechtbank legt deze bepaling uit met inachtneming van de rechtspraak van het EHRM over het journalistieke verschoningsrecht in relatie tot artikel 10 EVRM.

Het verschoningsrecht is niet absoluut, maar is beperkt tot bronbescherming in het belang van de vrije nieuwsgaring. Het gaat daarbij niet alleen om de naam van de bron, maar ook om informatie over de feitelijke omstandigheden waaronder de journalist informatie van een bron heeft verkregen en de ongepubliceerde inhoud van de door de bron aan de journalist geleverde informatie.

Dat in deze zaak relatief veel bekend is over de wijze waarop de journalist informatie heeft verkregen van de bron doet daar niet aan af.

In het dossier bevinden zich drie getapte telefoongesprekken, maar gesteld noch gebleken is dat dit alle contacten zijn geweest tussen de journalist en de bron.

Het verschoningsrecht geldt blijkens rechtspraak van het EHRM (in beginsel) ook voor bronnen die niet of niet langer anoniem zijn. Het omvat – voor zover hier van belang – ook en in het bijzonder het recht van de journalist om geen tekst en uitleg te hoeven geven over een door hem met een bron gevoerd gesprek.

Te beperkte uitleg van wat onder bronbescherming valt heeft, zoals het EHRM herhaalde malen benadrukt heeft, een afschrikwekkende werking op het delen van informatie door bronnen die anoniem willen blijven en is aldus een gevaar voor de vrije nieuwsgaring.

De journalist heeft bij de rechter-commissaris geweigerd de vraag te beantwoorden wat hij bedoelde met de opmerking ‘want die hele zaak gaat nu uit als een nachtkaars’. Gelet op het voorgaande valt de beantwoording van deze en soortgelijke vragen inderdaad onder het verschoningsrecht van artikel 218a lid 1 Sv.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dat verschoningsrecht moet wijken voor zwaarwegende belangen als bedoeld in artikel 218a lid 2 Sv. Dat deel van het artikel bepaalt:

“De rechter-commissaris kan het beroep van de getuige [op het verschoningsrecht] afwijzen indien hij oordeelt dat bij het onbeantwoord blijven van vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.”

Bij deze belangenafweging moet veel gewicht worden toegekend aan het fundamentele belang van de vrijheid van nieuwsgaring zoals benadrukt in vaste rechtspraak van het EHRM.

Er is de rechtbank ter zitting onvoldoende gebleken van een zodanig zwaarwegend belang dat dit nu zou moeten leiden tot doorbreking van het verschoningsrecht. Het door de rechtbank op 22 februari 2019 aangenomen verdedigingsbelang bij het horen van de getuige acht de rechtbank hiervoor niet voldoende. Dit klemt temeer nu ook de verdediging tijdens de behandeling in de raadkamer niet op voortzetting van de gijzeling heeft aangedrongen.

Dit brengt mee dat de journalist zich bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft kunnen beroepen. Daarmee vervalt de grondslag voor zijn gijzeling.

De slotsom is dat de gijzeling met onmiddellijke ingang dient te worden opgeheven.

Beslissing

De rechtbank gelast met onmiddellijke ingang het ontslag van de getuige uit de gijzeling.

Aldus gegeven op 25 oktober 2019 door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mrs. C.G. van de Grampel en N. Doorduijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing,

Rotterdam, de Ovj

Gezien op: dir. Hvb/PI