Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8201

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
7875169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft niet tijdig schriftelijk aangezegd. Arbeidsovereenkomst uiteindelijk wel voortgezet. Werknemer verzoekt desondanks om betaling van de aanzegvergoeding. Niet gebruikelijk, wel toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7875169 \ VZ VERZ 19-14127

uitspraak: 4 september 2019

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. H. Mahyou te Rotterdam,

tegen

de stichting

Stichting Humanitas,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. R. Putkamer te Den Haag.

Partijen worden hierna [verzoeker] en Humanitas genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 30 juni 2019, heeft [verzoeker] verzocht Humanitas te veroordelen tot betaling wegens het niet nakomen van de zogenoemde aanzegplicht. Humanitas heeft een verweerschrift ingediend dat bij de griffie is ontvangen op 16 augustus 2019. Voorts heeft [verzoeker] een brief gestuurd met aanvullende producties 3 tot en met 6.

1.2

Op 28 augustus 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Namens Humanitas zijn verschenen dhr. [naam 1] (leidinggevende van [verzoeker] ) en mevr. [naam 2] (HR Adviseur), bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Partijen hebben hun standpunten ter zitting nader toegelicht, Humanitas heeft dat gedaan aan de hand van pleitaantekeningen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

2 De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum verzoeker] , is op 1 november 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij Humanitas in dienst getreden in de functie van netwerker. Het salaris van [verzoeker] bedraagt € 2.858,00 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag.

2.2

De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 november 2018 aangegaan voor de duur van zes maanden, derhalve tot 1 mei 2019. De arbeidsovereenkomst is nadien voortgezet wederom voor bepaalde tijd, nu voor acht maanden. De arbeidsovereenkomst eindigt thans van rechtswege op 31 december 2019.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

[verzoeker] verzoekt Humanitas te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.287,58 bruto, wegens het niet nakomen van de aanzegplicht als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 onder a BW, € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 25,58 aan verschenen rente, onder verstrekking van een deugdelijke salarisspecificatie, met veroordeling van Humanitas in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat Humanitas heeft verzuimd om hem uiterlijk een maand voordat de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou aflopen schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Een mondelinge aanzegging volstaat niet. [verzoeker] heeft op 26 april 2019 de vernieuwde arbeidsovereenkomst ontvangen, zodat Humanitas hem naar rato een aanzegvergoeding van € 2.287,58 verschuldigd is. [verzoeker] heeft zich genoodzaakt gezien buitengerechtelijke incassokosten te maken. Terzake komt een bedrag van € 40,00 voor rekening van Humanitas. Voorts maakt [verzoeker] aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de aanzegvergoeding, die hij becijfert op € 28,58 gerekend vanaf 1 mei 2019.

4 Het verweer

4.1

Het verweer van Humanitas strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker] , met veroordeling van [verzoeker] in de proces- en nakosten.

4.2

Humanitas heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.

4.2.1

Humanitas heeft voldaan aan haar aanzegplicht, ondanks het feit dat dit aanvankelijk niet schriftelijk is gebeurd. In ieder geval op 6 maart 2019, en dus ruim vóór de aanzegtermijn, heeft Humanitas [verzoeker] helderheid gegeven over het voortzetten van zijn arbeidsovereenkomst. Partijen hebben daarna op initiatief van [verzoeker] slechts nog gediscussieerd over de arbeidsvoorwaarden. Het ontbreken van een schriftelijke aanzegging heeft bovendien geen enkel negatief gevolg voor [verzoeker] gehad. De arbeidsovereenkomst is immers onder dezelfde voorwaarden verlengd. Onder deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Humanitas aan [verzoeker] een aanzegvergoeding verschuldigd zou zijn.

4.2.2

Voor het geval geoordeeld wordt dat Humanitas de aanzegvergoeding wel verschuldigd is, dient de termijn waarop deze aan [verzoeker] moet worden voldaan alsook de termijn waarbinnen de salarisspecificatie moet worden verstrekt op minimaal veertien dagen te worden gesteld. Humanitas betwist buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn, nu de werkzaamheden niet meer hebben omvat dan het sturen van een enkele aanmaning, het doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De wettelijke rente over de aanzegvergoeding moet worden berekend aan de hand van artikel 6:119 BW en bedraagt € 13,29.

5 De beoordeling

5.1

Op grond van artikel 7:668 lid 1 BW moest Humanitas uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege zou eindigen, dus vóór 1 april 2019, [verzoeker] schriftelijk informeren over het al dan niet voortzetten daarvan.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] niet tijdig schriftelijk door Humanitas is geïnformeerd over de status van zijn op 1 mei 2019 aflopende arbeidsovereenkomst. Verder zijn partijen het erover eens dat Humanitas wel tijdig mondeling heeft aangegeven dat er een verlenging zou plaatsvinden, maar dat over de (arbeids)voorwaarden nog moest worden gesproken.

5.3

De eis dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan is van dwingend recht. Voor het betrachten van de door Humanitas bepleite soepelheid biedt de wettelijke bepaling in ieder geval in een situatie als de onderhavige geen ruimte. Humanitas stelt zich op het standpunt dat over de voortzetting van de arbeidsovereenkomst, in ieder geval vanaf 6 maart 2019, geen onzekerheid kan hebben bestaan. Onzekerheid is echter geen vereiste voor het toekennen van een aanzegvergoeding. De wetgever heeft geen onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de werknemer wel of niet tijdig mondeling is geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Dat [verzoeker] hierover niet in onzekerheid verkeerde staat dan ook niet in de weg aan toekenning van de aanzegvergoeding.1

In lijn met het voorgaande gaat ook het argument van Humanitas dat het ontbreken van een schriftelijke aanzegging geen enkel negatief gevolg voor [verzoeker] heeft gehad, niet op. Toekenning van de aanzegvergoeding is niet afhankelijk gesteld van het ervaren van negatieve gevolgen van het niet (tijdig) aanzeggen.

5.4

Er bestaat onvoldoende grond om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verzoeker] een beroep toekomt op artikel 7:668 lid 3 BW. De omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] verlengd is, staat los van de op de werkgever rustende informatieplicht die de aanzegplicht inhoudt. Weliswaar komt het weinig voor dat een werknemer wiens arbeidsovereenkomst wordt verlengd en die daarover niet tijdig door zijn werkgever is geïnformeerd, in rechte betaling van de aanzegvergoeding afdwingt, maar dit is niet in strijd met de wet en bovendien onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat [verzoeker] bijna twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst is voortgezet het onderhavige verzoekschrift heeft ingediend, hetgeen Humanitas - ogenschijnlijk - van een weinig constructieve houding vindt getuigen, is evenmin voldoende voor een geslaagd beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Ook anderszins is geen sprake van een onaanvaardbare uitkomst door toepassing van artikel 7:668 lid 1 BW. Daarbij wordt eveneens in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat er voor Humanitas beletselen waren om in aanvulling op het gesprek tussen partijen voor alle duidelijkheid de aanzegging schriftelijk aan [verzoeker] te bevestigen, om daarmee te voldoen aan de wettelijke op haar rustende informatieverplichting. Dat - in de visie van Humanitas - door toedoen van [verzoeker] nog over de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst moest worden onderhandeld, vormt in ieder geval niet zo een beletsel. Humanitas had [verzoeker] schriftelijk kunnen, en moeten, bevestigen dat de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet en onder welke voorwaarden. Partijen hadden daarover dan vervolgens kunnen onderhandelen.

5.5

De conclusie is dat Humanitas op grond van artikel 7:668 lid 3 BW aan [verzoeker] naar rato een vergoeding verschuldigd is nu de aanzegplicht niet tijdig is nagekomen. De hoogte van de aanzegvergoeding is niet betwist, zodat het gevorderde bedrag van € 2.287,58 bruto wordt toegewezen.

5.6

[verzoeker] heeft verzocht de aanzegvergoeding binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking aan hem te voldoen en daarvan een deugdelijke bruto-netto-specificatie aan hem te verstrekken. Humanitas heeft aangevoerd dat deze termijn onredelijk kort is en verzocht de termijn op minimaal twee weken te stellen. [verzoeker] heeft daar vervolgens niets meer tegenin gebracht, zodat de termijn voor betaling van de aanzegvergoeding evenals het verstrekken van de specificatie op twee weken na uitspraak van de beschikking zal worden gesteld. De verzocht dwangsom wordt toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum is vermeld.

5.7

In reactie op het verweer van Humanitas dat de buitengerechtelijke werkzaamheden niet meer omvatten dan het doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, heeft [verzoeker] de inhoud van de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden niet nader geconcretiseerd. Nu dat wel op zijn weg had gelegen en zonder nadere toelichting die ontbreekt niet in te zien valt dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die het gevorderde rechtvaardigen, wordt dit gedeelte van het verzoek van [verzoeker] afgewezen.

5.8

Humanitas heeft niet betwist dat zij rente verschuldigd is over de aanzegvergoeding. Zij heeft wel de hoogte van het door [verzoeker] berekende bedrag aan rente betwist. Nu uit het verzoekschrift niet kan worden opgemaakt over welke periode de wettelijke rente is berekend, maar [verzoeker] wel verzoekt Humanitas te veroordelen tot betaling van de rente tot de dag der algehele voldoening, ziet de kantonrechter aanleiding om geen bedrag aan verschenen rente toe te kennen, maar Humanitas te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid (te weten 1 mei 2019) tot de dag der algehele voldoening.

5.9

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt Humanitas veroordeeld in de proceskosten, welke tot op heden aan de zijde [verzoeker] wordt begroot op € 231,00 aan griffierecht en € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde.

De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Humanitas om binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking te betalen aan [verzoeker] de aanzegvergoeding van € 2.287,58 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Humanitas tot afgifte van een deugdelijke bruto-netto-specificatie van de aanzegvergoeding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Humanitas vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.000,00;

veroordeelt Humanitas in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op:

  • -

    € 231,00 aan verschotten;

  • -

    € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en indien Humanitas niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking vrijwillig aan deze beschikking heeft voldaan, begroot op € 120,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is Humanitas de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het nasalaris en de kosten van betekening verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

28356

1 vgl. Rechtbank Noord-Holland, 9 april 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:3132, r.o. 5.3.