Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8168

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
10/810250-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorbereidingshandelingen, handel in grote hoeveelheden paracetamol, fenacetine en cafeïne. Versnijdingsmiddelen, voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/810250-18

Datum uitspraak: 12 september 2019

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Pols heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde en heeft daartoe – samengevat – betoogd dat het dossier geen aanwijzingen of bewijsmiddelen bevat waaruit kan worden afgeleid dat de door de verdachte ingevoerde stoffen daadwerkelijk bestemd waren als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen. Het voorwaardelijk opzet op die bestemming kan op grond van het dossier evenmin worden aangenomen.

De verdediging heeft voorts – naar de rechtbank begrijpt – partiële vrijspraak bepleit voor het onder 2 tenlastegelegde voor de periode tot 12 september 2018. De verdachte heeft een vergunningsaanvraag gedaan en heeft ook daadwerkelijk een vergunning verkregen voor het bemiddelen bij aankoop en verkoop van geneesmiddelen. Die vergunning werd door de leveranciers gecontroleerd en de spullen werden geleverd. Aldus kan niet worden gesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het handelen zonder vergunning.

4.1.2.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1

Uit de bewijsmiddelen – waaronder de verklaring van de verdachte ter terechtzitting - volgt dat de verdachte in de periode van 11 juli 2017 tot en met begin oktober 2018 grote hoeveelheden paracetamol, cafeïne en fenacetine heeft besteld bij verschillende bedrijven in Duitsland en Oostenrijk en deze ook geleverd heeft gekregen. Het betreft hier onder meer 6 leveringen door [naam bedrijf 1] te Hamburg (hierna: [naam bedrijf 1] ) van totaal 5250 kilo cafeïne in de periode van 2 augustus 2017 tot 22 maart 2018. De verdachte heeft tussen de eerste en tweede levering bij [naam bedrijf 1] geïnformeerd naar de levering van fenacetine. Op grond van de verstrekte informatie kan worden vastgesteld dat door [naam bedrijf 1] geen fenacetine aan de verdachte is geleverd. Verder betreft het leveringen in de periode van 11 juli 2017 tot 15 juni 2018 van het bedrijf [naam bedrijf 2] GmbH (hierna: [naam bedrijf 2] ) gevestigd te Norderstedt in Duitsland van in totaal 12.600 kilo paracetamol en 3500 kilo fenacetine en een levering van 2000 kilo paracetamol in oktober 2018 door het in Oostenrijk gevestigde bedrijf [naam bedrijf 3] .

Na de levering van de laatstgenoemde partij van 2000 kilo paracetamol is de verdachte aangehouden en is hij gehoord bij de politie. De verdachte heeft in zijn eerste verhoor op

29 oktober 2018 met betrekking tot die laatste levering onder meer verklaard dat de levering bestemd was voor twee mannen uit België. Hij had deze mannen in 2015 op een beurs in Barcelona ontmoet en ze zijn in 2018 weer met elkaar in contact gekomen in de Markthal in Rotterdam. Voorafgaand aan de levering heeft de verdachte een van de mannen ontmoet bij hem thuis en bij een Turks restaurant in Rotterdam om over de levering te spreken. De naam van de man was [naam] en hij kwam uit België. Het was een man met een Turkse achtergrond. Hij handelde vanuit een bedrijf genaamd [naam bedrijf 4] . Het is de verdachte onbekend in welke plaats het bedrijf gevestigd is. De aanbetaling voor de levering

(€ 15.000,--) is door [naam] contant betaald aan de verdachte bij hem thuis. Voor wat betreft de levering heeft de verdachte verklaard dat [naam] hem een loods had toegewezen in Velsen-Noord. Verdachte heeft de spullen daar afgeleverd bij een Bulgaarse man. De dag daarna zou hij de rest van zijn geld krijgen, maar dat geld heeft hij niet ontvangen. De paracetamol zou doorgevoerd worden naar landen in Zuid-Amerika.

In de latere verhoren heeft de verdachte verklaard dat hij 4 à 5 keer stoffen als paracetamol, fenacetine en cafeïne heeft geleverd aan [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 5] (alleen cafeïne) en een bedrijf in Eersel. Meer informatie heeft de verdachte niet verstrekt over zijn afnemers.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte zaken heeft gedaan met bedrijven/particulieren waar hij weinig van wist en waarvan het voor de verdachte in ieder geval niet is komen vast te staan dat het bedrijven betrof met een medische/farmaceutische achtergrond. Van een andere legale toepassing van de door de verdachte verhandelde stoffen is op geen enkele manier gebleken.

Ook kan worden vastgesteld dat de handel gepaard ging met een aanzienlijke cash geldstroom. De paracetamol, cafeïne en fenacetine zijn besteld door de onderneming van de verdachte genaamd [naam bedrijf 6] (hierna: [naam bedrijf 6] ).

Uit onderzoek naar de bankrekening van [naam bedrijf 6] volgt dat het startsaldo op 18 juli 2017

€ 0,00 bedroeg en het saldo op 29 juni 2018 € 293,14. In de tussenliggende periode zijn er 7

overschrijvingen gedaan naar [naam bedrijf 1] van in totaal ongeveer € 75.000 en 12 overschrijvingen

naar [naam bedrijf 2] van totaal ongeveer € 103.000. Daar tegenover staan enkel kasstortingen van in

totaal € 142.980,00. Een en ander ondersteunt de verklaring van de verdachte dat zijn

afnemers cash aan hem betaalden. De verdachte heeft verklaard dat dit niet ongebruikelijk

is. De rechtbank is echter van oordeel dat een vrijwel uitsluitend contante geldstroom bij een legale handel in medicijnen een hoogst ongebruikelijke gang van zaken is en dat de verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest. Uit de boekhouding van de verdachte volgt ten slotte dat de handel in de betreffende stoffen de exclusieve bezigheid was van de onderneming. De verdachte heeft aanvankelijk ook verklaard dat hij de onderneming met dit doel heeft opgericht.

Ten aanzien van de vraag of de verdachte wetenschap had, al dan niet in voorwaardelijke zin, omtrent de bestemming van de door hem verhandelde stoffen overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet van 4 september 1985 tot nadere wijziging van de Opiumwet (Stb. 1985,495) ter verruiming van het verkrijgen van bewijs in het kader van de Opiumwet, is als zelfstandig misdrijf strafbaar gesteld “handelingen welke beogen de handel in heroïne en andere drugs met onaanvaardbaar risico voor te bereiden of te bevorderen”.

De bedoeling van de wetgever met het ontwerpen van artikel 10a Opiumwet was (aldus AG Machielse t.g.v. HR 08-10-2002, 01678/01) om beter grip te krijgen op de winstgevende handel in harddrugs. De wetgever heeft daarom in artikel 10a Opiumwet voorbereidings-handelingen ten aanzien van een zeer ruim arsenaal aan zaken strafbaar willen stellen.

Het gaat, aldus de Memorie van Toelichting, in artikel 10a, eerste lid onder 3o van de Opiumwet om stoffen waarvan een verdachte weet, of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, dan wel niet of nauwelijks voor een ander doel kunnen worden toegepast. Die bestemming zal uit alle ter zake relevante omstandigheden kunnen worden afgeleid.

In dit verband overweegt de rechtbank dat – hoewel de stoffen paracetamol en cafeïne ook legale toepassingen hebben – het volgens de jurisprudentie ter zake een feit van algemene bekendheid is dat middelen als paracetamol en cafeïne, al dan niet vermengd met kleurstof, een veel gezien versnijdingsmiddel zijn voor heroïne.

Het is tevens een feit van algemene bekendheid dat de stof fenacetine al jaren geen legale bestemming meer heeft en slechts nog gebruikt wordt als versnijdingsmiddel voor verdovende middelen.

Zoals hiervoor overwogen staat vast dat de verdachte over een periode van ruim een jaar grote hoeveelheden van deze stoffen heeft betrokken bij diverse bedrijven in het buitenland. De verdachte heeft de paracetamol, cafeïne en fenacetine vervolgens geleverd aan afnemers waarvan hij niet of onvoldoende heeft vastgesteld waar de afnemers gevestigd waren en/of welke bedrijfsactiviteiten werden ontplooid en/of waar de stoffen voor werden gebruikt.

Zoals hiervoor reeds overwogen vonden de betalingen door de afnemers cash plaats.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, door aldus te handelen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de stoffen gebruikt werden bij de productie en het versnijden van cocaïne en heroïne.

Ten aanzien van feit 2

Vaststaat dat de verdachte de stoffen paracetamol en fenacetine in de hoeveelheden zoals opgenomen in de tenlastelegging heeft ingevoerd en verhandeld terwijl tevens vaststaat dat de verdachte niet beschikte over de voor die handelingen vereiste registratie. Aldus is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de Geneesmiddelenwet.

4.2.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 11 juli 2017 tot en met 9 oktober 2018 te

Rotterdam en/of Alblasserdam en/of Velsen-Noord (gemeente Velsen) en/of

Barendrecht,

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, van een hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne

en/of cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte

- een hoeveelheid van 5250 kilogram cafeïne en 3500 kilogram Fenacetine en 12.600 kilogram

paracetamol en 2000 kilogram paracetamol (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of

verwerken van heroïne en/of cocaïne) besteld en/of ingekocht en/of vervoerd

en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen en

- een hoeveelheid van 5250 kilogram cafeïne en 3500 kilogram Fenacetine en 12.600 kilogram

paracetamol en 2000 kilogram paracetamol vervoerd naar en verkocht aan een of meer (onbekend

gebleven) personen;

en

2.

in de periode van 11 juli 2017 tot en met 9 oktober 2018

te Rotterdam en/of Alblasserdam en/of Velsen-Noord (gemeente Velsen) en/of

Barendrecht, althans in Nederland zonder registratie

werkzame stoffen, te weten:

- een hoeveelheid van 12.600 kilogram paracetamol en

- een hoeveelheid van 2000 kilogram paracetamol en

- een hoeveelheid van 3500 kilogram Fenacetine,

heeft ingevoerd, en verhandeld.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

De voortgezette handeling van:

1

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

en

2.

begaan van de overtreding van artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet,

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat aan de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het tweede bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft bij de daartoe bevoegde instantie een vergunningsaanvraag ingediend en hij heeft deze vergunning ook verkregen. De verdachte had geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vergunning en heeft daaromtrent verontschuldigbaar gedwaald.

6.2.

Beoordeling

Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (vgl. HR 23 mei 1995, NJ 1995, 631). Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde, dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd onvoldoende is voor een geslaagd beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling. De registratie die aan de verdachte per 12 juli 2017 is verstrekt vermeldt immers duidelijk:

‘bemiddeling van aankoop en verkoop van geneesmiddelen’.

Vastgesteld is dat de verdachte veel meer deed dan bemiddelen. Hij kocht de geneesmiddelen niet alleen in, maar voerde deze vervolgens ook zelf vanuit het buitenland in binnen het Nederlandse grondgebied, sloeg deze op en verkocht ze vervolgens weer.

De rechtbank verwerpt het verweer.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen voor het bereiden, bewerken en verwerken van heroïne en cocaïne. Hij heeft gehandeld in grote hoeveelheden paracetamol, fenacetine en cafeïne, stoffen die worden gebruikt als versnijdingsmiddel voor hard drugs. Heroïne en cocaïne zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. Door het gebruik van deze harddrugs wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, variërend van lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit zoals geweldsmisdrijven en misdrijven die een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Verdachte heeft zich hier niets van aangetrokken. Hij heeft zich bij zijn handelen kennelijk laten leiden door zijn eigen financiële gewin, ten koste van anderen.

Daarnaast heeft de verdachte zich in dezelfde periode en met hetzelfde feitelijk handelen ook schuldig gemaakt aan het in strijd met het bepaalde in de Geneesmiddelenwet invoeren en verhandelen van bedoelde stoffen zonder de daartoe benodigde registratie.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

2 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten en gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte te volstaan met een taakstraf, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet hiervoor gelet op de ernst van het hiervoor bedoelde feit geen aanleiding.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor dergelijke feiten met justitie in aanraking is geweest wel aanleiding om een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd 80 tonnen à 25 kilo paracetamol te onttrekken aan het verkeer.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

8.3.

Beoordeling

De in beslag genomen tonnen met paracetamol (80 stuks) zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet of met het algemeen belang.

De bewezen feiten zijn met betrekking tot voornoemd voorwerpen begaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36b, 36c, 56 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- artikel 10a van de Opiumwet;

- artikel 38 van de Geneesmiddelenwet;

- de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten.

10 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, te weten 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer:

80 tonnen à 25 kilo paracetamol.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

mr. D.L. Spierings en mr. R.J. Verbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2017 tot en met 9 oktober 2018 te

Rotterdam en/of Alblasserdam en/of Velsen-Noord (gemeente Velsen) en/of

Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van een hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne

en/of cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer) van zijn medeverdachte(n),

- een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van 5250 kilogram cafeïne en/of 1000

kilogram cafeïne en/of 3500 kilogram Fenacetine en/of 12.600 kilogram

paracetamol en/of 2000 kilogram paracetamol en/of (andere)

(versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of

verwerken van heroïne en/of cocaïne) besteld en/of ingekocht en/of vervoerd

en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen en/of

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen

gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, betreffende de wijze waarop

die paracetamol en/of Fenacetine en/of cafeïne en/of die (andere)

(versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of

verwerken van heroïne en/of cocaïne) zouden/konden worden besteld en/of

gekocht en/of vervoerd en/of verkocht en/of geleverd en/of verstrekt en/of

gebruikt en/of vermengd en/of

- een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van 5250 kilogram cafeïne en/of 1000

kilogram cafeïne en/of 3500 kilogram Fenacetine en/of 12.600 kilogram

paracetamol en/of 2000 kilogram paracetamol en/of (andere)

(versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of

verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd naar en/of verkocht en/of

verstrekt en/of overgedragen aan U. Tatli en/of een of meer andere (onbekend

gebleven) personen;

en/of

op in of omstreeks de periode van 11 juli 2017 tot en met 9 oktober 2018

te Rotterdam en/of Alblasserdam en/of Velsen-Noord (gemeente Velsen) en/of

Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder registratie

werkzame stoffen, te weten:

- een hoeveelheid van 12.600 kilogram paracetamol en/of

- een hoeveelheid van 2000 kilogram paracetamol en/of

- een hoeveelheid van 3500 kilogram Fenacetine,

heeft bereid, ingevoerd, afgeleverd, uitgevoerd en/of verhandeld.