Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8159

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
NL19.17048
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Nieuwe werkwijze indienen herhaalde asielaanvragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.17048


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).


Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.17048, plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft een ‘kennisgevingsformulier tweede of volgende asielaanvraag’ van eiseres ontvangen. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2098) is het bij verweerder indienen van dit kennisgevingsformulier een (asiel)aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat die aanvraag wellicht niet volledig is, doet daaraan, gelet op artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, niet af.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet, ook niet nadat zij daartoe in het voornemen gedurende een week alsnog in de gelegenheid was gesteld, heeft voldaan aan het in artikel 3.108, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) neergelegde wettelijk voorschrift dat de asielaanvraag in persoon wordt ingediend op een door verweerder te bepalen plaats.

3. Eiseres betoogt dat verweerder haar aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld.

3.1.

Naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is de procedure voor het indienen van herhaalde asielaanvragen met ingang van 1 juli 2019 veranderd. Opnieuw asiel aanvragen moet vanaf dat moment in persoon bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Daarbij dient een ingevuld ‘aanvraagformulier tweede of volgende asielaanvraag’ te worden ingeleverd. Dit nieuwe aanvraagformulier vermeldt onder meer dat, indien de aanvraag niet in persoon bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Ter Apel wordt gedaan, de asielzoeker een voornemen ontvangt waarin staat dat hij zich alsnog binnen een week in persoon bij het aanmeldcentrum in Ter Apel moet melden. Indien hij dit niet doet, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld, aldus de toelichting op het aanvraagformulier.

Tot 1 juli 2019 diende een herhaalde asielwens bij verweerder kenbaar te worden gemaakt met het ‘kennisgevingsformulier tweede of volgende asielaanvraag’, dat over de post moest worden verzonden aan de IND. Na ontvangst van dit formulier werd de asielzoeker door de IND uitgenodigd om zich op een aanmeldcentrum (Den Bosch, Ter Apel of Zevenaar) te melden. In de uitnodiging stond waar en wanneer de aanvraag moest worden ingediend.

3.2.

Het door eiseres aan de IND toegezonden ‘kennisgevingsformulier tweede of volgende asielaanvraag’ vermeldt als datum van ondertekening 28 juni 2019. Volgens de daarop geplaatste ontvangststempel heeft verweerder dit formulier op maandag 1 juli 2019 ontvangen. Eiseres betoogt onder verwijzing naar informatie over de postbezorging door PostNL evenwel dat verweerder het formulier reeds op zaterdag 29 juni 2019 moet hebben ontvangen. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat de IND en PostNL een zakelijk contract hebben, waarbij alleen van maandag tot en met vrijdag post wordt bezorgd.

3.3.

Voor zover eiseres moet worden gevolgd in haar betoog dat het kennisgevingsformulier op zaterdag 29 juni 2019 bij de IND is bezorgd, kan dit haar niet baten. Daargelaten of het gelet op deze datum van bezorging in de rede had gelegen dat de IND eiseres volgens de oude werkwijze had uitgenodigd om zich op een aanmeldcentrum te melden voor het indienen van de aanvraag, had eiseres ook in dat geval moeten voldoen aan het in artikel 3.108, eerste lid, van het Vb neergelegde wettelijk voorschrift dat de asielaanvraag in persoon wordt ingediend op een door verweerder te bepalen plaats. De met ingang van 1 juli 2019 gevolgde werkwijze heeft alleen tot gevolg dat eiseres thans in een voornemen tot buitenbehandelingstelling van haar aanvraag in de gelegenheid is gesteld binnen één week alsnog aan dit wettelijk voorschrift te voldoen op het aanmeldcentrum in Ter Apel. Daardoor is eiseres niet in haar belangen geschaad.

3.4.

Gezien het voorgaande en nu niet in geschil is dat eiseres niet heeft voldaan aan het in artikel 3.108, eerste lid, van het Vb neergelegde wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van haar asielaanvraag, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiseres ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld.

De enkele stelling van eiseres dat haar minderjarige dochter sinds kort in Amersfoort naar school gaat en dat het voor haar en haar dochter niet haalbaar is om in persoon naar Ter Apel te reizen en haar aanvraag in persoon in te dienen, leidt reeds bij gebrek aan iedere onderbouwing niet tot een ander oordeel. Overigens heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat van minderjarigen niet wordt verwacht dat zij in persoon verschijnen op het aanmeldcentrum.

3.5.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.F.J. van Beek, griffier.

griffier rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 13 augustus 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.