Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8158

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
21-10-2019
Zaaknummer
ROT 18/3227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wwft. Boete omdat niet is voldaan aan de monitoringsverplichting, geen verscherpt cliëntenonderzoek is verricht en is verzuimd ongebruikelijke transacties te melden. Ten onrechte ongunstiger boetebeleid van na de overtredingen toegepast. Matiging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/3227

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2019 in de zaak tussen

[Eiseres], gevestigd te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigden: mr. P.J. Draijer en mr. G.J.M.E. de Bont,

en

het Bureau Financieel Toezicht, verweerder (BFT),

gemachtigde: mr. W.F.C. Vogel.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2017 (het primaire besluit) heeft het BFT aan [eiseres] een bestuurlijke boete van € 50.000,- opgelegd.

Bij besluit van 8 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft het BFT het daartegen door [eiseres] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het BFT heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 18 juli 2019 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Namens [eiseres] is verschenen haar gemachtigde Draijer, vergezeld door [naam] en [naam], beiden werkzaam bij [eiseres]. Het BFT is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde en G.L. Mooij, beiden werkzaam bij het BFT.

Overwegingen

Inleiding

1.1. [

eiseres] is een middelgrote organisatie op het gebied van accountancy en juridische en fiscale advisering. Vanuit [aantal] vestigingen worden door ongeveer [aantal] medewerkers diensten verleend aan klanten.

1.2.

Op 21 juni 2016 hebben toezichthouders van het BFT op het kantoor van [eiseres] te [plaatsnaam] een onderzoek verricht naar de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door [eiseres]. Aanleiding voor dit onderzoek was een melding van de politie aan het BFT over een cliënt van [eiseres] (cliënt 1) die werd verdacht van het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid contant geld die zou zijn verkregen door hennepteelt. Ook was aanleiding voor dit onderzoek een ‘Meld Misdaad Anoniem’ melding over een andere cliënt van [eiseres] (cliënt 2), wiens onderneming in 2014 een hypothecaire lening heeft verstrekt aan een ondernemer bij wie eind 2015 een grote hennepplantage is aangetroffen.

1.3.

Uit het onderzoek is volgens het BFT naar voren gekomen dat [eiseres] in het dossier van cliënt 1 niet heeft voldaan aan de monitoringsverplichting van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en ten onrechte geen verscherpt cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 8 van deze wet heeft verricht. Verder heeft [eiseres] volgens het BFT in dit dossier verzuimd ongebruikelijke transacties als bedoeld in artikel 16 van de Wwft (tijdig) te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid. In het dossier van cliënt 2 heeft het BFT geen overtredingen van de Wwft geconstateerd.

Boete voor overtreding van artikel 3, 8 en 16 van de Wwft

2. Na op 30 oktober 2017 het voornemen daartoe aan [eiseres] kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de zienswijze van [eiseres] daarop, heeft het BFT wegens voormelde overtredingen aan [eiseres] bij het primaire besluit een bestuurlijke boete van € 50.000,- opgelegd. Bij het bestreden besluit heeft het BFT het daartegen door [eiseres] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Cliëntenonderzoek (artikel 3 en 8 van de Wwft)

3. [ eiseres] betoogt dat het BFT ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij in het dossier van cliënt 1 de monitoringsverplichting heeft geschonden en dat er een plicht bestond tot het uitvoeren van een verscherpt cliëntenonderzoek in dit dossier. Voor zover de verplichting tot een dergelijk onderzoek wel bestond, heeft [eiseres] daaraan voldaan.

3.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wwft verricht een instelling ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme cliëntenonderzoek.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder d, van dit artikel stelt het cliëntenonderzoek de instelling in staat om een voortdurende controle op de zakelijke relatie en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties uit te oefenen, teneinde te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en diens risicoprofiel, met zo nodig een onderzoek naar de bron van de middelen die bij de zakelijke relatie of de transactie gebruikt worden.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wwft verricht een instelling, in aanvulling op artikel 3, tweede tot en met vierde lid, verscherpt cliëntenonderzoek in ten minste de volgende gevallen:

a. indien de zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengt;

(…).

Op basis van artikel 15, eerste lid, van de Wwft zijn in het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Uitvoeringsbesluit Wwft), zoals dit gold ten tijde van belang, indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie dient te worden aangemerkt als een ‘ongebruikelijke transactie’. In de bijlage bij het Uitvoeringsbesluit Wwft is de volgende indicator vastgesteld: “een transactie waarbij de instelling aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen of financieren van terrorisme”.

Als hulpmiddel om te bepalen of hiervan sprake is, heeft het BFT de Specifieke leidraad naleving WWFT voor accountants, belastingadviseurs, administratiekantoren en alle overige instellingen zoals genoemd in artikel 1, lid 1, letter a, sub 11, 12, 13 en 23 WWFT (Leidraad) opgesteld. In bijlage 1 van de Leidraad van 15 juli 2014 zijn voorbeelden opgenomen waarmee is beoogd instellingen een handreiking te geven hoe zij ongebruikelijke transacties kunnen herkennen. Het betreft onder meer de volgende voorbeelden:

D Transacties m.b.t. de dienstverlening of opdracht na aangaan van de betrekking

2. Transacties die door hun omvang, aard, frequentie of uitvoering ongebruikelijk zijn.

3. De cliënt, de tussenpersoon of derde is niet dan na zware aandrang bereid de gevraagde informatie, bijvoorbeeld over de herkomst van gelden, te verschaffen.

E Transacties m.b.t. het financiële verkeer

1. De cliënt heeft voorkeur voor activa die geen sporen achterlaten, zoals contant geld, toonderpapier, toonderpolissen.

3. Het betaalverkeer vertoont een ongebruikelijk patroon. De gelden waarover de cliënt beschikt zijn afkomstig uit onduidelijke bronnen of de door de cliënt aangegeven bronnen zijn onwaarschijnlijk of onvoldoende gedocumenteerd.

J Belastingadviseurs, openbare accountants, administratiekantoren, bedrijfseconomische adviseurs

2. Er is een onverklaarbare discrepantie tussen geld en goederenstroom. Een cliënt behaalt ongebruikelijk hoge omzetten en/of winsten, waarvan niet duidelijk is met welke activiteiten deze samenhangen.

3.2.

Het BFT heeft zich onder verwijzing naar de voorbeelden D2, D3, E1, E3 en J2 uit bijlage 1 van de Leidraad op het standpunt gesteld dat [eiseres], gezien een op 23 oktober 2014 van de voormalige accountant van cliënt 1 ontvangen e-mail, ten onrechte niet heeft onderkend dat in het geval van deze cliënt sprake was van een verhoogd risico op witwassen en dat een verscherpt cliëntenonderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wwft had moeten plaatsvinden. In deze e-mail heeft de voormalige accountant het volgende opgemerkt: “Nog even voor de goede orde: op vraagstellingen werd veelal onduidelijke beantwoording ontvangen. Als voorbeeld de negatieve kas: onbekende stortingen die naar zeggen uit privé voortkwamen”. Het BFT heeft zich op het standpunt gesteld dat deze e-mail aanleiding had moeten vormen voor onderzoek naar de herkomst van de middelen van deze cliënt.

3.3.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van het BFT dat [eiseres] in deze opmerking van de voormalige accountant van cliënt 1 aanleiding had moeten zien voor verder onderzoek en dat [eiseres] door dat onderzoek niet te verrichten niet heeft voldaan aan artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft en artikel 8 van deze wet. Dat het naar [eiseres] stelt wel vaker voorkomt dat een dienstverlener niet is te spreken over een voormalige cliënt en dat cliënt 1 bij het aangaan van de relatie op vragen van [eiseres] juist veelal duidelijk antwoord gaf, betekent niet dat deze opmerking van de voormalige accountant van cliënt 1 niet serieus hoefde te worden genomen. Overigens ziet de monitoringsverplichting van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwft op een voortdurende controle op de zakelijke relatie en is ter zitting gebleken dat de bij het aangaan van de relatie door cliënt 1 verstrekte informatie met name betrekking had op zijn persoonlijke (leef)omstandigheden en de door hem gewenste (advies)werkzaamheden. Hieruit volgt niet dat er geen onduidelijkheid meer bestond over de herkomst van de onder 3.2 bedoelde middelen van cliënt 1. Ook de ter zitting door [eiseres] naar voren gebrachte stelling dat de opmerking in de e-mail wellicht over het hoofd is gezien, kan [eiseres] niet baten. Voor zover dit al het geval zou zijn, komt dit voor rekening en risico van [eiseres] en kan dit haar niet vrijpleiten van de schending van de monitoringsverplichting en de verplichting een verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten. Dat [eiseres], ondanks dat zij van mening is dat een verscherpt cliëntenonderzoek niet was aangewezen, wel aan de verplichting daartoe heeft voldaan, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Anders dan [eiseres] meent, is het voorhanden hebben van een uitgebreid intern handboek met procedures inzake de naleving van de Wwft daarvoor ontoereikend. Het gaat om de feitelijke invulling van die procedures. Daarin is [eiseres] in het dossier van cliënt 1 tekortgeschoten.

3.4.

Het betoog faalt.

Meldingsplicht (artikel 16 van de Wwft)

4. [eiseres] betoogt dat in het dossier van cliënt 1 op grond van de door het BFT genoemde signalen geen vermoeden van witwassen bestond en dat zij dus niet, zoals het BFT meent, een melding van ongebruikelijke transacties had moeten doen.

4.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wwft meldt een instelling een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan de Financiële inlichtingen eenheid.

4.2.

Het BFT heeft zich, nogmaals onder verwijzing naar voorbeelden D2, D3, E1, E3 en J2 uit bijlage 1 van de Leidraad, op het standpunt gesteld dat [eiseres] in door haar geboekte bankmutaties in de administratie van een eenmanszaak van cliënt 1, zeker in samenhang met de in 3.2 geciteerde opmerking van de voormalige accountant en het feit dat cliënt 1 een medewerker van [eiseres] in april 2015 heeft geïnformeerd over zijn hechtenis op verdenking van witwaspraktijken, aanleiding had moeten zien melding te maken van ongebruikelijke transacties. Uit deze door [eiseres] geboekte bankmutaties is gebleken dat in de administratie van de desbetreffende eenmanszaak in 2014 in totaal voor € 55.760,01 (inclusief omzetbelasting) aan contante ontvangsten van onbekende klanten is geboekt. Uit het dossier van [eiseres] is gebleken dat deze boekingen volgens cliënt 1 betrekking hebben op door hem verleende diensten in het kader van persoonsbeveiliging. Op de facturen, die door cliënt 1 zijn opgemaakt, is niet vermeld wie de opdrachtgever is. Het te betalen bedrag werd door cliënt 1 naar eigen zeggen contant ontvangen en door hem direct gestort op de zakelijke bankrekening van zijn eenmanszaak.

4.3.

Met het BFT is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] gezien deze - door haar niet betwiste - feiten en omstandigheden aanleiding had moeten zien bij de Financiële inlichtingen eenheid melding te maken van ongebruikelijke transacties. Dat [eiseres] cliënt 1 over deze facturen en betalingen vragen heeft gesteld, waarop deze heeft geantwoord dat de facturen betrekking hebben op de beveiliging van personen, onder wie bekende artiesten die anoniem willen blijven en dat hij voor deze wijze van handelen toestemming heeft gekregen van de Belastingdienst, kan [eiseres] niet baten. Anders dan [eiseres] stelt, heeft cliënt 1 daarmee geen plausibele verklaring gegeven voor de facturen en contante betalingen. Nu bovendien de door [eiseres] verzochte correspondentie met de Belastingdienst over deze toestemming ook na een aantal gestelde rappels niet aan haar is overhandigd door cliënt 1, had [eiseres] alle aanleiding om te veronderstellen dat de transacties verband kunnen houden met witwassen. Zij had het ongebruikelijke karakter van deze transacties dan ook moeten onderkennen en daarvan onverwijld melding moeten maken bij de Financiële inlichtingen eenheid. Dit geldt te meer gezien de opmerking van de voormalige accountant van cliënt 1 in zijn e-mail van 23 oktober 2014 en de bekendheid van [eiseres] met de hechtenis van cliënt 1 wegens witwaspraktijken. Daaraan doet niet af dat [eiseres] naar eigen zeggen pas bekend is geworden met deze hechtenis toen de zakelijke relatie met cliënt 1 reeds was beëindigd. Daargelaten of dit aannemelijk is, geldt ook dan dat sprake is van ongebruikelijke transacties die gemeld hadden moeten worden.

4.4.

Het betoog faalt.

Toerekening en afwezigheid van alle schuld

5. Verder betoogt [eiseres] dat eventuele overtredingen van de Wwft niet aan haar kunnen worden toegerekend dan wel dat haar geen verwijt valt te maken van die overtredingen, nu zij niet tekort is geschoten in de op haar rustende inspanningsverplichting om ervoor zorg te dragen dat haar medewerkers voldoen aan de in de Wwft neergelegde verplichtingen. [eiseres] wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003 (het Drijfmest-arrest, ECLI:NL:HR:2003:AF7938).

5.1.

Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 juni 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:200), is voor het kunnen toerekenen van een overtreding van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon van belang of de gedraging die de overtreding oplevert heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hierbij zijn van belang de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de gedraging.

De Hoge Raad heeft in het Drijfmest-arrest in dit verband het volgende overwogen:

“Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.”

5.2.

Anders dan [eiseres] meent, is niet doorslaggevend of zij de zorg heeft betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedragingen die de overtreding hebben opgeleverd. Dat is slechts een van de omstandigheden die bij de beoordeling van de toerekening in aanmerking kan worden genomen. Niet in geschil is dat het in dit geval gaat om een nalaten van iemand die werkzaam was ten behoeve van [eiseres] en dat het (wel) verrichten van de wettelijk verplichte gedragingen behoort te passen en volgens [eiseres] ook past in haar normale bedrijfsvoering. Reeds hierom is sprake van gedragingen die hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [eiseres] en kunnen die gedragingen aan haar worden toegerekend (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5349). Voor het oordeel dat de overtredingen niet verwijtbaar zijn, bestaat dan ook geen grond.

5.3.

Het betoog faalt.

Gelijkheidsbeginsel
6. Voorts betoogt [eiseres] dat haar situatie gelijk is aan die van het administratiekantoor van de voormalige accountant van cliënt 1, zodat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel is om alleen haar te beboeten.

6.1.

Ook dit betoog faalt. Ter zitting heeft het BFT desgevraagd meegedeeld dat bij dit administratiekantoor, dat in de periode medio 2011 tot medio 2013 werkzaamheden voor cliënt 1 heeft verricht, een onderzoek heeft plaatsgevonden. De uitkomst daarvan was dat dit kantoor een waarschuwing is gegeven in verband met overtreding van artikel 3 en 33 van de Wwft en een aanwijzing over het opstellen van interne procedures en controles. Het is dus niet zo dat de voormalige accountant van cliënt 1 door het BFT ongemoeid is gelaten. Nu dit onderzoek op een andere periode en dus ook op andere transacties zag dan het onderzoek bij [eiseres], bestaat onvoldoende grond om van gelijke gevallen te spreken of het BFT te verzoeken meer specifieke informatie over het betreffende onderzoek over te leggen.

Boetehoogte

7. [eiseres] betoogt dat de boete te hoog is.

7.1.

Desgevraagd heeft het BFT meegedeeld dat hij het boetebeleid dat thans is gepubliceerd op zijn website als uitgangspunt heeft genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete. Het BFT hanteert het boetebeleid dat geldt ten tijde van de besluitvorming. Wanneer de overtredingen hebben plaatsgevonden, is volgens het BFT niet bepalend. Wanneer de boetehoogte zou zijn bepaald aan de hand van de uitgangspunten die werden gehanteerd ten tijde van de overtredingen, was volgens het BFT in beginsel een boete tussen € 7.500,- en € 10.000,- opgelegd.

7.2.

Op grond van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, worden bij verandering in wetgeving na het tijdstip waarop de overtreding is begaan de voor de overtreder gunstigste bepalingen toegepast. Het begrip wetgeving heeft in deze context, anders dan het BFT meent, ook betrekking op beleidsregels en op een vaste gedragslijn die niet is neergelegd in een beleidsregel in de zin van de Awb. Zou dit anders zijn, dan zou de boete door een latere beleidswijziging ten nadele van de overtreder hoger kunnen uitvallen wanneer de overtreding pas na de beleidswijziging bekend wordt bij de toezichthouder of pas na die wijziging wordt bestraft. Dit verdraagt zich niet met het feit dat bij het beslissen over de boete moet worden uitgegaan van het meest gunstige resultaat voor de overtreder, ook als de boetehoogte wordt vastgesteld aan de hand van een beleidsregel (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2919). Ook uit de uitspraak van 4 november 2015 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2015:3363) volgt dat het in overeenstemming is met het in het vierde lid van artikel 5:46 van de Awb besloten liggende lex mitior-beginsel om bij verandering van regels van sanctierecht het voor de overtreder meest gunstige recht toe te passen. Het is dan ook niet in overeenstemming met de strekking van deze bepaling om, zoals het BFT blijkbaar doet, te aanvaarden dat een wijziging van de boeteberekening niet mag worden toegepast ten nadele van de overtreder als deze in een wet is vastgelegd, maar wel als deze in een beleidsregel of vaste gedragslijn wordt neergelegd. Een dergelijk onderscheid is ook overigens niet te rechtvaardigen, nu in materieel opzicht sprake is van identieke situaties. Nu dit voor [eiseres] tot een gunstiger resultaat leidt, had het BFT de boetehoogte dan ook moeten vaststellen aan de hand van de uitgangspunten die door hem werden gehanteerd ten tijde van de overtredingen van de Wwft door [eiseres]. Dat deze uitgangspunten destijds niet gepubliceerd waren en dus geen sprake was van beleidsregels, laat onverlet dat sprake is van een vaste gedragslijn die door het BFT werd gehanteerd bij het opleggen van boetes en dat de aan [eiseres] opgelegde boete aanzienlijk lager zou zijn uitgevallen bij toepassing daarvan. De rechtbank ziet hierin grond voor het oordeel dat een matiging van de aan [eiseres] opgelegde bestuurlijke boete tot € 7.500,- passend en geboden is, de ondergrens van de door het BFT genoemde bandbreedte. Het BFT heeft niet aannemelijk gemaakt dat de boete hoger was vastgesteld bij toepassing van de gedragslijn die het BFT volgde ten tijde van de overtredingen. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat een boete van een andere hoogte moet worden opgelegd.

7.3.

Het betoog slaagt.

Redelijke termijn

8. Tot slot faalt het betoog van [eiseres] dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

8.1.

De redelijke termijn begint op het moment dat het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting mag ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zal opleggen. Als een zodanige - met het instellen van strafvervolging vergelijkbare - handeling moet het boetevoornemen van 30 oktober 2017 worden aangemerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding om van een ander beginmoment uit te gaan. Anders dan [eiseres] ter zitting ongemotiveerd heeft gesteld, is de aanvang van het onderzoek in 2016 niet aan te merken als handeling als hiervoor bedoeld.

8.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval als uitgangspunt worden gehanteerd dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechterlijke beoordeling in eerste aanleg niet is afgerond binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat de procedure die tot deze uitspraak heeft geleid gerekend vanaf het boetevoornemen minder dan twee jaar heeft geduurd. Van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is derhalve geen sprake.

Conclusie

9. Uit 7.2 volgt dat het beroep van [eiseres] gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit voor zover dat ziet op de boetehoogte vernietigen wegens strijd met het in deze zaak toe te passen boetebeleid van het BFT. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien door de boetehoogte vast te stellen op € 7.500,-.

Griffierecht en proceskosten

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het BFT het door [eiseres] betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

11. De rechtbank veroordeelt het BFT in de door [eiseres] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.304,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en wegingsfactor 1,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de boetehoogte;

- verklaart het bezwaar van [eiseres] gegrond, herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de boetehoogte, stelt de boetehoogte vast op € 7.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- bepaalt dat het BFT aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht van € 338,-vergoedt;

- veroordeelt het BFT in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 2.304,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. A.J. van Spengen en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.