Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Bestuurlijke lus. Verweerder heeft de termijn ongebruikt laten verstrijken. Opdracht om nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/5210

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Kwant.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 19 juli 2019 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

In haar tussenuitspraak van 19 juli 2019 heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit gebreken bevat. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen.

Verweerder heeft de in de tussenuitspraak genoemde termijn van acht weken ongebruikt laten verstrijken.

De rechtbank heeft vervolgens, met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1. Nu verweerder de in de tussenuitspraak genoemde termijn van acht weken ongebruikt heeft laten verstrijken, zal de rechtbank thans uitspraak doen op het beroep.

2. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase en mist het bestreden besluit een deugdelijke motivering. Het beroep is dus gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

3. De rechtbank ziet aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verweerder dient hierbij, uitgaande van de conclusie van de psychiater dat bij eiser sprake is van een depressieve stoornis in langdurige volledige remissie, de volgende aanwijzingen in acht te nemen. Het eventueel verbinden van een termijnbeperking aan de geschiktheidsverklaring kan niet enkel worden gebaseerd op paragraaf 8.3.1 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 (zie ook punt 7.4 van de tussenuitspraak). Verweerder dient de motivering van een eventuele termijnbeperking op de persoon van eiser toe te spitsen (zie ook punt 8.4 van de tussenuitspraak).

4. Verweerder dient binnen acht weken na verzending van deze uitspraak aan deze opdracht te voldoen.

5. De rechtbank zal bepalen dat verweerder, zolang hij niet aan deze opdracht voldoet, een dwangsom verbeurt van € 250,-- per week, met een maximum van € 10.000,--.

6. Voorafgaand aan het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder eiser in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.

7. De diverse verzoeken van eiser om schadevergoeding zullen worden afgewezen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. De verzoeken om schadevergoeding in het beroepschrift (pagina 4) zijn gedaan voor het geval de rechtbank zal oordelen dat eiser ‘rijgeschikt is zonder beperking’. Aan deze voorwaarde is niet voldaan, omdat het aan verweerder zelf is om hierover een oordeel te geven, met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank in deze uitspraak. Ook het verzoek om schadevergoeding in de brief van 9 september 2019 komt niet voor toewijzing in aanmerking. Eiser heeft gesteld dat hij schade lijdt of heeft geleden doordat hij door een fout in de systemen van verweerder geen rijlessen heeft kunnen volgen. De gestelde schade is dus niet het gevolg van het besluit van verweerder om aan de geschiktheidsverklaring een termijnbeperking te verbinden. Dit besluit stond immers op zichzelf niet aan het volgen van lessen door eiser in de weg. Hier komt bij dat de onrechtmatigheid van dit besluit in deze procedure niet is komen vast te staan. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb.

8. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiser heeft op het ‘formulier proceskosten’ ingevuld dat [naam] , werkzaam voor ‘Juridisch Advies Rotterdam’, als zijn gemachtigde heeft opgetreden. Uit het dossier blijkt dat het om de partner van eiser gaat. Eiser heeft niet toegelicht of met bewijsstukken onderbouwd dat zij inderdaad beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. De rechtbank acht dit daarom niet aannemelijk. De door verweerder te betalen proceskostenvergoeding blijft daarom beperkt tot een bedrag van € 6,04 aan reiskosten van eiser, berekend aan de hand van de kosten van het openbaar vervoer.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder, zolang hij niet aan deze opdracht voldoet, een dwangsom verbeurt van € 250,-- per week, met een maximum van € 10.000,--;

- wijst de verzoeken van eiser om schadevergoeding af;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 170,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 6,04.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzitter, en mr. M.A.C. Prins en mr. A.S. Flikweert, leden, in aanwezigheid van S. Vahabi Barzi, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 oktober 2019.

De griffier is verhinderd voorzitter

deze uitspraak mede te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en tegen de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.