Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:807

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
C/10/564568 / KG ZA 18-1344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot wedertewerkstelling. Werkgever hoeft in de gegeven omstandigheden werknemer niet in de gelegenheid te stellen de overeengekomen arbeid te verrichten. Belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/564568 / KG ZA 18-1344

Vonnis in kort geding van 5 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. J.D. de Rooij te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaten mrs. P.J. Huys en R. van der Stap te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Havenbedrijf worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 januari 2019, met producties 1 tot en met 22;

  • -

    een aanvullende productie van [eiser] ;

  • -

    de producties 1 en 2 van het Havenbedrijf;

  • -

    de mondelinge behandeling op 24 januari 2019;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van het Havenbedrijf.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Het Havenbedrijf heeft de voorzieningenrechter op de zitting verzocht om de behandeling van deze zaak aan te houden, dan wel niet eerder vonnis te wijzen dan nadat de kantonrechter beschikking heeft gewezen in de door het Havenbedrijf aanhangig gemaakte ontbindingsprocedure en de voorzieningenrechter kennis heeft genomen van die beschikking. [eiser] heeft zich hiertegen verzet. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot aanhouding afwijzen, omdat onvoldoende aanleiding tot aanhouding bestaat.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is werkzaam bij het Havenbedrijf. Hij is daar op 20 november 2000 begonnen als uitzendkracht. Op 1 april 2001 is hij direct bij het Havenbedrijf in dienst getreden. Hij werkt op de afdeling Digital & Information Technology. Zijn functie is (sinds 2007) ‘ [naam functie] ’ (tot voor kort contractmanager genoemd).

2.2.

Op 27 juni 2018 ontving Het Havenbedrijf een e-mailbericht van ING Bank N.V. (hierna: ING). ING had geconstateerd dat één van haar klanten, FMS Group B.V. (hierna: FMS), in totaal een bedrag van € 457.319,50 van het Havenbedrijf had ontvangen en had die klant gevraagd naar de titel voor de door het Havenbedrijf naar haar overgemaakte geldbedragen. FMS had ING daarop een inhuurovereenkomst toegezonden, welke overeenkomst ter verificatie door ING aan het Havenbedrijf is voorgelegd. Het Havenbedrijf heeft vervolgens een extern onderzoeksbureau opdracht gegeven om onderzoek te doen. Uit dat onderzoek is gebleken dat de inhuurovereenkomst is opgesteld door de toenmalige direct leidinggevende van [eiser] en dat de handtekeningen die onder de overeenkomst stonden vals waren. Het Havenbedrijf bleek (in de periode van eind 2016 tot en met het tweede kwartaal van 2018) dertien facturen van FMS te hebben betaald, zonder dat FMS hiervoor een tegenprestatie heeft geleverd.

2.3.

Omdat [eiser] degene was die de inkooporders had laten aanmaken en zogenoemde ‘SIF-nummers’ had afgegeven aan zijn toenmalige direct leidinggevende, op basis waarvan de facturen zijn betaald, is hij aangemerkt als betrokkene. Het onderzoeksbureau heeft hem in verband daarmee uitgenodigd voor een gesprek op 12 juli 2018.

2.4.

Direct na voornoemd gesprek heeft het Havenbedrijf [eiser] laten weten dat hij desgewenst kon worden vrijgesteld van zijn werkzaamheden. [eiser] heeft het Havenbedrijf te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van dat aanbod.

2.5.

Op 18 juli 2018 is [eiser] een tweede keer geïnterviewd.

2.6.

Op 23 juli 2018 heeft [eiser] een e-mail verzonden aan het Havenbedrijf, waarin hij – kort gezegd – zijn onvrede uit over de gang van zaken rondom het onderzoek en de wijze waarop hij stelt te worden behandeld, en waarin hij het Havenbedrijf te kennen geeft wat dit met hem doet.

2.7.

Op 24 juli 2018 hebben partijen met elkaar gesproken, in het bijzijn van hun advocaten. Het Havenbedrijf heeft [eiser] tijdens dat gesprek te kennen gegeven dat zij hem, in plaats van hem op non-actief te stellen, wil vrijstellen van zijn werkzaamheden, met behoud van salaris.

2.8.

Bij e-mailbericht van 24 juli 2018 heeft de advocaat van [eiser] de advocaat van het Havenbedrijf bericht dat [eiser] onder protest bereid is om akkoord te gaan met vrijstelling van werkzaamheden met behoud van salaris, onder de door hem genoemde voorwaarden.

2.9.

Bij e-mailbericht van 25 juli 2018 heeft de advocaat van het Havenbedrijf de advocaat van [eiser] bericht dat het Havenbedrijf niet akkoord gaat met vrijstelling onder voorwaarden en dat als [eiser] vasthoudt aan de door hem gestelde voorwaarden, het Havenbedrijf over zal gaan tot een (formele) non-actiefstelling, conform de toepasselijke cao.

2.10.

Bij e-mailbericht van 26 juli 2018 heeft de advocaat van [eiser] de advocaat van het Havenbedrijf bericht dat [eiser] alsnog, onder protest, akkoord gaat met vrijstelling van werkzaamheden.

2.11.

Op 27 juli 2018 heeft [eiser] zich ziekgemeld bij het hoofd van de afdeling Digital & Information Technology.

2.12.

Op 17 september 2018 heeft [eiser] zich beter gemeld.

2.13.

Op 8 oktober 2018 heeft het onderzoeksbureau een rapportage uitgebracht waarin haar bevindingen zijn weergegeven.

2.14.

Bij e-mailbericht van 24 oktober 2018 heeft de advocaat van het Havenbedrijf, vooruitlopend op een op 29 oktober 2018 gepland gesprek, de advocaat van [eiser] onder meer bericht:

Cliënte heeft gemeend om uw cliënt ter voorbereiding op het gesprek dit schrijven vooraf te doen toekomen, omdat zij op basis van het rapport van KPMG (‘Rapport’) en hetgeen cliënte de afgelopen periode ook zelf heeft geconstateerd, moet vaststellen dat een terugkeer van uw cliënt op de werkvloer niet meer aan de orde is. Wat cliënte betreft zal het bovengenoemde gesprek dan ook ten doel hebben om te onderzoeken of partijen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst in goed onderling overleg kunnen beëindigen. Cliënte licht een en ander toe.

(…)

Op grond van het Rapport stelt cliënte vast dat uw cliënt de taken en verantwoordelijkheden uit hoofde van zijn functie in ernstige mate heeft veronachtzaamd met alle schadelijke gevolgen voor cliënte van dien. Uw cliënt heeft – zonder ook maar enige vorm van controle – prestatieverklaringen afgegeven op grond waarvan de (valse) facturen van FMS Group B.V. (‘FMS’) door cliënte zijn betaald, terwijl FMS hiervoor geen enkele tegenprestatie heeft geleverd aan cliënte. Daarnaast heeft uw cliënt meerdere keren niet het reguliere proces gevolgd terzake het aanmaken van een aanvraag tot betaling (‘ATB’) FMS betreffende.

Van uw cliënt had cliënte – mede gezien zijn functieniveau en de verantwoordelijkheden die

zij hem uit dien hoofde heeft toevertrouwd — mogen verwachten dat hij kritischer zou zijn

geweest ten aanzien van de betreffende betalingen aan FMS, althans in ieder geval enige

vorm van controle had toegepast op deze betalingen. In plaats daarvan heeft uw cliënt

klakkeloos ATB’s en Purchase Orders (‘PO’s’) laten aanmaken en prestatieverklaringen afgegeven aan de heer [naam 1] . Cliënte acht dat – mede gegeven de gevolgen hiervan – ernstig verwijtbaar, ook gezien het feit uw cliënt verder nooit (voorlopige) PO’s of prestatieverklaringen heeft laten aanmaken op verzoek van [naam 1] , waarbij die vervolgens door [naam 1] aan de leverancier zelf (i.c. FMS) werden verstrekt.

Uit het Rapport volgt dat uw cliënt zich ‘verschuilt’ achter het feit dat [naam 1] zijn leidinggevende was en hij op verzoek van [naam 1] de verwijtbare handelingen heeft verricht. Daarmee gaat uw cliënt echter volledig voorbij aan zijn eigen verantwoordelijkheid. Juist uw cliënt, die al meer dan tien jaar werkzaam is in de functie van Contractmanager, althans [naam functie] , en die uit dien hoofde heeft te controleren op de naleving van de afgesproken contractuele kaders, had om onderliggende stukken moeten vragen, alvorens ATB’s te laten aanmaken respectievelijk PO’s en prestatieverklaringen af te geven. Dit geldt des te meer nu de betalingen zagen op de inhuur van personen. 1n een dergelijk geval dienen (in ieder geval) urenbriefjes te worden overgelegd door de betreffende leverancier, zodat de inzet van de betreffende personen en het aantal uren kan worden gecontroleerd. In het geval van (de betalingen aan) FMS ontbraken deze urenbriefjes.

Naast het feit dat uw cliënt een kwalijke en ernstig verwijtbare rol heeft gehad rondom de

facturatie aan FMS, als gevolg waarvan cliënte voor bijna een half miljoen euro aan onverschuldigde betalingen heeft verricht aan FMS, heeft cliënte op basis van het Rapport ook vastgesteld dat uw cliënt op oneigenlijke wijze is omgegaan met de aan hem ter beschikking gestelde (zakelijke) creditcard en dat uw cliënt in het bezit is geweest van een grote hoeveelheid hardware – cliënte in eigendom toebehorende – die niet volgens het reguliere, bij cliënte geldende (inkoop-/aanschaf)proces is besteld c.q. is aangeschaft en waarvan het merk/model – veelal Apple – afwijkt van het standaardmerk/-model (HP en Dell) dat bij cliënte is voorgeschreven en wordt gebruikt.

Op grond van het binnen de organisatie van cliënte toepasselijke beleid in relatie tot zakelijke creditcards, geldt dat uw cliënt als houder van de creditcard de verantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de creditcard en dat zijn lijnmanager – in onderhavige kwestie was dit [naam 1] – verantwoordelijk is voor het toezicht op dit gebruik. Uit het Rapport volgt dat uw cliënt de aan hem ter beschikking gestelde (zakelijke) creditcard meermaals heeft laten gebruiken door [naam 1] , waarna [naam 1] de betreffende (eigen) uitgaven – in zijn hoedanigheid van lijnmanager en leidinggevende van uw cliënt — heeft goedgekeurd. Hierdoor is de gebruikelijke autorisatieprocedure omzeild en heeft er geen controle kunnen plaatsvinden (door de leidinggevende van [naam 1] ) op de rechtmatigheid van de betreffende uitgaven. Ook hiervoor geldt dat cliënte – mede gezien het functieniveau van uw cliënt – had mogen verwachten dat uw cliënt zich had onthouden van het ter beschikking stellen van de creditcard aan [naam 1] . Uw cliënt wist, althans behoorde te weten, dat daarmee de autorisatieprocedure werd omzeild en dat er daardoor geen vorm van controle plaatsvond op de uitgaven door [naam 1] gedaan. Cliënte acht dit verwijtbaar.

Wat betreft de grote hoeveelheid – door uw cliënt met middelen van cliënte aangeschafte – hardware die uw cliënt in zijn bezit had en die zich op het woonadres van uw cliënt bevond,

gaf uw cliënt ten tijde van het inleveren hiervan (op 18 juli 2018) – ten overstaan van mevrouw [naam 2] en de heer [naam 3] – aan dat hij “schoon schip” wilde maken. Dat impliceert op zijn minst dat uw cliënt zich ervan bewust was dat het niet in de haak was dat hij al deze producten (buiten het reguliere proces om en) op kosten van cliënte had aangeschaft en thuis in zijn bezit had. Anders had uw cliënt ook niet – eigener beweging – alle hardware ingeleverd bij cliënte. Uw cliënt heeft bovendien nagelaten een plausibele verklaring te geven voor het feit dat al deze producten op zijn woonadres aanwezig waren.

Naast voornoemde hardware is vastgesteld dat uw cliënt een iPhone X in zijn bezit had. Ook deze iPhone X is door u op kosten van cliënte buiten het reguliere – binnen de organisatie van cliënte geldende – (inkoop-/aanschaf)proces om besteld c.q. aangeschaft. Uit het Rapport volgt dat uw cliënt op 6 november 2017 twee iPhones X (rechtstreeks) bij hardware leverancier Scholten Awater heeft besteld. De factuur voor de twee iPhones X heeft uw cliënt in SAP geregistreerd onder vermelding van: “EGB: SA jaarorders div kabels”. Uw cliënt heeft voor de aanschaf en het bezit van de iPhone X geen enkele plausibele verklaring gegeven. Datzelfde geldt voor de feitelijk onjuiste omschrijving bij de SAP-registratie.

Naast de bevindingen uit het Rapport – die ieder voor zich, maar zeker ook in onderlinge

samenhang bezien, maken dat van cliënte niet kan worden gevergd het dienstverband met

uw cliënt voor te zetten – heeft cliënte de afgelopen periode ook zelf (dus in aanvulling op

de bevindingen uit het Rapport) moeten vaststellen dat uw cliënt niet op juiste wijze invulling heeft gegeven aan zijn functie. Zo is gebleken dat uw cliënt op diverse plekken in het gebouw van cliënte hardware en toebehoren had opgeslagen zonder enige vorm van registratie en zijn originele contracten c.q. formele documentatie ongeordend aangetroffen. En ook dat neemt cliënte uw cliënt uiterst kwalijk.

Conclusie

Tegen deze achtergrond, is een terugkeer van uw cliënt op de werkvloer uitgesloten. Uw

cliënt heeft naar het oordeel van cliënte op verschillende onderdelen (ernstig) verwijtbaar

gehandeld, dan wel nagelaten. Daarnaast heeft cliënte op grond van het Rapport en haar

eigen bevindingen – alles overwegende – de conclusie moeten trekken dat zij geen vertrouwen meer heeft in (een verdere samenwerking met) uw cliënt. Dit gebrek aan vertrouwen wordt bovendien breed gedragen binnen de organisatie van cliënte.

2.15.

[eiser] heeft zich tijdens het gesprek op 29 oktober 2018 op het standpunt gesteld dat er onvoldoende grond is om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen.

2.16.

Onderhandelingen over een regeling ter beëindiging van het dienstverband van [eiser] hebben niet tot overeenstemming geleid.

2.17.

Het Havenbedrijf heeft vervolgens, op 18 december 2018, bij de kantonrechter van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. De mondelinge behandeling van dit verzoekschrift vindt plaats op 5 februari 2019. Het Havenbedrijf legt aan het verzoek ten grondslag dat, als gevolg van hetgeen is vastgesteld op grond van het onderzoek, de arbeidsverhouding tussen [eiser] en haar ernstig en duurzaam is verstoord. Zij stelt dat [eiser] op verschillende – ook voor zijn positie binnen het Havenbedrijf essentiële – onderdelen verwijtbaar heeft gehandeld, dan wel nagelaten, terwijl hij als manager een voorbeeldrol vervult binnen het Havenbedrijf, en dat zij geen enkel vertrouwen meer heeft in (een verdere samenwerking met) hem.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het Havenbedrijf te veroordelen om hem met onmiddellijke ingang in de gelegenheid te stellen en te blijven stellen om zijn werkzaamheden als [naam functie] op de gebruikelijke wijze te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van het Havenbedrijf in de proceskosten.

3.2.

Het Havenbedrijf voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vordering, dan wel afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van het spoedeisend belang

4.1.

Het Havenbedrijf stelt zich primair op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Het Havenbedrijf voert aan dat niet valt in te zien wat het spoedeisend belang van [eiser] bij de gevorderde wedertewerkstelling is, gelet op het feit dat de vrijstelling van werkzaamheden al zes maanden duurt, alsook op het feit dat de mondelinge behandeling van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, gerekend van de mondelinge behandeling van dit kort geding, over acht werkdagen zal plaatsvinden. Van de door [eiser] gestelde (reputatie)schade is geen sprake, aldus het Havenbedrijf.

4.2.

Overwogen wordt het volgende.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. Een vordering die strekt tot wedertewerkstelling is naar haar aard spoedeisend. Het verweer van het Havenbedrijf wordt daarom gepasseerd.

Ten aanzien van de vordering

4.3.

[eiser] legt – samengevat – het volgende aan zijn vordering ten grondslag.

Partijen zijn in de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat hij arbeid verricht voor het Havenbedrijf. Dit betekent dat hij, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, recht heeft om te werk gesteld te worden in de overeengekomen functie, tenzij in redelijkheid niet van het Havenbedrijf kan worden gevergd om hem zijn functie te laten uitoefenen. Op grond van artikel 7:611 BW moeten werkgever en werknemer zich immers tot elkaar verhouden als goed werkgever en goed werknemer, waarbij het uitgangspunt is dat contractuele afspraken worden nageleefd, tenzij dit in redelijkheid niet kan worden gevergd. Voor de voortzetting van de vrijstelling van werkzaamheden bestaat geen enkele rechtvaardiging. Het onderzoek is afgerond en de uitkomsten daarvan rechtvaardigen niet de conclusie dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Daarvoor ontbreekt een redelijke grond. Verder blijkt uit niets dat hij niet naar behoren functioneert. Hij heeft in de afgelopen achttien jaren juist aantoonbaar goed gefunctioneerd.

4.4.

Vooropgesteld wordt dat er geen rechtsregel is die een werkgever verplicht om een werknemer arbeid te verschaffen. De vraag of een werkgever een werknemer in de gelegenheid moet stellen om de overeengekomen arbeid te verrichten, moet daarom worden beantwoord aan de hand van artikel 7:611 BW. Dit artikel bepaalt dat de werkgever en de werknemer verplicht zijn zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen. Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op voornoemde vraag af van de aard van de dienstbetrekking, de overeengekomen arbeid en de bijzondere omstandigheden van het geval (HR 27 mei 1983, NJ 1983, 758).

4.5.

[eiser] is [naam functie] . Dat de aard van deze functie met zich brengt dat [eiser] in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn werkzaamheden te hervatten, bijvoorbeeld om bepaalde vaardigheden te kunnen onderhouden, is niet gesteld, laat staan aannemelijk geworden. Hetzelfde geldt voor de overeengekomen arbeid. Voor de beantwoording van de vraag of het Havenbedrijf [eiser] op dit moment in de gelegenheid moet stellen om de overeengekomen arbeid te verrichten, moet dus met name worden gekeken naar de bijzondere omstandigheden van het geval.

4.6.

Het Havenbedrijf voert met betrekking tot de omstandigheden – samengevat – het volgende aan. Er is sprake van een volledig verstoorde relatie tussen partijen. Een terugkeer van [eiser] zal leiden tot een onwerkbare situatie op de werkvloer. De aanwezigheid van [eiser] op de werkvloer leidde in juli 2018 ook tot onrust onder het overige personeel. Dat was niet bevorderlijk voor de bedrijfsuitoefening van het Havenbedrijf. Daarnaast is het draagvlak voor [eiser] volledig komen te vervallen. [eiser] heeft een verwijtbare rol gespeeld bij de omvangrijke fraude die door zijn toenmalige leidinggevende is gepleegd. Verder had hij een grote hoeveelheid door het Havenbedrijf aangeschafte hardware thuis liggen, waaronder (naast de standaard zakelijke laptop) een Apple MacBook, een Apple MacBook Pro, een Apple iPad Mini, een Apple iPad Pro en een iPhone X, zonder daar een verklaarbare reden voor te hebben. De iPhone X is, drie dagen nadat dit model op de markt was gebracht, bij een andere dan de gebruikelijke leverancier door [eiser] besteld en onder een valse omschrijving in het systeem weggeschreven. [eiser] heeft ook hier geen verklaarbare reden voor gegeven, en die is er ook niet. Een terugkeer van [eiser] op de werkvloer zal leiden tot botsingen, conflicten en ongewenste situaties. Daarbij komt dat [eiser] al zes maanden is vrijgesteld van werkzaamheden en dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn door de kantonrechter wordt behandeld.

4.7.

[eiser] heeft hier tegenin gebracht dat de stelling dat zijn aanwezigheid op de werkvloer een onwerkbare situatie oplevert niet is onderbouwd, en dat dit ook niet is gebleken. Hij betwist dat hij verwijtbaar heeft gehandeld en dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding.

4.8.

[eiser] stelt zich niet op het standpunt dat hij gedurende het onderzoek ten onrechte door het Havenbedrijf is vrijgesteld van zijn werkzaamheden. Het standpunt dat er geen enkele rechtvaardiging bestaat voor de vrijstelling van werkzaamheden, ziet op de voortzetting van de vrijstelling na afronding van het onderzoek. [eiser] wordt hierin niet gevolgd. Mede gelet op de toelichting die het hoofd van de afdeling Digital & Information Technology, de afdeling waar [eiser] werkzaam is, op de zitting heeft gegeven, is aannemelijk dat het feitencomplex waarnaar onderzoek is verricht een negatieve impact heeft gehad op de organisatie, dat vergaande maatregelen zijn getroffen om herhaling te voorkomen, en dat de terugkeer van [eiser] dat proces zal doorkruisen. In het licht van deze omstandigheden moet de vraag of het Havenbedrijf [eiser] in de gelegenheid moet stellen om de overeengekomen arbeid te verrichten voorshands ontkennend worden beantwoord. Dit betekent dat de vordering moet worden afgewezen.

4.9.

De op grond van artikel 254 Rv door de voorzieningenrechter te maken belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het Havenbedrijf heeft op 18 december 2018 een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. De mondelinge behandeling van dit verzoekschrift vindt plaats op dezelfde dag als die waarop dit vonnis wordt gewezen. Het belang van het Havenbedrijf om de uitkomst van de ontbindingsprocedure af te wachten alvorens [eiser] – zo nodig – in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten, weegt – mede in het licht van de hiervoor onder 4.8. weergegeven conclusie – zwaarder dan het belang van [eiser] bij hervatting van zijn werkzaamheden op de kortst mogelijke termijn (vgl. HR 18 maart 1988, NJ 1988, 510). In dat oordeel is meegewogen dat, gelet op de uitkomst van het in opdracht van het Havenbedrijf verrichte onderzoek, niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat het ontbindingsverzoek geen enkele kans van slagen heeft. Verder is meegewogen dat [eiser] , die zich op 17 september 2018 beter heeft gemeld en daarom in staat moet worden geacht zijn werkzaamheden sindsdien te kunnen hervatten, dit kort geding pas op 4 januari 2019, dus drieënhalve maand later, aanhangig heeft gemaakt. Waarom desalniettemin een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan het belang van [eiser] bij hervatting van zijn werkzaamheden op de kortst mogelijke termijn, dan aan het belang van het Havenbedrijf bij het afwachten van de uitkomst van de ontbindingsprocedure, is onvoldoende toegelicht. [eiser] stelt zich op het standpunt dat er geen grond is voor ontbinding en wijst op het belang dat een werknemer in het algemeen heeft bij het kunnen verrichten van de overeengekomen arbeid. Van een specifiek, zwaarder wegend, belang van [eiser] bij het kunnen hervatten van zijn werkzaamheden hangende de ontbindingsprocedure is de voorzieningenrechter echter niet gebleken. [eiser] stelt weliswaar dat verdere (reputatie)schade moet worden voorkomen, maar heeft nagelaten om hier handen en voeten aan te geven. Dat zijn goede naam als gevolg van het voortduren van de vrijstelling van werkzaamheden dusdanig wordt aangetast dat hij een zwaarwegend belang heeft bij het vóór de uitspraak van de kantonrechter kunnen hervatten van zijn werkzaamheden, is daardoor onvoldoende aannemelijk geworden.

4.10.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Havenbedrijf worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het aanhoudingsverzoek af,

5.2.

wijst de vordering af,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het Havenbedrijf tot op heden begroot op € 1.619,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.2885/676