Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8065

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
KTN-7985623_16102019
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kg, ontruiming woning. Burgemeesterssluiting. Vovo bestuursrechter geen terugwerkende kracht. Rechtmatige buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst. Zowel verblijf zonder recht of titel als tekortkoming grond voor ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7985623 VV EXPL 19-366

uitspraak: 16 oktober 2019

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.W.F. Heijmeriks,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R. Scheltes.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 5 september 2019, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de brief van [gedaagde] , met producties 1 en 2;

  • -

    de brief van [eiseres] , met productie 8;

  • -

    de pleitnota’s van de gemachtigden van partijen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2019. Namens [eiseres] is verschenen haar senior woonconsulent [naam woonconsulent] , bijgestaan door

mr. Heijmeriks. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Scheltes.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

Op grond van een tussen partijen gesloten huurovereenkomst heeft [eiseres] vanaf

29 april 2013 aan [gedaagde] verhuurd de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) Maassluis inclusief onroerende aanhorigheden (kelder/berging).

In artikel 6 van de huurovereenkomst is - verkort weergegeven - bepaald:

“(…)

6.2

in afwijking van, respectievelijk als aanvulling op de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van verhuurder is het volgende overeengekomen:

Huurder is ervan op de hoogte dat verhuurder eigenaar/verhuurder is van meerdere woningen in de buurt/omgeving. Huurder zal zich gedragen als goed huurder en verplicht zich ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast wordt veroorzaakt in welke vorm ook. Onder dit kader wordt mede begrepen een algeheel verbod op:

(…)

- het gehuurde geheel of gedeeltelijk in te richten als hennepplantage van welke omvang ook, dan wel te gebruiken voor de productie van verdovende middelen.

(…)”

Van de huurovereenkomst maken deel uit de Algemene Huurvoorwaarden van [eiseres] van 1 januari 2012 (hierna: de Algemene Huurvoorwaarden). Daarin is in artikel 8 lid 11 bepaald:

“Het is huurder niet toegestaan in het gehuurde hennep te kweken, van welke omvang dan ook, dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld.”

2.2

In een bestuurlijke rapportage van de politie Rotterdam van 22 juli 2019 gericht aan de burgemeester van de gemeente Maassluis, wordt - verkort weergegeven - het volgende vermeld:

“(…)

Hierbij geef ik u in overweging gebruik te maken van uw bevoegdheden bij of krachtens artikel 13b Opiumwet, c.q. bevoegdheden uit de Gemeentewet aangaande het pand gelegen aan [adres] te Maassluis. (…) Op donderdag 13 juni 2019 werd door (…) Meldt Misdaad Anoniem aan de politie gemeld dat op de bewoner van [adres] te Maassluis gedeald zou worden in harddrugs. (…) Op grond van de beschikbare informatie en verklaringen heeft het onderzoek geleid tot toestemming van de officier van justitie van het parket Rotterdam om een instap te doen in deze woning en werd daarna schriftelijk toestemming vertrekt door de Rechter Commissaris van de rechtbank Rotterdam tot een doorzoeking van het betreffende pand. (…) In de woning werd daarop op aanwijzen van de bewoner een hoeveelheid speed (amfetamine) in zijn trainingsjas aangetroffen. Dit werd daarop, met een weegschaaltje en verpakkingsmateriaal voor drugs, door de bewoner overhandigd aan de politie. Verder werd door de bewoner een busje CS-gas overhandigd aan de politie. Deze goederen werden in beslag genomen. De volgens het BRP ingeschreven bewoner werd vervolgens als verdachte aangehouden voor overtreding van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie. Daarnaast werden in het pand tijdens de doorzoeking nog de volgende drugs (handel) gerelateerde goederen aangetroffen en inbeslaggenomen:

- een prepaid telefoon

- 2 ponypacks met een bruine substantie, vermoedelijk harddrugs van de salontafel

- 3 zakjes en 1 potje hennep van de bank en de salontafel

- 5 hennepplanten vanuit een plantenbak in de woonkamer aan de achterzijde

- 1 weegschaaltje van de salontafel

- 1 boksbeugel uit het tv-kastje

In de kelder werden materialen aangetroffen die kennelijk bestemd zijn voor het vervaardigen van hennep. Deze goederen, waaronder 13 armaturen, 22 assimilatielampen (…) werden inbeslaggenomen ter onttrekking aan het verkeer. (…) Bij weging en monstering bleek dat het netto gewicht van de door de bewoner overhandigde stof 39,7 gram Amfetamine betrof. Het betreft hier een stof vermeld op de lijst I van de Opiumwet. (…) Ingeschrevene [gedaagde] (…) Uit het ingestelde onderzoek is naar mijn mening voldoende vastgesteld dat er in c.q. vanuit de bovengenoemde woning een grote hoeveelheid verdovende middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet (harddrugs) werd vervaardigd of verwerkt, of ten behoeve van dat of een ander illegaal doeleinde aanwezig was. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid geschikt voor eigen gebruik zoals in dit geval, is, (…) in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking (ABRvS 11 december 2013, 201300186/1/A3). Door dit feit is de openbare orde ernstig aangetast en is het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de inrichting nadelig beïnvloed. (…)”

2.3

Bij brief van 22 juli 2019 heeft [eiseres] - verkort weergegeven - aan [gedaagde] gelegenheid gegeven om zelf de huurovereenkomst op te zeggen. Van die gelegenheid heeft [gedaagde] geen gebruik gemaakt.

2.4

Bij brief van 24 juli 2019 heeft de burgemeester van de gemeente Maassluis - verkort weergegeven - aan [gedaagde] meegedeeld dat op 19 juli 2019 in genoemde woning naast een hoeveelheid harddrugs ook softdrugs en materialen zijn aangetroffen die kennelijk bestemd zijn voor het vervaardigen van hennep, dat dit blijk geeft van een professionele handel in drugs, dat hierdoor de openbare orde en veiligheid en de rechtsorde ernstig zijn geschaad, en dat om dit te beëindigen en de rust in de omgeving te laten wederkeren de burgemeester het voornemen heeft om de woning voor twee maanden te sluiten. [gedaagde] heeft gelegenheid gekregen om zijn zienswijze te geven op het voornemen. Daarvan is geen gebruik gemaakt.

2.5

Bij besluit van 1 augustus 2019 heeft de burgemeester van de gemeente Maassluis

de woning aan de [adres] te Maassluis met ingang van 6 augustus 2019 gesloten voor de duur van twee maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet (hierna: de burgemeesterssluiting).

2.6

Bij brief van 7 augustus 2019 heeft [eiseres] aan [gedaagde] meegedeeld in verband met de burgemeesterssluiting de huurovereenkomst met hem buitengerechtelijk te ontbinden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW.

2.7

Tegen het besluit van de burgemeester van 1 augustus 2019 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt. Hangende bezwaar heeft [gedaagde] de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van

12 september 2019 is dit verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot één week na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. In de uitspraak is onder meer het volgende overwogen:

“3.3 Verzoeker heeft aangevoerd dat er geen verband bestaat tussen de woning en de aangetroffen harddrugs. Hij is gebruiker van harddrugs, is op 19 juli 2019 zijn hond gaan uitlaten en heeft toen de drugs aangeschaft. Verzoeker was van plan deze drugs, zoals hij altijd doet als hij een hoeveelheid drugs heeft gehaald, in zijn auto te bewaren. De drugs, die in zijn trainingsjack zaten, zijn alleen in de woning terechtgekomen omdat hij van de politie naar binnen moest op het moment dat hij zijn hond weer in de woning wilde toelaten. Verweerder heeft weliswaar verzoekers verhaal ter zitting weersproken en heeft aangegeven dit ook bij de politie te hebben nagevraagd. Verweerder heeft dit echter niet met stukken onderbouwd. Ook is onduidelijk wat verweerder precies bij de politie heeft na gevraagd en met wie er is gesproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet dan ook op dit moment worden vastgesteld dat de lezing - die niet op voorhand volstrekt onaannemelijk is - van verzoeker niet wordt weerlegd door de bestuurlijke rapportage of andere stukken. Op basis van het huidige dossier valt dus niet uit te sluiten dat de lezing van verzoeker klopt. Dat betekent dat verweerder, zolang het onduidelijk is op welke manier de harddrugs de woning zijn binnengekomen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen gebruik mag maken van de hem toekomende bevoegdheid om de woning te sluiten. Daarbij acht de voorzieningenrechter mede van belang de mededeling van verweerder ter zitting, dat indien er geen 39,7 gram harddrugs in de woning was aangetroffen er niet tot sluiting zou zijn overgegaan. (…)”

2.8

[eiseres] heeft [gedaagde] op 23 augustus 2019 gedagvaard in een bodemprocedure en gevorderd primair een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de buitengerechtelijke ontbinding en subsidiair de huurovereenkomst te ontbinden met veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van de woning.

3 De vordering en het verweer

3.1

[eiseres] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) Maassluis binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het zijne en de zijnen, althans [gedaagde] te veroordelen om de woning per 6 oktober 2019 te ontruimen en ontruimd houden, althans een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan de vordering legt [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat zij spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming, gelet op de omstandigheid dat zij een zero tolerantiebeleid voert ten aanzien van overtredingen van de Opiumwet in door haar verhuurde woningen, dat hieromtrent verboden zijn opgenomen in de huurovereenkomst en de Algemene Huurvoorwaarden waarvoor [gedaagde] heeft getekend, en dat zij mede gelet op het voorkomen van overlast in de buurt en verpaupering van haar woningbezit wil voorkomen dat [gedaagde] terugkeert in de woning na expiratie van de burgemeesterssluiting op 6 oktober 2019. [eiseres] is bevoegd geweest de huurovereenkomst te ontbinden. Het al dan niet gegrond zijn van het bezwaar tegen de burgemeesterssluiting doet niet af aan de mogelijkheid om de huurovereenkomst te ontbinden. [eiseres] wil de uitkomst van de bodemprocedure niet afwachten.

3.3

[gedaagde] betwist de vordering en concludeert - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de vordering nader besproken.

4 De beoordeling

4.1

[eiseres] heeft bij brief van 7 augustus 2019 bevoegdelijk de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden, zodat [gedaagde] sindsdien geen recht of titel heeft om in de onder 2.1 vermelde woning te verblijven. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven, want ten tijde van de dagvaarding in kort geding dreigde [gedaagde] na het expireren van de burgemeesterssluiting het verblijf in de woning te hervatten, hetgeen blijkens het verhandelde ter zitting inmiddels realiteit is. Wat de (juridische) toestand betreft voor en na 7 augustus 2019 het volgende.

4.1.1

Aan de burgemeesterssluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet is feitelijk uitvoering gegeven op 6 augustus 2019. Op basis daarvan is vanaf dat moment voor [eiseres] de bevoegdheid ontstaan om op de voet van artikel 7:231 lid 2 BW gelezen in samenhang met artikel 6:267 BW de huurovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk te ontbinden. Als gezegd is van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Geen misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om daartoe over te gaan. Integendeel, de bevoegdheid is mede voor dit soort gevallen in het leven geroepen, de voorziene nadelige gevolgen van de toepassing daarvan voor de huurder die met een ontbinding wordt geconfronteerd ten spijt. Reeds daarom is geen sprake van onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het aangevoerde belang van [gedaagde] bij behoud van de woning dat daardoor wordt geschaad. Het standpunt van [gedaagde] dat ontbinding van de huurovereenkomst buitenproportioneel is, wordt dus niet gedeeld. Geen grond is er voor het oordeel dat [eiseres] in redelijkheid niet tot ontbinding heeft kunnen overgaan naar aanleiding van de burgemeesterssluiting.

4.1.2

Daaraan doet niet af dat [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt tegen de burgemeesterssluiting, want dat rechtsmiddel heeft geen schorsende werking.

4.1.3

De uitspraak van de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter heeft dat wel, maar in beginsel niet voor de periode gelegen vóór die uitspraak. Gelet hierop en gezien het dictum van de uitspraak van 12 september 2019 is er geen grond om ervan uit te gaan dat de werking van de burgemeesterssluiting met terugwerkende kracht is geschorst vanaf

1 augustus 2019.

4.1.4

Die beslissing van de voorzieningenrechter verandert dus niets aan (de grondslag voor) de buitengerechtelijke ontbinding en de situatie die daardoor is ontstaan.

4.1.5

Dat kan anders worden als de burgemeesterssluiting in bezwaar of beroep geen stand houdt, maar de kantonrechter acht de kans daarop klein, mede gelet op de inhoud van de aanvullende bestuurlijke rapportage van de politie Rotterdam van 23 september 2019 die als productie 8 in het geding is gebracht. Indien de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter hierover zou hebben beschikt dan zou de verzochte voorziening, gelet op overweging 3.3 in de uitspraak, waarschijnlijk zijn afgewezen. In de rapportage (opgemaakt op basis van op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties, en openbare bronnen te Maassluis) wordt namelijk - verkort weergegeven - vermeld:

“(…) de bewoner is die dag geobserveerd vanaf het vertrek uit zijn woning met zijn hond, tijdens het uitlaten van zijn hond daaropvolgend tot en met de terugkeer van de bewoner bij zijn pand na het uitlaten van zijn hond.

Op vrijdag 19 juli 2019 omstreeks 1730 uur zagen wij verbalisanten dat de verdachte richting zijn portiekdeur liep. Vervolgens zijn we direct naar de portiekingang gereden aan de [adres] te Maassluis en hebben wij samen met de verdachte zijn woning betreden. Hierbij hebben wij een apart proces-verbaal van binnentreden opgemaakt en toegevoegd aan dit dossier. Vervolgens heeft collega xxxxxx onze komst van het binnentreden uitgelegd. Wij zagen dat de verdachte een schriftelijk toestemming ondertekende voor het doorzoeken van zijn woning. Wij hoorden dat door collega xxxxxxx uitlevering werd gevorderd van eventuele aanwezige harddrugs. Wij zagen dat de verdachte naar zijn trainingsjack liep welke op de bank in de woonkamer lag. Wij zagen de verdachte een grote zak met substantie uit zijn trainingsjack pakte. Ik, verbalisant xxxxx, zag dat de verdachte de zak met substantie aan mij overhandigde. Hierop hebben wij de verdachte aangehouden ter zake de Opiumwet. (…)

De aanleiding voor actie lag gelegen in het feit dat er vanuit meerdere verklaringen bleek dat de betreffende woning een belangrijke rol speelde in de handel in verdovende middelen. Ter illustratie is hieronder een fragment uit één van der verklaringen:

“ [naam] is nooit voor 12 uur uit bed en je kan voor drugs terecht van van 1400 oor tot ongeveer 04:00 uur. Als je koopt weegt [naam] de drugs af in de woonkamer op de salontafel. Zijn voorraad, een half ons tot een ons, bewaart hij in de vriezer. Ik ben er meerder malen getuige van geweest dat een man met een kind van ongeveer vijf jaar drugs kwam kopen bij [naam] .”(..)”

4.1.6

Het in de bestuursrechtelijke procedure en ook in de onderhavige procedure aangevoerde door [gedaagde] dat de harddrugs niet in de woning zouden zijn aangetroffen als de politie hem niet had gevraagd de woning binnen te gaan, omdat hij dan de harddrugs die in de jaszak van zijn trainingsjack zaten in zijn auto zou hebben gelegd, is op zichzelf genomen weinig aannemelijk, gelet op het gerelateerde dat [gedaagde] op het punt stond zijn woning binnen te gaan toen de politie zich bij hem voegde. Daarnaast strookt de verklaring van [gedaagde] dat hij tijdens de wandeling met zijn hond de 39,7 gram amfetamine heeft gekocht, niet met het gerelateerde in de tweede bestuurlijke rapportage dat hij is geobserveerd vanaf het vertrek van zijn woning om de hond uit te laten tot de terugkomst daar, terwijl geen melding wordt gemaakt dat [gedaagde] in de tussentijd drugs heeft gekocht. De verklaringen van [gedaagde] vinden nergens steun in. In het licht van de meldingen en hetgeen ter plaatse is aangetroffen, komen de verklaringen van [gedaagde] ongeloofwaardig voor. Dat geldt dus ook voor zijn verhaal dat de 39,7 gram amfetamine voor eigen gebruik zou zijn. Hoe dan ook is hij degene geweest die de handelshoeveelheid harddrugs in de woning heeft gebracht. Dat in combinatie met de voorts ter plaatse aangetroffen goederen als vermeld onder 2.2 rechtvaardigt de conclusie dat [gedaagde] zich bezighoudt met handel in harddrugs, zodat de burgemeesterssluiting naar verwachting in bezwaar en beroep overeind blijft.

4.2

Voormeld verblijf in de woning zonder recht of titel levert op zichzelf genomen al grond op om de vordering toe te wijzen. Daarbij wordt opgemerkt dat daar waar in de vordering is vermeld “het gehuurde” (waarvan strikt genomen geen sprake is) wordt gelezen de woning in de [adres] te ( [postcode] ) Maassluis met de daarbij behorende kelder/berging. Partijen gaan daar ook van uit.

4.3

Ook zonder de buitengerechtelijke ontbinding is er grond om de vordering toe te wijzen. [gedaagde] heeft zich namelijk met de huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde Algemene Huurvoorwaarden jegens [eiseres] verbonden tot het achterwege laten in de woning van de kweek van hennep of andere activiteiten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn. Niet is gesteld dat toepassing van artikel 6.2 van de huurovereenkomst en artikel 8 lid 11 van de Algemene Huurvoorwaarden in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is, welk standpunt overigens niet zou worden gedeeld, zodat [gedaagde] hieraan dient te voldoen. Het behoeft geen betoog dat hij met hetgeen is aangetroffen in de woning, zoals vermeld onder 2.2, daarin ernstig tekort is geschoten. Dit levert doorgaans grond op om, indien gevorderd, in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van de betreffende woning over te gaan. Temeer bestaat daartoe aanleiding in dit geval nu [eiseres] uitdrukkelijk niet heeft gewild dat genoemde activiteiten zouden plaatsvinden, met het oog op de kwaliteit van de woning en de woonomgeving, mede gelet op de belangen van andere huurders ter plaatse. Er is dus sprake van een zwaarwegende tekortkoming, die niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Het is dan ook gerechtvaardigd om op de toewijzing van een te vorderen ontruiming vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Dat ontruiming van de woning ingrijpend is voor [gedaagde] die geen andere woonruimte tot zijn beschikking heeft en moeite zal hebben om (betaalbare) woonruimte elders te vinden, is evident, maar zal onder de gegeven omstandigheden hoogstwaarschijnlijk niet leiden tot het oordeel dat de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.4

De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken na betekening van dit vonnis.

4.5

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 222,05 aan verschotten (griffierecht, explootkosten en informatiekosten) en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning in de [adres] te ( [postcode] ) Maassluis met de bijbehorende kelder/berging te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden en deze onder overgave van de sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 222,05 aan verschotten en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465