Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:8063

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
C/10/580891 / KG ZA 19-883
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, maatschap. Eiseres vordert toelating tot haar werkzaamheden als verloskundige. Vordering wordt afgewezen o.g.v. belangenafgweging, aangezien samenwerking op korte termijn eindigt en samenwerking niet meer mogelijk lijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/580891 / KG ZA 19-883

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2019

in de zaak van

[eiseres 1] ,

wonende te [woonplaats eiseres 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.A. Visser te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M.F. van der Mersch te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiseres 1] en [gedaagde 2] c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 september 2019, met producties en aanvullende producties;

  • -

    de producties van [gedaagde 2] c.s.;

  • -

    de brief van 20 september 2019 van [gedaagde 2] c.s. met daarin een schets van de achtergrond van het geschil en (de aankondiging van) een eis in reconventie;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 23 september 2019;

  • -

    de pleitnota van [eiseres 1] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 2] c.s.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen voeren sinds 1 januari 2012 in Rotterdam een praktijk als verloskundige in een maatschap onder de naam Verloskundigenpraktijk [naam praktijk] . [naam praktijk] heeft drie (praktijk)locaties in Rotterdam.

2.2.

Partijen staan als zorgverlener geregistreerd in Peridos, de landelijke database voor de registratie van prenatale screeningsgegevens, waaronder de gegevens van zorgverleners die een contract hebben met een van regionale centra voor het houden van counselinggesprekken en het mogen verrichten van Structureel Echoscopisch Onderzoek (SEO). [gedaagde 2] heeft of had een contract met de Stichting Prenatale Screening Zuidwest Nederland (hierna: SPSZN) voor het mogen verrichten van SEO’s.

2.3.

In de maatschapsovereenkomst van 29 december 2011 is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

  • -

    de maatschap is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden (artikel 3);

  • -

    [gedaagde 2] c.s. hebben tezamen met een andere partij (een stichting) de reeds bestaande praktijk verloskundigenpraktijk [naam praktijk] ingebracht. [eiseres 1] heeft zich ingekocht voor € 27.000,-, te vermeerderen met een bijdrage voor een echoapparaat en overige inventaris (artikel 4);

  • -

    een bepaling dat de medewerking van alle maten vereist is voor alle belangrijke handelingen die de maatschap betreffen (artikel 5);

  • -

    een concurrentiebeding op grond waarvan het de maten tijdens de looptijd van de maatschapsovereenkomst behoudens toestemming van de andere maten verboden is werkzaam te zijn of betrokken te zijn bij een soortgelijke praktijk (artikel 7);

  • -

    een beding waarin is bepaald dat ieder van de maten ontbinding van de maatschap kan vorderen op grond van arbeidsongeschikt of andere wettige redenen (artikel 12);

  • -

    een bepaling waarin is opgenomen dat de maten na beëindiging van de maatschap met elkaar afrekenen, de cliënten in behandeling naar rato worden gesplitst en dat de (praktijk)locatie waar [gedaagde 2] voorheen gevestigd was, na beëindiging weer door [gedaagde 2] wordt overgenomen (artikel 13);

  • -

    een concurrentiebeding op grond waarvan de maten na beëindiging van de maatschap verboden is een praktijk uit te oefenen in Rotterdam en de direct aangrenzende gemeentes (artikel 18);

  • -

    een arbitragebeding op grond waarvan de bevoegdheid van gewone rechter (behoudens die van de voorzieningenrechter in kort geding) is uitgesloten en waarin is bepaald dat geschillen overeenkomstig de regelementen van het NAI moeten worden beslecht door een door de KNOV te benoemen commissie van drie leden (artikel 20).

2.4.

In december 2018 hebben [gedaagde 2] c.s. bij ongedateerde brief aan [eiseres 1] een voorstel gedaan tot beëindiging van de maatschap. Volgens dit voorstel zou de samenwerking met ingang van 1 juli 2019 beëindigd worden, waarbij [gedaagde 2] c.s. ofwel het aandeel van [eiseres 1] zou overnemen, ofwel de cliënten (de kaartenbak) werden verdeeld, waarbij het concurrentiebeding zou worden gehandhaafd. [eiseres 1] heeft dit voorstel niet geaccepteerd. [gedaagde 2] c.s. hebben het tegenvoorstel van [eiseres 1] waarbij zij de praktijk zou overnemen ook niet geaccepteerd.

2.5.

In het voorjaar van 2019 hebben partijen – bijgestaan door hun rechtsbijstandverlener/advocaat en onder meer met inzet van mediation – gesprekken gevoerd over de beëindiging van de maatschapsovereenkomst. Uitgangspunt hierbij was steeds dat partijen hun samenwerking op 1 januari 2020 zouden beëindigen, waarna [gedaagde 2] c.s. de praktijk zou voortzetten. Hierbij zou [eiseres 1] een derde deel van de klanten overnemen en een (aanvullende) vergoeding van € 50.000,00 ontvangen. Daarnaast zou het concurrentiebeding komen te vervallen.

2.6.

In antwoord hierop heeft de rechtsbijstandsverlener van [eiseres 1] bij brief van 1 juli 2019 laten weten dat er nog geen overeenstemming is omdat [eiseres 1] , anders dan [gedaagde 2] c.s., uitging van een nettobedrag. In deze brief schrijft de rechtsbijstandsverlener voorts onder meer het volgende:

Voor wat betreft het opnemen van de telefoon in de laatste periode, geldt dat nu beide partijen elkaar wantrouwen, cliënte voorstelt dat twee maten alsdan aanwezig zijn in de praktijk om zelf de telefoon op te nemen en nieuwe intakes te verwerken. De assistente is daarvoor niet de aangewezen persoon, aangezien zijn een zus is van één van uw cliënten.

2.7.

Op 3 juli 2019 heeft [gedaagde 2] c.s. de arbitrage aanhangig gemaakt.

2.8.

In juli 2019 heeft [eiseres 1] na een telefoontje van een familielid van [gedaagde 2] of [gedaagde 1] een afspraak gemaakt voor een consult te houden aan de [straatnaam] te Rotterdam. Op die locatie, niet ver van een van de praktijklocaties van [naam praktijk] , is onder meer [naam bedrijf 1] gevestigd en verloskundigenpraktijk [naam bedrijf 2] , de solopraktijk van mevrouw [naam] (hierna: [naam] ).

2.9.

Bij brief van 15 juli 2019 heeft de advocaat van [gedaagde 2] c.s. aan de rechtsbijstandverlener van [eiseres 1] meegedeeld dat [gedaagde 2] c.s. niet langer bereid is om € 50.000,- te betalen. Daarvoor geeft zij de volgende redenen:

  • -

    [gedaagde 2] heeft geconstateerd dat in Peridos achter de naam van [eiseres 1] de naam Verloskundigenpraktijk [naam bedrijf 2] is toegevoegd;

  • -

    [gedaagde 2] heeft geconstateerd dat [eiseres 1] al langere tijd als verloskundige werkzaam was voor deze praktijk en dat zij daarvan bewijs heeft;

  • -

    het uitvoeren van concurrerende werkzaamheden is een overtreding van de maatschapsovereenkomst en een grondslag voor beëindiging maatschap;

  • -

    [gedaagde 2] c.s. concludeert dat [eiseres 1] haar ten onrechte heeft voorgehouden dat zij na de beëindiging van de maatschap als soliste zou verder gaan en dat zij veel tijd en geld nodig had om haar praktijk op te bouwen, terwijl dat de reden is dat [gedaagde 2] c.s. akkoord is gegaan met een latere datum van dissociatie en met een ruime onkostenvergoeding;

  • -

    [gedaagde 2] c.s. heeft geconstateerd dat [eiseres 1] in strijd met de afspraken binnen de maatschap al geruime tijd cliënten doorverwijst naar andere kraamzorgbureaus.

In de brief stelt de advocaat van [gedaagde 2] c.s. voorts dat [gedaagde 2] c.s. [eiseres 1] niet langer in de praktijk wenst te zien. Daarnaast stelt de advocaat voor om de dissociatie te laten plaatsvinden per 1 september 2019, waarbij [eiseres 1] een derde van de cliënten meekrijgt en een overbedelingsvergoeding van € 10.000,- (inclusief BTW).

2.10.

In antwoord hierop heeft de rechtsbijstandsverlener van [eiseres 1] bij brief van 17 juli 2019 betwist dat [eiseres 1] concurrerende werkzaamheden heeft verricht. Hierbij heeft zij een uitleg gegeven voor de inschrijving in Peridos en de gemaakte afspraak aan de [straatnaam] . Volgens [eiseres 1] probeert [gedaagde 2] c.s. haar bij herhaling in de val te lokken met telefoontjes van mystery guests en achtervolgingen in geleende of gehuurde auto’s. In deze brief schrijft de rechtsbijstandsverlener dat [eiseres 1] het voorstel niet accepteert.

2.11.

In een e-mail van 16 juli 2019 schrijft SPSZN aan [eiseres 1] dat door een misverstand in Peridos de verkeerde datum (1 mei 2019) genoteerd staat per wanneer [eiseres 1] als counselor is gestart bij verloskundigenpraktijk [naam bedrijf 2] , en dat dit is gecorrigeerd naar 1 januari 2020.

2.12.

In een e-mail van 17 juli 2019 schrijft [naam] aan [eiseres 1] dat zij met haar heeft gesproken over een samenwerking per 1 januari 2020 en dat [eiseres 1] niet heeft gecounseld of andere werkzaamheden heeft uitgevoerd voor praktijk [naam bedrijf 2] .

2.13.

Bij brief van 24 juli 2019 heeft de advocaat van [gedaagde 2] c.s. aan [eiseres 1] een drietal voorstellen gedaan tot beëindiging van de samenwerking tegen 1 oktober dan wel 31 december 2019, waarbij [eiseres 1] steeds met onmiddellijke ingang zou worden vrijgesteld van haar werkzaamheden.

2.14.

In de zomer is [eiseres 1] van half juli tot 20 augustus 2019 met vakantie geweest.

Omstreeks 2 augustus 2019 hebben [gedaagde 2] c.s. de inlogcodes/wachtwoorden van de praktijk gewijzigd, waardoor [eiseres 1] niet langer toegang heeft tot de computersystemen van de praktijk. Op de eerste werkdag na haar vakantie, 22 augustus 2019, is [eiseres 1] de toegang tot de praktijklocatie van [naam praktijk] geweigerd.

2.15.

Ook na sommaties van de rechtsbijstandsverlener van [eiseres 1] heeft [gedaagde 2] c.s. [eiseres 1] niet meer toegelaten tot haar werkzaamheden en/of de computersystemen van [naam praktijk] . De diensten van [eiseres 1] worden sindsdien gedaan door een waarnemer, waarbij de kosten van de waarneming op het aandeel van [eiseres 1] in mindering worden gebracht.

2.16.

Begin september 2019 heeft [eiseres 1] bij de SPSZN een melding gedaan dat bij [naam praktijk] SEO’s die zijn uitgevoerd door een waarneemster in Peridos op naam van [gedaagde 2] zijn geregistreerd. Hierop heeft de SPSZN een onderzoek ingesteld.

2.17.

Bij brief van 16 september 2019 heeft SPSZN aan [gedaagde 2] meegedeeld dat de kwaliteitsovereenkomst tussen haar en SPSZN en die met [naam praktijk] per direct wordt ontbonden. Dit betekent dat binnen [naam praktijk] vanaf dat moment geen SEO’s meer mogen worden uitgevoerd, ook niet door andere verloskundigen. In deze brief schrijft de SPSZN dat [gedaagde 2] om in aanmerking te komen voor een nieuwe overeenkomst zij op eigen kosten een verbetertraject moet volgen.

2.18.

In de door [gedaagde 2] c.s. aangevraagde arbitrage zijn drie arbiters aangewezen. De datum van de mondelinge behandeling is nog niet bekend.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1.

In conventie vordert [eiseres 1] , samengevat, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen:

I. [eiseres 1] toe te laten tot haar werkzaamheden, bestaande uit het volgende schema:

- om de week op maandag en dinsdag dienst;

- de daaropvolgende week spreekuur op maandag en dinsdag spreekuur;

- om de week op donderdag spreekuur;

- eens in de drie weken op vrijdag spreekuur;

- weekenddienst eenmaal in de maand;

waarbij al uitgangspunt geldt dat diensten en spreekuren gelijkelijk worden verdeeld;

II. [eiseres 1] toegang te verschaffen tot de praktijk om haar werkzaamheden uit te voeren, althans wanneer [eiseres 1] toegang tot de praktijk wenst;

III. [eiseres 1] toegang te verschaffen tot alle computersystemen, codes of wat iets meer zij om haar werkzaamheden te kunnen uitvoeren;

een en ander op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom en met veroordeling van [gedaagde 2] c.s. in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering legt [eiseres 1] het volgende ten grondslag.

[gedaagde 2] en [gedaagde 1] , die al langere tijd bevriend zijn proberen sinds december 2018 [eiseres 1] zonder duidelijke reden uit de maatschap weg te pesten. [gedaagde 2] c.s. heeft het [eiseres 1] na haar vakantie onmogelijk gemaakt haar werkzaamheden uit te voeren, door haar de toegang tot de praktijk te ontzeggen en haar de toegang tot de computersystemen onmogelijk te maken. [gedaagde 2] c.s. handelt daarmee onrechtmatig.

Hoewel de maatschapsovereenkomst geen uitstotingsregeling heeft, accepteert [eiseres 1] dat de maatschap per 1 januari 2020 wordt beëindigd, waarna [eiseres 1] een solopraktijk begint. Tot die tijd heeft [eiseres 1] er recht op en belang bij dat zij cliënten ziet, haar vaardigheden op peil houdt en een band houdt met de door haar mee te nemen cliënten. Hoewel de samenwerking tot 1 januari 2020 niet soepel zal verlopen, kunnen partijen de praktijk voortzetten zonder elkaar in de haren te zitten. Het belang van [eiseres 1] (die geen blaam treft) weegt zwaarder dan dat van [gedaagde 2] c.s. Oplegging van een dwangsom is aangewezen, aangezien [eiseres 1] er niet op kan vertrouwen dat [gedaagde 2] c.s. haar vrijwillig tot haar werkzaamheden toelaat.

3.3.

[gedaagde 2] c.s. voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

In reconventie vordert [eiseres 2] c.s., samengevat, [verweerster] te verbieden de praktijkpanden van [naam praktijk] aan de [adres 1] , de [adres 2] en de [adres 3] te betreden, althans zich toegang te verschaffen tot die panden, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

3.5.

Aan deze vordering legt [eiseres 2] c.s. het volgende ten grondslag.

Door de opstelling van [verweerster] die alle (royale) voorstellen van [eiseres 2] c.s. weigert en niet met redelijke alternatieven komt, is een goede samenwerking onmogelijk geworden. [eiseres 2] c.s. heeft alle vertrouwen in [verweerster] verloren. Door de concurrerende werkzaamheden van [verweerster] is [eiseres 2] c.s. ook niet langer bereid om de eerder aangeboden afkoopsom te betalen. Door de onterechte melding aan SPSZN heeft [naam praktijk] bovendien grote schade geleden. In maart 2019 was de betreffende waarnemer ingeschreven in Peridos, waardoor de situatie – die met medeweten van [verweerster] bestond – was rechtgetrokken. Het begeleidingstraject is kostbaar en door het opgelegde verbod heeft [naam praktijk] cliënten voor de echo’s op stel en sprong naar andere praktijken moeten sturen. [eiseres 2] c.s. vreest dat indien [verweerster] weer wordt toegelaten tot de praktijklocaties, zij haar mogelijkheden zal benutten om [naam praktijk] te benadelen. Na de verzoeken van 15 en 19 juli 2019 is [verweerster] nog herhaaldelijk in de praktijk aanwezig geweest om ten behoeve van haar opleiding echo’s uit te voeren. Hierbij heeft zij de instellingen van het echoapparaat gewijzigd, hetgeen gevolgen had kunnen hebben voor de cliënten. Daarnaast is zij eenmaal met haar echtgenoot in de praktijk verschenen om verhaal te halen, waarbij de echtgenoot zich op intimiderende wijze heeft gedragen jegens [eiseres 2] c.s. Op grond hiervan heeft [eiseres 2] c.s. recht op en belang bij toewijzing van een toegangsverbod tot de praktijklocaties.

3.6.

[verweerster] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en reconventie lenen zich voor gezamenlijke beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat zij hun samenwerking (uiterlijk) per 1 januari 2020 wensen te beëindigen, waarna [gedaagde 2] c.s. [naam praktijk] zal voortzetten en [eiseres 1] een solopraktijk begint. Medio augustus 2019, dus vóór de overeengekomen datum van beëindiging, heeft [gedaagde 2] c.s. [eiseres 1] tegen haar zin de toegang tot haar werkzaamheden ontzegd en feitelijk onmogelijk gemaakt.

4.3.

In dit kort geding moet worden beoordeeld of [eiseres 1] tot 1 januari 2020 tot haar werkzaamheden en de computersystemen van [naam praktijk] moet worden toegelaten. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat de vraag onder welke voorwaarden de beëindiging moet plaatsvinden in arbitrage moet worden beoordeeld. Of [eiseres 1] vooruitlopend op de beëindiging nog moet worden toegelaten tot haar werkzaamheden, dient, gelet op de aanstaande beëindiging van de samenwerking, te worden beoordeeld op basis van een belangenafweging, waarbij met name de mogelijkheid tot samenwerking in aanmerking zal worden genomen. De omstandigheden die hebben geleid tot het weigeren van de toegang zijn hierbij in mindere mate van belang. Indien komt vast te staan dat [eiseres 1] ten onrechte niet tot haar werkzaamheden is toegelaten, kan zij aanspraak maken op een vergoeding voor de door haar geleden schade.

4.4.

De voorzieningenrechter constateert dat het initiatief tot beëindiging van de samenwerking is uitgegaan van [gedaagde 2] c.s. en dat [eiseres 1] dat als onredelijk heeft ervaren. Vervolgens hebben partijen onderhandeld, waarbij zij in grote lijnen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden van de beëindiging van hun samenwerking. Hierbij zou de beëindiging plaatsvinden per 1 januari 2020, [eiseres 1] een derde van de cliënten meenemen en een vergoeding wegens onderbedeling ontvangen. Na het stuklopen van de onderhandelingen heeft [gedaagde 2] c.s. de arbitrage aanhangig gemaakt, waarbij de beëindiging per 1 januari 2020 het uitgangspunt is gebleven. Van partijen mag worden verwacht dat zij – mede in het belang van hun cliënten – werkbare afspraken kunnen maken (en uitvoeren) voor de laatste maanden van hun samenwerking. Hierin zijn partijen kennelijk niet geslaagd.

4.5.

Directe aanleiding voor het ontzeggen van de toegang aan [eiseres 1] voor [gedaagde 2] c.s. is het verlies van vertrouwen, veroorzaakt door de vermeende concurrerende werkzaamheden waaraan [gedaagde 2] c.s. ook de conclusie heeft verbonden dat [eiseres 1] tijdens de onderhandelingen een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Nadien is daar bijgekomen dat [eiseres 1] zonder voorafgaand overleg de melding heeft gedaan SPSZN, die ertoe heeft geleid dat [naam praktijk] tijdelijk geen SEO’s mag uitvoeren.

4.6.

Aan [gedaagde 2] c.s. moet worden toegegeven dat de toevoeging van Verloskundigenpraktijk [naam bedrijf 2] aan de registratie van [eiseres 1] in Peridos en haar kennelijke bereidheid om buiten [naam praktijk] om een afspraak te maken met een cliënt vragen oproepen. Uit niets blijkt dat [eiseres 1] de betreffende spookcliënt heeft voorgesteld om naar [naam praktijk] te komen, en dat terwijl [eiseres 1] zich er volgens haar eigen verklaring van bewust was dat zij met een familielid van [gedaagde 2] c.s. van doen had. Daar staat tegenover dat er geen enkel bewijs is dat [eiseres 1] daadwerkelijk klanten buiten [naam praktijk] heeft bediend. Voorts is ook niet duidelijk geworden waarom [gedaagde 2] c.s. voorafgaand aan het inzetten van familieleden [eiseres 1] niet gewoon heeft gevraagd naar haar mogelijke concurrerende werkzaamheden. Of [eiseres 1] het concurrentiebeding heeft overtreden en wat daarvan de gevolgen zijn, moet mogelijk in arbitrage worden vastgesteld.

4.7.

Voor de melding aan SPSZN geldt dat [eiseres 1] , mede gelet op de bepalingen van maatschapsovereenkomst, deze niet zonder medewerking of overleg met de andere maten had mogen doen. [eiseres 1] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom zij het noodzakelijk achtte om deze melding zonder aankondiging of overleg met [gedaagde 2] c.s. te doen. Dit geldt temeer nu [gedaagde 2] c.s. onweersproken heeft gesteld dat de situatie waarop de melding zag zich sinds maart 2019 niet heeft had voorgedaan en dat [eiseres 1] de melding pas heeft gedaan nadat zij niet meer tot de praktijk werd toegelaten. Opmerkelijk hierbij is voorts dat [eiseres 1] ter zitting heeft verklaard dat zij de melding goed acht voor de reputatie van de maatschap en daarmee die van haarzelf.

4.8.

[gedaagde 2] c.s. heeft bij herhaling verklaard dat zij geen enkel vertrouwen meer heeft in [eiseres 1] . Uit de verklaringen ter zitting en uit de brief van 1 juli 2019 van de rechtsbijstandsverlener van [eiseres 1] volgt dat ook zij geen vertrouwen heeft in [gedaagde 2] c.s. Volgens die brief verwachten partijen immers al problemen bij het aannemen van de telefoon. Tijdens de mondelinge behandeling [gedaagde 2] c.s. heeft voorts onweersproken gesteld dat de praktijk van [naam praktijk] zodanig is ingericht dat er geen verdeling is van cliënten en/of locaties. Dit betekent dat alle cliënten op verschillende locaties bij de verschillende verloskundigen komen, waardoor overdracht van cliënten steeds noodzakelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de verhoudingen tussen partijen echter dermate verstoord – ongeacht aan wie dit nu in overwegende mate te wijten is – dat verantwoorde samenwerking, mede gelet op het belang van de cliënten, niet meer mogelijk is. Illustratief hiervoor is dat [gedaagde 2] c.s. [eiseres 1] beschuldigt van het wijzigen van de instellingen en/of ontkoppelen van het echoapparaat, terwijl [eiseres 1] ter zitting heeft verklaard dat zij het apparaat heeft achtergelaten zoals zij dat heeft aangetroffen. Aangezien de hervatting van de werkzaamheden door [eiseres 1] sowieso slechts tijdelijk zou zijn, namelijk tot 1 januari 2020, wegen de belangen [gedaagde 2] c.s. zwaarder dan die van [eiseres 1] . Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter mede in aanmerking genomen dat [eiseres 1] niet concreet heeft gemaakt hoe zij de hervatting van haar werkzaamheden, en met name de daarvoor noodzakelijke overdrachten, voor zich ziet. Voorts valt niet in te zien waarom zij haar vaardigheden niet elders – bijvoorbeeld als waarnemer en/of door de kennelijk aangeboden counselinggesprekken te houden in de Verloskundigenpraktijk [naam bedrijf 2] – op peil kan houden. Partijen zouden ook afspraken kunnen maken over een eerdere datum van de verdeling van de cliënten en/of over een financiële vergoeding die komt in plaats van de overname van cliënten. Hoe dan ook maken de belangen van [eiseres 1] niet dat zij moet worden toegelaten tot haar werkzaamheden bij [naam praktijk] , hoezeer de voortijdige beëindiging van de samenwerking in haar ogen ook onterecht en/of nadelig is.

4.9.

Dit betekent dat de vorderingen tot toelating tot de werkzaamheden moet worden afgewezen. [eiseres 1] heeft niet gesteld welk zelfstandig belang zij dan nog heeft bij toegang tot de computersystemen van [naam praktijk] , zodat ook die vordering wordt afgewezen.

4.10.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter hierbij op dat de arbitrage kostbaar is en dat de uitkomst daarvan mogelijk nog enige tijd op zich laat wachten. De voorzieningenrechter geeft partijen daarom in overweging om alsnog een oplossing te vinden in de lijn van de eerder (nagenoeg) bereikte overeenstemming, waarbij enerzijds rekening gehouden kan worden met de gevolgen van het feit dat [eiseres 1] sinds augustus 2019 niet meer tot haar werkzaamheden is toegelaten en anderzijds met de gevolgen van de door haar gedane melding en de mogelijk door haar verrichte concurrerende werkzaamheden.

Reconventie

4.11.

Met betrekking tot het in reconventie gevorderde toegangsverbod overweegt de voorzieningenrechter dat [eiseres 2] c.s. onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die oplegging van zo’n toegangsverbod rechtvaardigen. Ter zitting heeft [verweerster] verklaard dat zij sinds haar vakantie eenmaal in de praktijk is geweest om voor haar opleiding echo’s uit te voeren. [eiseres 2] c.s. heeft verklaard daartegen op zichzelf ook geen bezwaar te hebben, zij het dat volgens haar daarna de instellingen van het echoapparaat waren gewijzigd. Daarnaast zou [verweerster] eenmaal zijn verschenen met haar echtgenoot die zich daarbij intimiderend zou hebben gedragen. Uit niets blijkt dat [verweerster] vaker bij de praktijk is verschenen. [eiseres 2] c.s. heeft ook niet concreet gemaakt voor welke schade toebrengende handelingen zij vreest. De reconventionele vordering wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

4.12.

Aangezien partijen materieel over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten zowel in conventie als in reconventie gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in reconventie

5.3.

wijst de vorderingen af;

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2019.

3077/676