Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:803

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
C/10/565235 / KG ZA 19-2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen ex-partners. Vordering tot ontruiming. Aannemelijk dat sprake is van een (onder)huurovereenkomst m.b.t. onzelfstandige woonruimte. Vordering toewijsbaar nu de overeenkomst door eiseres is opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/565235 / KG ZA 19-2

Vonnis in kort geding van 31 januari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Brielle,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Brielle,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.E. Gout de Kreek te Heenvliet.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 januari 2019, met 1 productie;

  • -

    drie aanvullende producties van [eiseres] ;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens reconventionele eis, met 1 productie;

  • -

    de mondelinge behandeling op 22 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij wonen beiden in de woning aan de [adres] in Brielle. Deze woning wordt in zijn geheel gehuurd door [eiseres] .

2.2.

Op 3 september 2018 hebben partijen een overeenkomst ondertekend. De overeenkomst is getiteld “Overeenkomst betreffende kost en inwoning”. In deze overeenkomst staat onder andere:

Kostgever

Naam: [eiseres]

Kostganger

Naam: [gedaagde]

Kostgever verhuurt met ingang 14 augustus 2018 van woonruimte aan de kostganger. Hierbij mag de kostganger gebruik maken van de diverse ruimtes gelegen in de woning.

De kostganger betaalt maandelijks een bedrag van € 538,- voor inwoning, te beginnen per 24 oktober 2018. (…)

De overeengekomen som geldt als compensatie voor alle woonlasten (woonruimte, energie, verzekering, gemeentelijke heffingen, waterschapsheffingen, etc.) die aan kostgever worden berekend.

2.3.

Bij aangetekende brief van 19 december 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] onder andere het volgende bericht:

Zoals je op maandag jongstleden van mij te horen hebt gekregen is onze relatie door mij definitief stopgezet. (…)

Ik wil dat je deze woning op korte termijn gaat verlaten. Ik geef je vanaf de datum van deze brief 2 weken de tijd om hier gehoor aan te geven. Dit houdt concreet in dat je de tijd hebt tot donderdag 3 januari 2019.

2.4.

Bij brief van 28 december 2018 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, binnen vijf dagen na dagtekening van de brief de woning te verlaten.

2.5.

[gedaagde] heeft hier geen gehoor aan gegeven.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat [gedaagde] de woonruimte binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis dient te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] dient te stellen en de woning verlaten en ontruimd dient te houden, met machtiging van [eiseres] om, op kosten van [gedaagde] , de ontruiming te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

  2. te bepalen dat [gedaagde] zich binnen de termijn van de ontruiming zal uitschrijven op het woonadres van [eiseres] ,

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, waaronder ook de eventueel te maken ontruimingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

De voorzieningenrechter leest de vorderingen onder 1 en 2 aldus dat wordt gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van de woning, respectievelijk [gedaagde] te gebieden zich binnen de termijn van de ontruiming door de gemeente te laten uitschrijven van het adres van [eiseres] . Daarbij is in aanmerking genomen dat [gedaagde] de vorderingen ook zo heeft begrepen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4.

Op de voor de beoordeling van de vorderingen van belang zijnde stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het [verweerster] verboden is om de zaken die [eiser] in eigendom toebehoren te verplaatsen en [verweerster] te verbieden [eiser] verbaal te terroriseren, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

4.2.

De voorzieningenrechter leest het eerste deel van de vordering aldus dat wordt gevorderd [verweerster] te verbieden om zaken die [eiser] in eigendom toebehoren te verplaatsen. [verweerster] heeft dat ook zo begrepen.

4.3.

[verweerster] voert geen verweer.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

[eiseres] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.

[gedaagde] en zij wonen samen in haar huurwoning. Hun relatie is verbroken. Zij heeft hem

bij aangetekende brief van 19 december 2018 verzocht de woning te verlaten, maar hij heeft hier geen gehoor aan gegeven. Hierdoor wordt haar recht op het ongestoord woongenot praktisch onmogelijk gemaakt. Zij voelt zich onveilig in haar woning. [gedaagde] heeft een persoonlijkheidsstoornis en een angststoornis. Hij drinkt veelvuldig alcohol. Dat leidt tot verbaal geweld tegenover haar. De politie is, naar aanleiding daarvan, meerdere malen ter plaatse geweest.

5.2.

[gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, dan wel dat haar vorderingen moeten worden afgewezen, omdat zij de substantiëringsplicht heeft geschonden. Zij heeft nagelaten om de in 2.2. bedoelde overeenkomst (direct) over te leggen en om in de dagvaarding melding te maken van de inhoud van de door zijn advocaat aan haar advocaat verzonden e-mailberichten waarin staat dat sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen, dat er geen reden is om de huurovereenkomst te ontbinden, en dat om die reden door [gedaagde] geen gevolg zal worden gegeven aan de sommatie om de woning te verlaten.

5.3.

Overwogen wordt het volgende.

Artikel 111 lid 3 Rv bepaalt dat het exploot van dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermeldt. Aan dat vereiste is – om onbekend gebleven redenen – niet voldaan. Op de niet-naleving van de substantiëringsplicht staat geen uitdrukkelijke sanctie. Artikel 120 lid 4 Rv bepaalt immers dat het eerste lid van artikel 120 Rv – waarin staat dat al hetgeen in Boek 1, Titel 2, Afdeling 4 is voorgeschreven op straffe van nietigheid in acht moet worden genomen – niet van toepassing is op hetgeen is voorgeschreven in het derde lid van artikel 111 Rv. Aan de niet-naleving van de substantiëringsplicht kan de rechter de gevolgen verbinden die hij geraden acht (Kamerstukken II 1999/00, 26855, 3, p. 99). De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen aanleiding om een gevolg te verbinden aan de niet-naleving van de substantiëringsplicht. [gedaagde] is op de zitting verschenen en heeft verweer gevoerd. Hij is door de niet-naleving van de substantiëringsplicht niet in zijn verdediging geschaad.

5.4.

[gedaagde] voert subsidiair aan dat de vorderingen moeten worden afgewezen, omdat het spoedeisend belang daarbij ontbreekt en hem bovendien huurbescherming toekomt. Niet te verwachten valt dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden, aldus [gedaagde] .

5.5.

Overwogen wordt het volgende.

Een vordering tot ontruiming van (in dit geval) een (gedeelte van een) woning is in kort geding alleen toewijsbaar als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat een tussen eiser en gedaagde bestaande huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt ontbonden, dan wel dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de gedaagde zonder recht of titel in de woning verblijft, terwijl niet van de eigenaar van de woning, dan wel de rechthebbende op het gebruik van die woning, kan worden gevergd dat hij de beslissing van de bodemrechter afwacht. Alleen in dat geval kan, vooruitlopend op de verwachte uitkomst van een eventuele bodemprocedure, en na een afweging van de wederzijdse belangen, op de voet van artikel 254 Rv de gevraagde voorziening worden getroffen.

5.6.

De voorzieningenrechter begrijpt uit het betoog van [eiseres] dat zij zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] zonder recht of titel in haar woning verblijft. [gedaagde] betwist dat en stelt dat sprake is van een huurovereenkomst. Uitgangspunt is dat degene die zich beroept op een recht om een goed te houden of te gebruiken, zoals een huurrecht, de stelplicht en bewijslast heeft met betrekking tot de feiten waaruit dat recht volgt (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1185). Dit betekent dat het op de weg van [gedaagde] ligt om aannemelijk te maken dat sprake is van een huurovereenkomst. Daarin is hij geslaagd.

5.7.

Artikel 7:201 lid 1 BW bepaalt dat huur de overeenkomst is waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Als sprake is van het in gebruik verstrekken van een bepaalde zaak én van een tegenprestatie, is sprake van een huurovereenkomst en is het huurrecht van toepassing. De tegenprestatie moet wel bepaalbaar zijn, zo volgt uit artikel 6:227 BW. Daarnaast moet de omvang van de tegenprestatie voldoende zijn.

5.8.

Vaststaat dat partijen samen in de woning wonen. Van het door [eiseres] aan [gedaagde] in gebruik verstrekken van de gehele woning, is dus geen sprake. Resteert de vraag of sprake is van het in gebruik verstrekken van een gedeelte van de woning. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. [gedaagde] stelt dat hij een eigen kamer heeft in de woning. Dat is niet door [eiseres] weersproken.

5.9.

Evenmin door [eiseres] weersproken is dat sprake is van een (bepaalbare) tegenprestatie. De omvang hiervan (€ 538,- inclusief bijkomende kosten) komt de voorzieningenrechter niet zonder meer onredelijk voor.

5.10.

De stelling van [gedaagde] dat sprake is van een huurovereenkomst, is door hem onderbouwd door overlegging van de op 3 september 2018 door beide partijen ondertekende “Overeenkomst betreffende kost en inwoning”. [eiseres] stelt dat deze overeenkomst uitsluitend is opgesteld op advies van de bewindvoerder van [gedaagde] , zodat deze geld kon vrijmaken waarvan [gedaagde] kon bijdragen in de woonlasten, en dat zij feitelijk gewoon samenwoonden. [gedaagde] weerspreekt dat en stelt dat de huurovereenkomst is opgesteld omdat hij een bepaalde mate van zekerheid wilde dat hij kan blijven wonen waar hij woont. Volgens hem zijn partijen een overeenkomst aangegaan met de bedoeling de huur tussen partijen te regelen en vast te leggen en maakt het feit dat zij een relatie hebben of hadden dat niet anders. Dat dit anders moet worden gezien wordt door [eiseres] wel gesteld, maar blijkt nergens uit.

5.11.

Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat sprake is van het in gebruik verstrekken van een gedeelte van de woning én van een tegenprestatie, moet het voorshands ervoor worden gehouden dat sprake is van (onder)verhuur van onzelfstandige woonruimte.

5.12.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat die huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt ontbonden. De voorzieningenrechter beantwoordt ook die vraag bevestigend.

5.13.

Artikel 7:232 lid 3 BW bepaalt dat, gedurende negen maanden na het ingaan van de huurovereenkomst, artikel 7:271 lid 4 BW niet van toepassing is op huur van woonruimte die niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van een woning waarin de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft en waarin niet eerder aan dezelfde huurder deze of andere woonruimte is verhuurd geweest. Dit betekent dat een voor onbepaalde tijd aangegane huur door de verhuurder kan worden opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs overeengekomen dag zónder dat de opzegging de gronden moet vermelden die tot de opzegging hebben geleid, en dat opzegging door de verhuurder bovendien kan geschieden op andere gronden dan de in artikel 274 lid 1 genoemde gronden. Wel moet de opzegging bij exploot of bij aangetekende brief geschieden en moet bij de opzegging een termijn in acht worden genomen van ten minste drie maanden, zo volgt uit het derde respectievelijk het vijfde lid (onder b) van artikel 7:271 BW. Het zesde lid bepaalt dat een opzegging die is gedaan in strijd met lid 1, lid 3 of lid 5 onder a, en een opzegging die is gedaan op een kortere termijn dan die van lid 5 onder b niettemin gelden als waren zij gedaan tegen de voorgeschreven dag en met inachtneming van de voorgeschreven termijn.

5.14.

Niet gesteld, laat staan aannemelijk geworden, is dat de huurovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Er is dus sprake van een voor onbepaalde tijd aangegane huurovereenkomst. De tussen partijen gesloten overeenkomst ziet op de huur van woonruimte die niet een zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van een woning waarin de verhuurder, [eiseres] , haar hoofdverblijf heeft. Niet gesteld, laat staan aannemelijk geworden, is dat eerder woonruimte in de woning aan [gedaagde] is verhuurd geweest. De huurovereenkomst is ingegaan op 14 augustus 2018. Dat is minder dan negen maanden geleden. Aan alle in artikel 7:232 lid 3 BW genoemde voorwaarden is dus voldaan. Dat betekent dat artikel 7:271 lid 4 BW niet van toepassing is.

5.15.

[eiseres] heeft [gedaagde] bij aantekende brief van 19 december 2018 bericht dat zij wil dat hij de woning op korte termijn gaat verlaten, en hem twee weken de tijd gegeven om daar gehoor aan te geven. Deze brief moet, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, worden aangemerkt als een opzegging in de zin van artikel 7:271 lid 2 BW e.v. Omdat de opzegging is gedaan op een kortere termijn dan die van artikel 7:271 lid 5 onder b, geldt de opzegging als ware zij gedaan met inachtneming van een termijn van drie maanden. Uit de huurovereenkomst leidt de voorzieningenrechter af dat de huurprijs moet worden betaald op de 24ste van de maand. De opzegging moet daarom geacht worden te zijn gedaan tegen 24 maart 2019. Vanaf die datum verblijft [gedaagde] , naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, zonder recht of titel in de woning. Dat betekent dat de vordering in beginsel toewijsbaar is.

5.16.

De vraag die echter eerst nog moet worden beantwoord, is of al dan niet van [eiseres] kan worden gevergd dat zij de beslissing van de bodemrechter afwacht. [gedaagde] betwist dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming. Hij voert in dit verband aan dat het de laatste tijd zeer rustig is in de woning en dat zij kennelijk hebben geleerd om als goede partijen met elkaar om te gaan.

5.17.

Uit hetgeen [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding naar voren heeft gebracht, leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde] niet van plan is om de woning (uit eigen beweging) te verlaten. Dat zou betekenen dat [gedaagde] , met ingang van de datum waartegen de tussen partijen bestaande overeenkomst door [eiseres] is opgezegd, zijnde 24 maart 2019, een inbreuk gaat maken op het recht van [eiseres] om de woning alleen te gebruiken. Dat levert een voldoende spoedeisend belang op om de vordering in kort geding te kunnen toewijzen. Daarbij komt dat [eiseres] stelt zich onveilig te voelen in haar woning zo lang [gedaagde] daar ook woont. [gedaagde] betwist dat sprake is van “verbale mishandeling” van [eiseres] , maar erkent wel dat zij “weleens kibbelden” en dat hij weleens zijn stem verhief. Dat [eiseres] redenen heeft om zich onveilig te voelen, acht de voorzieningenrechter, voldoende aannemelijk. [eiseres] heeft weliswaar nagelaten om haar stelling dat de politie meerdere keren, onder meer op 21 december 2018, ter plaatse is geweest vanwege ruzies tussen partijen met stukken te onderbouwen, maar deze stelling is niet door [gedaagde] betwist.

5.18.

De belangen van partijen tegen elkaar afwegende, zal de termijn waarbinnen [gedaagde] de woning van [eiseres] moet ontruimen worden gelijkgesteld aan de termijn die resteert totdat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst is geëindigd. [gedaagde] verblijft tot die tijd niet onrechtmatig in de woning en heeft belang bij het krijgen van voldoende tijd om andere woonruimte te vinden, terwijl [eiseres] – zo is tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding gebleken – tijdelijk ergens anders kan verblijven.

5.19.

De mede gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf, met inroeping van de sterke arm, uit te doen voeren, wordt afgewezen. Uit artikel 556 lid 1 Rv volgt dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder en dat [eiseres] de ontruiming dus niet zelf ter hand mag nemen. Zij heeft voldoende aan een ontruimingsvonnis om de deurwaarder in te mogen schakelen als [gedaagde] niet vrijwillig tot ontruiming overgaat. Ze heeft daarvoor geen rechterlijke machtiging nodig. Voorwaarde voor gedwongen ontruiming is dat het ontruimingsvonnis door de deurwaarder aan [gedaagde] wordt betekend en dat aan [gedaagde] , overeenkomstig het bepaalde in artikel 555 Rv, bevel wordt gedaan om binnen drie dagen te ontruimen. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te roepen als de deuren gesloten zijn, of de opening geweigerd wordt. Die bevoegdheid ontleent hij aan artikel 557 Rv, in combinatie met artikel 444 Rv.

5.20.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat de vordering tot vergoeding van eventueel te maken ontruimingskosten (nu nog) niet bepaalbaar is en reeds daarom wordt afgewezen.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

[eiser] stelt dat [verweerster] steeds spullen die eigendom zijn van [eiser] verzamelt en verplaatst en dat [verweerster] haar vermeend gelijk kracht bijzet met verbaal terreur, en dat dit zeer ongewenst is. De juridische grondslag van de op die feiten gebaseerde vorderingen is niet door [eiser] geduid.

6.2.

[verweerster] voert geen verweer tegen de reconventionele vorderingen. De vorderingen moeten niettemin worden afgewezen, alleen al omdat deze – nog afgezien van het feit dat de eerste vordering declaratoir van aard is – te onbepaald zijn om te kunnen worden toegewezen. Onduidelijk is om welke spullen het precies gaat en wat moet worden verstaan onder “verbaal terroriseren”.

6.3.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde] om het pand aan de [adres] in Brielle vóór 24 maart 2019 te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ,

7.2.

gebiedt [gedaagde] zich uiterlijk per 24 maart 2019 door de gemeente te laten uitschrijven van het adres [adres] in Brielle,

7.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.6.

wijst de vorderingen af,

7.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2019.2885/2009