Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7983

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
5497371 \ CV EXPL 16-8587 en 5968798 CV EXPL 17-3449 tussenvonnis 2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in bewijsopdracht geslaagd. Nieuwe bewijsopdracht conform eerder tussenvonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummers: 5497371 \ CV EXPL 16-8587 en 5968798 CV EXPL 17-3449

uitspraak: 2 mei 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak met nummer 5497371 CV EXPL 16-8587 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Handelsonderneming Aarts Heftrucks B.V.,

gevestigd te Amerzoden,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.G.W. van Kessel,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Old Dutch Wood B.V.,

gevestigd te Velddriel en kantoorhoudende te Meerkerk,

gedaagde sub 1,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Old Dutch Wood Verhuur B.V.,

gevestigd te Velddriel en kantoorhoudende te Meerkerk,

gedaagde sub 2,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde sub 3,

gemachtigde voor gedaagden sub 1 tot en met 3: mr. S. Kroesbergen.

en in de zaak met nummer 5968798 CV EXPL 17-3449 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Handelsonderneming Aarts Heftrucks B.V.,

gevestigd te Amerzoden,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.G.W. van Kessel,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Luanti B.V.,

gevestigd te Giessenburg, kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde sub 1,

die niet is verschenen noch om uitstel heeft verzocht,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde sub 2,

gemachtigde mr. S. Kroesbergen.

Partijen worden hierna aangeduid als “Aarts” en “ODW”, “ODW Verhuur”, “ [gedaagde] ” en “Luanti”.

1 Het verdere verloop van de procedure

in de zaak met zaaknummer 5497371 CV EXPL 16-8587:

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het vonnis van 26 april 2018:

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor zijdens de gedaagde partij van 3 oktober 2018;

  • -

    de akte na enquête aan de zijde van ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] ;

  • -

    de akte conclusie na enquête aan de zijde van Aarts.

in de zaak met zaaknummer 5968798 CV EXPL 17-3449:

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het vonnis van 26 april 2018:

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor zijdens de gedaagde partij van 3 oktober 2018;

  • -

    de akte na enquête aan de zijde van ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] ;

  • -

    de akte conclusie na enquête aan de zijde van Aarts.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

In beide zaken:

2.1.

Verwezen en overgenomen wordt hetgeen in het vonnis van 26 april 2018 is overwogen en beslist.

2.2.

In het vonnis van 26 april 2018 heeft de kantonrechter ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat met Aarts is afgesproken dat zij nog in de week na 1 augustus 2016 de werkzaamheden mochten afmaken om het pand op te leveren in de staat zoals zij deze bij aanvang van de huurovereenkomst hebben ontvangen.

2.3.

Beoordeeld moet nu worden of ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] in hun bewijsopdracht zijn geslaagd. ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] hebben in dit kader twee getuigen doen horen tijdens de zitting van 3 oktober 2018. De getuigen hebben, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:

De getuige [naam getuige 1]:

“(..)

Ik weet het niet zeker, maar volgens mij moesten wij begin augustus daar weg zijn. Op een

zaterdag hebben wij toen de laatste dingen opgeruimd. Het hout en de heftruck die zouden

door een transporteur worden weggebracht, maar het lukte hen niet om dat op die zaterdag te doen. Dat zou toen de maandag daarop gebeuren en dan zouden ook de sleutels worden

ingeleverd. Van [naam getuige 2] heb ik begrepen dat het uitstel in goed overleg is gegaan. Zelf ben

ik daar niet bij betrokken geweest.

(..)

Op de maandag waarover ik het net had, vroeg [naam getuige 2] aan mij om de heftruck weg te rijden. Dat was omdat anders meneer [naam 2] die heftruck zou toe-eigenen, zo hoorde ik van [naam getuige 2] . Het pand zou namelijk op slot gaan en dan zouden we niet meer bij de heftruck kunnen. Die maandag was overigens [naam 1] er niet bij.

(..)

U vraagt mij van wie ik de opdracht had gekregen om het opruimwerk in het bedrijf in

Velddriel te doen. Dat was van [naam getuige 2] .

[naam getuige 2] was mijn leidinggevende in die tijd.

Van [naam getuige 2] had ik begrepen, dat het de bedoeling was dat het pand leeg opgeleverd zou

worden.

(..)

De dinsdag waarop ik voor een gesloten poort kwam te staan, heb ik geen contact

opgenomen met de heer [naam 2] . Wel heb ik aan [naam getuige 2] of aan de heer [gedaagde] telefonisch

doorgegeven, dat het hout weg was.

Die dinsdag was ik er alleen.

Op de maandag heeft [naam getuige 2] met de heer [naam 2] gesproken. Ik was daar niet bij en ik heb

ook niet van [naam getuige 2] gehoord wat er tussen hen is besproken.

Die dinsdag kwam ik daar terug om erbij te zijn als de transporteur het hout kwam ophalen.

Omdat ik het hout niet meer zag heb ik toen gebeld met [naam getuige 2] of met meneer [gedaagde] en een

van hen heeft vervolgens de transporteur afgebeld.

Er was een transporteur ingeschakeld om zowel het hout als de heftruck te vervoeren. Voor

het vervoeren van het hout is de transporteur die dinsdag toen afgebeld. De transporteur heeft toen wel de heftruck vervoerd. Ik heb niet gewacht op de transporteur voor het vervoeren van de heftruck. Ik ben zelf naar Meerkerk gegaan en zag daar op die dinsdag de vrachtwagen met de heftruck erop arriveren.

(..)”

De getuige [naam getuige 2]:

“(..)

Wij hebben het over eind juli 2016. Het pand in Velddriel aan de [adres] moest worden

opgeleverd. Ik heb die taak op me genomen en ook gezorgd dat alles naar Meerkerk werd

gebracht, daar zat het pand waar ons bedrijf toen verder ging.

(..)

Het was de bedoeling dat het hele pand in Velddriel op 1 augustus helemaal leeg zou zijn.

Dat is niet gelukt. Er zijn wat spullen achter gebleven die wij in de eerste week van augustus

op zouden halen, maar dat is anders gelopen. Toen wij er kwamen waren die spullen er niet

meer. Het gaat om hout dat buiten lag, dat waren boomstammen.

Het was de bedoeling dat op vrijdag het laatste getransporteerd zou worden vanuit Velddriel

naar Meerkerk. Daar kwam bij de transporteur iets tussen, waardoor dat niet lukte. De

maandag daarop zouden wij het pand opleveren. Dat zou ik samen met de heer [naam 2] doen.

Die maandag echter is de heer [naam 2] zelf met de makelaar door het pand gaan lopen. Ik

mocht daar niet bij zijn, dat kreeg ik of van de heer [naam 2] of van de makelaar te horen. Toen

zij klaar waren werd ik bij hen geroepen en kreeg ik te horen, dat wat er toen nog was van

ons niet meer weg zou mogen gebracht. Ze zeiden dat dat hun eigendom was. Het enige wat

er toen nog was waren de boomstammen buiten en de heftruck binnen. Ik heb toen [naam getuige 1]

gevraagd om de heftruck naar de buren te rijden.

Toen de vrijdag daarvoor bleek dat de transporteur niet kwam voor het hout en de heftruck,

ben ik naar de heer [naam 2] gelopen (zijn bedrijf zit ernaast) en heb ik hem gezegd dat het die

dag niet lukte en dat wij het in de week daarop zouden doen. Hij zei dat het geen probleem

was.

De maandag daarop heb ik tegen de heer [naam 2] gezegd dat het hout de volgende dag zou

worden opgehaald en de heftruck ook. De vuilcontainer zou die maandag nog worden

opgehaald. Dat was ook toen geen probleem voor de heer [naam 2] . Maar na zijn ronde met de

makelaar kreeg ik te horen dat het hout en de heftruck inmiddels eigendom van de heer [naam 2] waren.

Die dinsdag ben ik zelf niet meer in Velddriel bij het bedrijf geweest. [naam getuige 1] wel en hij belde

met mij dat er geen hout meer lag. Toen is alleen de heftruck nog naar Meerkerk gekomen.

Als het gaat om de oplevering van het pand hadden wij toen het idee dat wij het netjes

hadden opgeleverd. Daar waren de heer [naam 2] en de makelaar het niet mee eens, want zij

zeiden dat wij de vloer beschadigd hadden achtergelaten. Bovendien waren er nog meer

dingen volgens hen niet in orde. Dat zouden ze opnemen in een rapport en aan ons toesturen. In verband met de vakantie zou dat volgens de makelaar ongeveer drie weken duren. Ikzelf heb dat rapport nooit gezien.

U vraagt mij wat er behalve de vloer nog meer mis zou zijn met het pand. Er zou een

glassteen in de hoek naast de overheaddeur kapot zijn. Verder zat er een gat in de

achtergevel, dat zou gerepareerd worden. De heer [gedaagde] had daarvoor een bedrijf

ingeschakeld. Ik heb van de heer [gedaagde] begrepen, dat die reparatie op de een of andere manier niet mocht doorgaan. De reden ervan weet ik niet en ik was ook niet bij het gesprek tussen de heer [naam 2] en de heer [gedaagde] .

De laatste keer dat ik de heer [naam 2] sprak, dat was op die maandag, heb ik gezegd dat wij

voor het gat in de gevel een oplossing hadden. Hij zei mij dat dat niet meer nodig was. Nadat wij de sleutels hadden ingeleverd, ging het hek dicht en werd het gebarricadeerd. We konden dus ook niet meer op het terrein komen.

(..)

Nadat de heftruck van het terrein gereden was, heb ik of aan de heer [naam 2] of aan de

makelaar de sleutels overhandigd. Ik denk dat ik de sleutels aan de heer [naam 2] heb gegeven

en ik weet niet of de makelaar daar toen bij stond.

Ik kreeg te horen dat de sleutels moesten worden ingeleverd, dat de cilinders zouden worden

vervangen en het alarm erop ging. Het was toen voor mij duidelijk dat we het terrein niet

meer op konden.

Ik weet niet wanneer de heer [gedaagde] de opdracht had gegeven om de achtergevel te herstellen.

(..)”

2.4.

Aarts heeft van de mogelijkheid tot contra-enquête geen gebruik gemaakt.

2.5.

De kantonrechter is van oordeel dat ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] met de door hen gehoorde getuigen niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd. Uit de door de getuigen afgelegde verklaringen blijkt niet dat met Aarts is afgesproken dat ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] nog in de week na 1 augustus 2016 de werkzaamheden mochten afmaken. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.

De getuige [naam getuige 1] heeft alleen verklaard dat hij het hout en de heftruck de dag na de oplevering nog moest ophalen en niet wist wat er verder nog moest gebeuren. [naam getuige 1] heeft gelet hierop niets verklaard over het nog mogen afmaken van werkzaamheden na 1 augustus 2016.

De getuige [naam getuige 2] heeft weliswaar verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de oplevering, maar hij heeft niet verklaard dat hij of iemand anders met Aarts had afgesproken dat de werkzaamheden na 1 augustus 2016 nog mochten worden afgemaakt. [naam getuige 2] heeft alleen verklaard dat hij met Aarts heeft afgesproken dat het hout en de heftruck nog de dag na de oplevering opgehaald mochten worden en dat Aarts hiermee geen probleem had. Het ophalen van het hout en de heftruck vallen echter niet onder de nog te verrichten werkzaamheden aan het gehuurde. Uit de verklaring van [naam getuige 2] blijkt met name niet dat er afspraken met Aarts zijn gemaakt over de nog uit te voeren werkzaamheden aan onder andere de vloer en de wandbeplating en de overige werkzaamheden die nodig waren om het pand weer te herstellen in de staat ten tijde van de aanvang van de huurovereenkomst. [naam getuige 2] heeft juist verklaard dat hij van [gedaagde] had begrepen dat dat de reparaties niet meer mochten doorgaan en [naam getuige 2] heeft verklaard dat Aarts tegen hem heeft gezegd dat het niet meer nodig was om de schade aan de gevel te herstellen. Uit deze verklaringen van [naam getuige 2] blijkt derhalve niet dat er afspraken zijn gemaakt over het na 1 augustus 2016 nog mogen verrichten van de (herstel)werkzaamheden, maar uit de verklaringen blijkt juist dat er geen werkzaamheden meer verricht mochten, althans behoefden te worden door ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] .

Gelet op het voorgaande is het bestaan van de afspraak dat ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] na 1 augustus 2016 nog werkzaamheden mochten verrichten om het pand weer in de juiste staat te brengen niet komen vast te staan.

2.6.

Nu ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd, betekent dit – zoals in het vonnis van 26 april 2018 al is overwogen – dat de kosten voor herstel en het brengen van het pand in de staat zoals deze bij aanvang van de huurovereenkomst was voor rekening van ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] komen.

2.7.

In het vonnis van 26 april 2018 heeft de kantonrechter overwogen dat als ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] niet in hun bewijsopdracht slagen er een bewijsopdracht komt voor Aarts, omdat de hoogte van de door Aarts opgevoerde schade voldoende gemotiveerd is betwist door ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] .

2.8.

De kantonrechter zal Aarts daarom toestaan om te bewijzen dat al de door haar gestelde kosten zien op schade die valt onder de verplichting van ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] op grond van de vaststellingsovereenkomst tot herstel althans oplevering in dezelfde staat als bij aanvang van de huurovereenkomst. Aarts dient dit per door haar gestelde schadepost te bewijzen. Dit betekent dat Aarts per door haar overgelegde factuur (van productie 14 van de dagvaarding) zal moeten bewijzen dat die schade voor rekening van ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] komt op grond van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichting tot herstel althans oplevering in dezelfde staat als bij aanvang van de huurovereenkomst. De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de rol waar Aarts zich kan uitlaten of en zo ja, hoe zij dit bewijs wenst te leveren. In afwachting hiervan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in beide zaken:

laat Aarts toe per gestelde schadepost te bewijzen dat de kosten zien op schade die valt onder de verplichting van ODW, ODW Verhuur en [gedaagde] op grond van de vaststellingsovereenkomst tot herstel althans oplevering in dezelfde staat als bij aanvang van de huurovereenkomst;

verwijst de zaak naar de rolzitting van de kantonrechter van donderdag 6 juni 2019 om 10.00 uur om Aarts in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten of, en zo ja op welke wijze, zij dit bewijs wenst te leveren;

bepaalt dat indien zij dit bewijs schriftelijk wenst te leveren, zij dit direct bij deze akte moet doen;

bepaalt dat indien zij dit bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, zij bij deze akte de namen en woonplaats van de voor te brengen getuigen kan opgeven met opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden augustus tot en met november 2019;

bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het gerechtsgebouw aan het Steegoversloot 36 te Dordrecht ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter;

wijst partijen erop dat zij voor te brengen getuigen zelf dienen op te roepen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688