Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7970

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
546556 / HA ZA 18-268
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling van tussen partijen bestaande overeenkomsten van factoring en debiteurenbeheer, een leningsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht tussen eiser en één van de gedaagden.

Eindvonnis na tussenvonnis waarin eiser bewijsopdracht heeft gekregen ten aanzien van de omzetgegevens en de daaraan gekoppelde bonus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zaak-/rolnummer: 546556 / HA ZA 18-268

Uitspraak: 4 september 2019

Eindvonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ECP Nederland B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres sub 1 in conventie,

verweerster sub 1 in reconventie,

advocaat: mr. S.A.L.L. Caris,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ECP Factoring B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres sub 2 in conventie,

verweerster sub 2 in reconventie,

advocaat: mr. S.A.L.L. Caris,

- tegen -

[naam gedaagde 1] , tevens h.o.d.n. [handelsnaam 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde sub 1 in conventie,

eiser sub 1 in reconventie,

advocaat: mr. A.W. Hooijen

en

[naam gedaagde 2] , tevens h.o.d.n. [handelsnaam 2] en [handelsnaam 3] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde sub 2 in conventie,

eiseres sub 2 in reconventie,

advocaat: mr. A.W. Hooijen.

Partijen worden hierna aangeduid als "ECP Nederland" en “ECP Factoring”, gezamenlijk “ECP” enerzijds en “ [naam gedaagde 1] ” en “ [naam gedaagde 2] ”, gezamenlijk “ [gedaagden] ” anderzijds.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het tussenvonnis van 12 september 2018 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de akte bewijslevering aan de zijde van ECP van 21 december 2018 tevens akte overlegging producties;

  • -

    het proces-verbaal van het op 10 januari 2019 gehouden getuigenverhoor;

  • -

    de akte uitlaten voortzetting enquête aan de zijde van ECP;

  • -

    de akte wijziging eis van 19 maart 2019 aan de zijde van [gedaagden] ;

  • -

    de akte vermeerdering van eis van 20 maart 2019 aan de zijde van ECP, tevens akte na enquête, met producties;

  • -

    de akte na enquête aan de zijde van [gedaagden] van 30 april 2019;

  • -

    de antwoordakte na eiswijziging aan de zijde van ECP van 29 mei 2019.

1.2

Tot slot is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1

Partijen hebben gevorderd hetgeen is vermeld in het tussenvonnis van 12 september 2018. In de wijziging van eis heeft ECP haar vordering verminderd in die zin dat zij niet langer de teruggave van de laptop vordert, aangezien deze inmiddels door haar is ontvangen. Daarnaast heeft ECP Factoring haar eis vermeerderd in die zin dat voor zover zal worden geoordeeld dat op de verstrekte voorschotten niet de voorwaarden van de gesloten factoringovereenkomsten van toepassing zijn, [gedaagden] worden veroordeeld tot terugbetaling van deze voorschotten, [naam gedaagde 2] een bedrag van € 25.000,- en [naam gedaagde 1] een bedrag van € 23.000,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 oktober 2017. Aan deze vordering heeft ECP Factoring ten grondslag gelegd dat [gedaagden] hebben erkend dat zij de verstrekte voorschotten moeten terugbetalen en dat, bij gebreke van een afspraak over het moment van opeisbaarheid, terstond nakoming ex artikel 6:38 BW kan worden gevorderd. Aangezien ECP Factoring op 10 oktober 2017 aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling, is vanaf dat moment de wettelijke handelsrente verschuldigd.

2.1

[gedaagden] hebben bij akte van 19 maart 2019 hun eis vermeerderd met de vordering om ECP Nederland te veroordelen om aan [naam gedaagde 1] de zogenaamde flexbonus te betalen over iedere maand dat ECP Nederland een omzet van minimaal € 65.000,- heeft behaald. Hieraan hebben [gedaagden] ten grondslag gelegd dat gedurende de procedure is gebleken dat de omzet altijd is bepaald zonder daarbij acht te slaan op de omzet die ECP genereert uit huurgaranties.

3 De verdere beoordeling

3.1

De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 12 september 2018 met dien verstande dat in alinea 5.3 in de 5e regel per abuis is vermeld dat ECP Nederland een verklaring voor recht heeft gevraagd dat [naam gedaagde 1] ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op betaling van factuur 201568. [naam gedaagde 1] heeft in reconventie weliswaar aanspraak gemaakt op betaling van deze factuur, maar in conventie heeft ECP Nederland ten aanzien van deze factuur geen dispuut opgeworpen. Wel heeft zij een dispuut opgeworpen voor factuur 201569, hetgeen onterecht is gelet op hetgeen verder in alinea 5.3 is overwogen.

3.2

Hiervoor is reeds vermeld dat zowel ECP als [gedaagden] de eis hebben gewijzigd. Beide partijen hebben bezwaar gemaakt tegen elkaar eiswijziging. Nu partijen voldoende in de gelegenheid zijn geweest om te reageren op de eiswijzigingen, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze buiten beschouwing te laten en er zal dan ook op worden beslist.

3.3

Bij tussenvonnis is bepaald dat ECP diende te bewijzen dat de omzet van ECP Nederland in de maanden augustus, oktober en november 2016 en februari 2017 niet hoger was dan € 65.000,-. Daarnaast is ECP opgedragen te bewijzen dat op de verstrekte voorschotten de voorwaarden uit de factoringsovereenkomst van toepassing waren.

3.4

Ten aanzien van de voorschotten wordt volgt overwogen. Uit de door ECP overgelegde akte bewijslevering en dan met name de producties 37 tot en met 39, maar ook uit de getuigenverklaring van [naam getuige] en dan met name het gedeelte:

“De bedoeling van de factoringovereenkomst is dat daaruit voorschotten kunnen worden verstrekt. Het verstrekken van voorschotten kan alleen als er zo’n overeenkomst aan ten grondslag ligt. Door ECP worden vaker voorschotten verstrekt, op basis van onderhanden werk dan wel nog te factureren posities.” kan voldoende wordt vastgesteld dat de voorschotten zijn verstrekt in het kader van de tussen partijen gesloten factoringsovereenkomsten. Dat neemt niet weg dat de voorschotten een heel ander karakter hebben dan de ‘reguliere’ betalingen die door ECP zijn voldaan aan [gedaagden] uit hoofde van de nadien gesloten factoringovereenkomst. Ten aanzien van die reguliere betalingen gaat het immers om facturen die ECP aan [gedaagden] voldoet, terwijl daar een vordering op een derde tegenover staat. Bij de voorschotten gaat het om, zo vermeldt ook de als productie 39 overgelegde vaststellingsovereenkomst, om aan de klant financiering ter beschikking te stellen wegens een gebrek aan liquide middelen. Weliswaar wordt het voorschot, zo blijkt eveneens uit die vaststellingsovereenkomst, verstrekt onder de voorwaarde dat een factoringovereenkomst wordt gesloten, maar dat brengt nog niet met zich mee dat de voorwaarden van die overeenkomst ook van toepassing zijn op het als voorschot verstrekte bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de voorschotten dan ook worden gekwalificeerd als een lening. Met [gedaagden] in de rechtbank dan ook van oordeel dat ECP op dit punt niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en dat de bedragen ook niet thuishoren in de factoringsaldi.

3.5

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is op welk moment de voorschotten dien(d)en te worden terugbetaald aan ECP, want dat dat moet gebeuren, staat niet ter discussie. Op grond van het overgangsrecht is op de geldleningsovereenkomst, nu deze tot stand is gekomen vóór 1 januari 2017, oud recht van toepassing, dat wil zeggen de artikelen 7A:1791 BW (oud) ev. In artikel 7A:1796 BW (oud) is bepaald dat het uitgeleende bedrag niet opeisbaar is voor het verstrijken van de tijd en in artikel 7A:1797 BW (oud) is bepaald dat indien geen tijd is bepaald, enig uitstel kan worden toegestaan. Dit uitstel is een uitzondering op de door ECP aangehaalde hoofdregel uit artikel 6:38 BW dat nakoming van een verbintenis terstond kan worden gevorderd. De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagden] aldus dat zij een beroep doen op deze uitzondering. Het verweer wordt verworpen gelet op de inhoud van de hiervoor aangehaalde vaststellingsovereenkomst. Uit die overeenkomst volgt ondubbelzinnig dat het verstrekken van de lening (het voorschot) is gekoppeld aan de totstandkoming van de factoringovereenkomst. Uitdrukkelijk is bepaald dat het voorschot indien de factoringovereenkomst niet binnen veertien dagen na ondertekening van die vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, [naam gedaagde 2] het voorschot binnen vijf dagen moet terug betalen. Deze bepaling maakt dat, hoewel niet uitdrukkelijk opgenomen, wel degelijk een moment is bepaald waarop de lening moet worden terugbetaald, namelijk in ieder geval binnen vijf dagen na het eindigen van de factoringovereenkomst.

3.6

Ter zitting hebben [gedaagden] onweersproken gesteld dat de factoringovereenkomsten zijn opgezegd op respectievelijk 9 november 2017 ( [naam gedaagde 2] ) en 28 november 2017 ( [naam gedaagde 1] ), zodat de rechtbank er in rechte vanuit gaat dat de factoringovereenkomsten per die data zijn geëindigd. De vordering tot het terugbetalen van de voorschotten zal, gelet op het voorgaande, worden toegewezen waarbij [gedaagden] tevens wettelijke handelsrente verschuldigd zijn vanaf het moment van opeisbaarheid.

3.7

Ten aanzien van het al dan niet behalen van de overeengekomen omzetgrens wordt het navolgende overwogen. ECP heeft allereerst een schriftelijke verklaring overgelegd van drs. [naam 1] (productie 35) met daarachter een aantal print-outs. Ten aanzien van de omzet is in deze verklaring opgenomen ‘Ik heb vastgesteld dat de in de financiële administratie van ECP Nederland B.V. voor de maanden augustus 2016, oktober 2016, november 2016 en februari 2017 verantwoorde omzet lager is dan EUR 65.000.’ Deze verklaring is onvoldoende om uit af te leiden dat de omzet ook daadwerkelijk lager is geweest, nu [naam 1] niet heeft toegelicht welke bronnen hij heeft geraadpleegd en op welke wijze deze bronnen moeten worden gelezen. Dat geldt ook voor de bijgevoegde, niet nader toegelichte, stukken. Ook de schriftelijke verklaring van [naam 2] (productie 36) bevat weinig concrete informatie te dien aanzien. Op 10 januari 2019 heeft aan de zijde van ECP een enquête plaatsgevonden, waarbij voornoemde [naam 2] alsmede de bestuurder van ECP, dhr. [naam getuige] als getuige zijn gehoord. Hoewel beide getuigen (opnieuw) hebben verklaard dat de omzetgrens in de betreffende maanden niet is gehaald, hebben zij ook verklaard dat niet alle omzetgegevens in de overgelegde print-outs (productie 35) zijn opgenomen, hetgeen niet bijdraagt aan de vaststelling van het al dan niet behalen van een bepaalde omzet. Al met al is de rechtbank van oordeel dat ECP er niet in is geslaagd te bewijzen dat de omzet in de maanden augustus, oktober en november 2016 en februari 2017 niet hoger was dan € 65.000,-. Dat betekent dat de door ECP gevorderde verklaring voor recht dat [naam gedaagde 1] ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op betaling van de facturen 201547, 201551, 201552 en 201555, niet toewijsbaar is.

3.8

Gelet op hetgeen in dit vonnis en het tussenvonnis van 12 september 2018 is overwogen zal in conventie als volgt worden beslist.

3.8.1

De gevorderde verklaring voor recht dat de rechtsgrond van een achttal door [naam gedaagde 1] bij ECP ingediende facturen ad in totaal € 62.920,- ontbreekt (eerste liggende streepje 3.1 van het tussenvonnis), zal, gelet op hetgeen hiertoe is overwogen in het tussenvonnis onder 5.4.2 tot en met 5.5, worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 35.332,-. Ten aanzien van factuur 201570 is reeds overwogen dat [naam gedaagde 1] aanspraak kan maken op een bedrag van € 3.630 + € 1.089,- (van de in totaal gefactureerde € 7.260,-) zodat een bedrag van € 2.541,- resteert waarop hij geen aanspraak kan maken en voor welk bedrag de vordering van ECP zal worden toegewezen. Ten aanzien van factuur 201572 is reeds overwogen dat [naam gedaagde 1] aanspraak kan maken op een bedrag van € 1.089,- (van de gefactureerde € 3.630,-) zodat een bedrag van € 2.541,- resteert waarop hij geen aanspraak kan maken en voor welk bedrag de vordering van ECP zal worden toegewezen. Ten aanzien van factuur 201571 is reeds overwogen dat [naam gedaagde 1] geen aanspraak kan maken op dit bedrag, zodat de vordering ten aanzien van deze factuur volledig (€ 30.250,- inclusief btw) zal worden toegewezen.

3.8.2

De vordering om aan ECP Nederland een bedrag van € 252,05 te betalen zal worden toegewezen tot een bedrag van € 103,65, conform hetgeen in alinea 5.6 van het tussenvonnis is overwogen.

3.8.3

De gevorderde verklaring voor recht dat de rechtsgrond van een door [naam gedaagde 2] ingediende factuur met een beloop van € 1.064,80, ontbreekt, zal worden toegewezen, nu [naam gedaagde 2] niet heeft gesteld welke werkzaamheden aan die factuur ten grondslag hebben gelegen en zij de vordering aldus niet betwist heeft.

3.8.4

De vordering om [naam gedaagde 1] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 32.922,06 en om [gedaagden] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 19.016,41, zullen worden afgewezen. Deze vordering betreft de uitbetaling van het door ECP vastgestelde negatieve factoringssaldo. Dat het saldo van beide ondernemingen negatief is, wordt onder meer veroorzaakt door het in mindering brengen van de voorschotten, waarvan hiervoor is vastgesteld dat dit bedrag niet thuishoort in het factoringsaldi. Dat geldt evenzeer voor de daarmee samenhangende incompany-facturen. Ook is in het geval van [naam gedaagde 1] is een bedrag van ruim 62.000 euro in mindering gebracht omdat ECP ten aanzien van deze facturen een dispuut heeft opgeworpen. Dat is (in ieder geval gedeeltelijk) ten onrechte nu is vastgesteld dat ECP een groot deel van deze facturen gewoon verschuldigd is. Zonder aftrek van deze bedragen zijn de factoringsaldi niet langer negatief, zodat de vorderingen niet toewijsbaar zijn.

3.8.5

De bij eiswijziging ingediende subsidiaire vordering om [gedaagden] te veroordelen tot het terugbetalen van de verstrekte voorschotten, zal gelet op hetgeen te dien aanzien is overwogen, worden toegewezen.

3.8.6

De vordering tot het betalen van € 2.852,45 aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, nu een groot deel van de vordering eveneens wordt afgewezen, dan wel op een andere grondslag wordt toegewezen.

3.8.7

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de kosten in conventie te compenseren in die zin dat partijen ieder de eigen kosten zullen dragen.

3.9

Gelet op hetgeen in dit vonnis en het tussenvonnis van 12 september 2018 is overwogen zal in reconventie als volgt worden beslist.

3.9.1

De vordering om ECP Nederland te veroordelen om aan [naam gedaagde 1] een bedrag van € 56.469,49 te betalen zal worden afgewezen, nu is vastgesteld dat een deel van deze facturen niet verschuldigd is en voor het overige de vorderingen zijn overgedragen aan ECP Factoring. Voor zover de facturen overigens wel verschuldigd zijn en nog niet zijn uitbetaald, zullen ze wel dienen te worden verwerkt in het factoringsaldo en daarvan heeft [naam gedaagde 1] eveneens uitbetaling gevorderd.

3.9.2

De vorderingen weergegeven in het tussenvonnis onder 4.1 b, c en d zullen worden toegewezen. ECP zal in de factoringsaldi rekening moeten houden met de in dit vonnis genomen beslissingen. Voor zover de saldi positief zijn, zal ECP deze aan [naam gedaagde 1] respectievelijk [naam gedaagde 2] dienen te voldoen.

3.9.3

De vorderingen onder 4.1 e, f en g zullen, gelet op hetgeen hieromtrent in het tussenvonnis is overwogen, worden afgewezen.

3.9.4

De vordering van [naam gedaagde 1] om ECP Nederland te veroordelen om aan hem een bedrag van € 1.000,- aan kostendeclaraties te voldoen, zal worden afgewezen. ECP Nederland heeft de verschuldigdheid van dit bedrag weersproken en van de zijde van [naam gedaagde 1] ontbreekt onderbouwing van dit bedrag. [naam gedaagde 1] heeft weliswaar een aantal facturen overgelegd die zien in de inkoop van etenswaren, maar die facturen tellen niet op tot het gevorderde bedrag, zodat het niet duidelijk is waarop het gevorderde bedrag betrekking heeft.

3.9.5

[naam gedaagde 1] heeft bij akte van 19 maart 2019 zijn eis vermeerderd in die zin dat hij betaling vordert van ECP Nederland voor iedere maand dat ECP Nederland een omzet van minimaal € 65.000,- heeft behaald. Deze vordering zal worden afgewezen, nu de vordering onvoldoende concreet is. Vaststaat dat [naam gedaagde 1] aanspraak heeft op het overeengekomen bonusbedrag voor iedere maand dat de omzet is behaald en in zoverre is er dus ook geen discussie. Voor zover [naam gedaagde 1] meent dat hij nog recht heeft op bonusbedragen in bepaalde maanden had het op zijn weg gelegen om te concretiseren en te onderbouwen op welke maanden zijn vordering betrekking heeft. De enkele stelling dat de omzet in andere maanden wel hoger geweest moet zijn omdat ECP een onjuiste omzetberekening heeft gehanteerd, hetgeen overigens door ECP wordt weersproken, is daartoe onvoldoende.

3.9.6

De vordering tot het betalen van € 2.767,67 aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, nu een groot deel van de vordering eveneens wordt afgewezen.

3.9.7

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de kosten in reconventie te compenseren in die zin dat partijen ieder de eigen kosten zullen dragen.

4 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

  • -

    verklaart voor recht dat de rechtsgrond ontbreekt van de door [naam gedaagde 1] bij ECP Nederland ingediende factuur 201570 voor een bedrag van € 2.541,-, factuur 201572 voor een bedrag van € 2.541,- en factuur 201571 voor een bedrag van € 30.250,-, in totaal aldus een bedrag van € 35.332,-, ontbreekt;

  • -

    veroordeelt [naam gedaagde 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ECP Nederland te betalen een bedrag van € 103,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2017;

  • -

    verklaart voor recht dat de rechtsgrond van de door [naam gedaagde 2] ingediende factuur met factuurnummer 2015208, ontbreekt;

  • -

    veroordeelt [naam gedaagde 1] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ECP Factoring te voldoen een bedrag van € 23.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 4 december 2017;

  • -

    veroordeelt [naam gedaagde 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ECP Factoring te voldoen een bedrag van € 25.000,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 15 november 2017;

  • -

    compenseert de kosten van de procedure in die zin dat partijen ieder de eigen kosten zullen dragen;

  • -

    verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

  • -

    draagt ECP op om aan [naam eiser 1] te verstrekken een deugdelijk overzicht van het saldo en de bijbehorende mutaties op het factoringsaldo van (de onderneming van) [naam eiser 1] en tot het aanleveren van een deugdelijk overzicht van alle door [naam eiser 1] gedane betalingen en/of door ECP doorgevoerde verrekeningen onder de overeenkomst van debiteurenbeheer, één en ander met inachtneming van de in dit vonnis vastgestelde uitgangspunten;

  • -

    draagt ECP op om aan [naam eiser 2] te verstrekken een deugdelijk overzicht van het saldo en de bijbehorende mutaties op het factoringsaldo van (de onderneming van) [naam eiser 2] en tot het aanleveren van een deugdelijk overzicht van alle door [naam eiser 2] gedane betalingen en/of door ECP doorgevoerde verrekeningen onder de overeenkomst van debiteurenbeheer, één en ander met inachtneming van de in dit vonnis vastgestelde uitgangspunten;

  • -

    veroordeelt ECP om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] het gecorrigeerde factoringsaldo te voldoen;

  • -

    compenseert de kosten van de procedure in die zin dat partijen ieder de eigen kosten zullen dragen;

  • -

    verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund.

Uitgesproken in het openbaar.

3144/ 1889