Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:7949

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
11-10-2019
Zaaknummer
10/083665-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft benzine gekocht en die in de echtelijke woning over zijn vrouw gegooid. Bedreiging en voorbereidingshandelingen voor zware mishandeling en brandstichting. Poging doodslag / zware mishandeling / brandstichting niet bewezen. 2 jaar gevangenisstraf met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/083665-19

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] (Marokko),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. J. van Riet, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op aangeefster (feit 1 primair), alsmede een poging tot brandstichting (feit 3 primair). Voor beide feiten was er een begin van uitvoering, gelet op de handelingen die zijn verricht ter voltooiing van de misdrijven.

Deze handelingen waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het stichten van brand en het vermoorden van aangeefster. De verdachte had de opzet (in voorwaardelijke zin) op de brandstichting en de dood van aangeefster.

Ten aanzien van de voorbedachte rade onder feit 1 primair heeft de officier van justitie gesteld dat de verdachte een van tevoren bedacht plan had dat hij heeft uitgevoerd, waarbij hij tijd heeft gehad om over de gevolgen van zijn handelen na te denken en zich te beraden op zijn voorgenomen besluit. Dat het plan van de verdachte, naar zijn eigen zeggen, gericht was op het bang maken van aangeefster, maakt die conclusie niet anders.

4.2.2.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte op 6 april 2019 benzine heeft gekocht. Een deel van de benzine heeft de verdachte overgegoten in een fles.

Op 8 april 2019 heeft de verdachte in de echtelijke woning, waar op dat moment hij, aangeefster en hun zoon [naam zoon verdachte] van zes jaar oud aanwezig waren, die benzine over de aangeefster en op diverse plaatsen in de woning gegoten. De verdachte had vervolgens in zijn ene hand een mes en in zijn andere hand een aansteker vast. De verdachte heeft de benzine niet aangestoken. De verdachte heeft onder die omstandigheden tegen zijn echtgenote gezegd dat hij wilde dat zij de echtscheiding niet door zou zetten. Toen zijn echtgenote begon te schreeuwen, is hun zoon de kamer binnengekomen en tussenbeide gekomen.

Dat de verdachte zijn echtgenote alleen bang wilde maken en haar niet wilde doden, zoals hij heeft verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op de hoeveelheid handelingen die hij heeft verricht. Uit het geheel van gedragingen van de verdachte, zoals hierboven besproken, leidt de rechtbank af dat de verdachte de intentie had om zijn echtgenote en de woning in brand te steken en dat de door hem aangeschafte benzine kennelijk bestemd was om daaraan bij te dragen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, indien het tot uitvoering van het voornemen van de verdachte was gekomen, dit niet zonder meer de dood van de echtgenote tot gevolg zou hebben gehad. Wel is aannemelijk dat de echtgenote in dat geval zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen. De verdachte had daarmee dus (kennelijk) de intentie om zijn echtenote zwaar te mishandelen en brand te stichten.

De door hem verrichte handelingen zijn daarentegen onvoldoende om, zoals de officier van justitie heeft betoogd, van een begin van uitvoering te spreken. Daarvoor is in het bijzonder redengevend dat uit het dossier niet valt op te maken dat de verdachte heeft geprobeerd de aansteker te ontsteken. De door de verdachte verrichte handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als uitvoeringshandelingen. Wel kunnen de aanschaf en het voorhanden hebben van de benzine (en het overgieten van de echtgenote en plaatsen in de woning) en de aanstekernaar hun uiterlijke verschijningsvorm in dit geval worden gekwalificeerd als voorbereidingshandelingen voor zware mishandeling en brandstichting.

Conclusie

De rechtbank acht hetgeen onder 1 primair en 3 primair ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan vrijgesproken dient te worden. Wel acht de rechtbank het onder feit 1 subsidiair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1. subsidiair

hij op of omstreeks 8 april 2019 te Rotterdam

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de

wettelijke omschrijving

een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten zware mishandeling, opzettelijk een hoeveelheid benzine en een aansteker bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en voorhanden heeft gehad

2

hij op 8 april 2019 te Rotterdam zijn echtgenote [naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting,

door:

- een hoeveelheid benzine over die [naam slachtoffer] te gooien en

- vervolgens een aansteker en een mes te tonen aan

die [naam slachtoffer] en daarbij aan die [naam slachtoffer] toe te voegen - zakelijk

weergegeven - dat ze moest kiezen tussen het mes of het vuur

3 subsidiair

hij op of omstreeks 8 april 2019 te Rotterdam

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke

omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten

brandstichting, opzettelijk een hoeveelheid benzine en een aansteker bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de eendaadse samenloop van

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

voorbereiding van zware mishandeling, terwijl de dader opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en voorhanden heeft gehad

en

Ten aanzien van feit 3 susidiair

voorbereiding van brandstichting, terwijl de dader opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en voorhanden heeft gehad;

Feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten,

de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Verdachte heeft op 8 april 2019 zijn echtgenote (aangeefster) overgoten met benzine in de echtelijke woning. Tevens heeft hij haar een mes en een aansteker getoond. De aanleiding was gelegen in de wens van aangeefster om van de verdachte te scheiden. Omdat de verdachte dit niet kon verkroppen, heeft hij gemeend te moeten handelen, zoals hij heeft gedaan. Aangeefster heeft zich hierbij ernstig bedreigd gevoeld en vreesde voor haar leven. Uiteindelijk is zij (met haar zesjarige zoontje) gevlucht naar een buurtbewoner.

In de woning was ten tijde van het plegen van de feiten het zesjarige zoontje van de verdachte en aangeefster aanwezig. Hij is op het geschreeuw van zijn moeder afgekomen en tussen beide ouders gekomen. Het is erg kwalijk dat een kind van die leeftijd er getuige van moest zijn dat zijn vader zo gevaarlijk en bedreigend handelde. De rechtbank acht de feiten ernstig en rekent deze de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 juli 2019, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Psychiater J. van der Meer heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 juli 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een sociale angststoornis (sociale fobie). Er is geen verband tussen deze stoornis en het ten laste gelegde.

Psycholoog T. ‘t Hoen heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 17 juli 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een sociale angsstoornis. Onderzoeker ziet vanuit gedragskundig oogpunt geen forensisch relevante aanknopingspunten en noodzaak om een behandeling binnen een juridisch kader op te leggen.

Reclassering Nederland, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 juli 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

Op de leefgebieden is eigenlijk geen problematiek. Betrokkene is door het NIFP onderzocht en de uitkomst is dat hij volledig toerekeningsvatbaar geacht wordt. Er is geen psychiatrische problematiek vastgesteld. Tot op heden ziet de reclassering geen mogelijkheden voor het inzetten van interventies die gericht zijn op het voorkomen van recidive.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapportages.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt derhalve volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu begeleiding en bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk worden geacht, ziet de

rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 46, 55, 57, 157, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. E.M. Havik en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Zijnde de voorzitter buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 8 april 2019 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

zijn echtgenote [naam slachtoffer] ,

opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, over die [naam slachtoffer]

heeft gegooid en/of gesprenkeld en/of gegoten, en/of

- ( vervolgens) een aansteker en/of een mes heeft getoond/voorgehouden

aan die [naam slachtoffer] en/of (daarbij) aan die [naam slachtoffer] heeft toegevoegd -

zakelijk weergegeven - dat ze moest kiezen tussen het mes of het vuur,

althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 289 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op of omstreeks 8 april 2019 te Rotterdam

ter voorbereiding van het misdrijf/de misdrijven waarop naar de

wettelijke omschrijving

een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of

doodslag en/of zware mishandeling, opzettelijk

een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of een

aansteker en/of een mes bestemd tot het begaan van dat misdrijf/ die

misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd,

uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

(artikel 46/ 189/187 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 8 april 2019 te Rotterdam

zijn echtgenote [naam slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

en/of met brandstichting,

door:

- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, over die [naam slachtoffer]

te gooien en/of sprenkelen en/of gieten, en/of

- ( vervolgens) een aansteker en/of een mes te tonen/voor te houden aan

die [naam slachtoffer] en/of (daarbij) aan die [naam slachtoffer] toe te voegen - zakelijk

weergegeven - dat ze moest kiezen tussen het mes of het vuur, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3

hij op of omstreeks 8 april 2019 te Rotterdam

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om

opzettelijk brand te stichten in een woning/pand gelegen aan de

[adres verdachte] ,

met dat opzet

- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare slof, over zijn

echtgenote [naam slachtoffer] heeft gegooid en/of gesprenkeld en/of gegoten,

en/of

- een hoeveelheid benzine, althans een brandbare stof, heeft

gegoten/gegooid/gesprenkeld over de vloer van voornoemde woning,

en/of

- ( vervolgens) een aansteker ter hand heeft genomen,

en daarvan

- gemeen gevaar voor die/dat woning/pand en/of de in die/dat

woning/pand en/of zich in de nabijheid van die/dat woning/pand en/of

belendende percelen aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, en/of

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [naam slachtoffer] en/of zich in

die/dat woning/pand en/of zich in de nabijheid van die/dat

woning/pand en/of belendende percelen bevindende personen, in elk

geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,

en/of

- levensgevaar voor die [naam slachtoffer] en/of zich in die/dat woning/pand

en/of zich in de nabijheid van die/dat woning/pand en/of belendende

percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander

of anderen, te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek

van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

hij op of omstreeks 8 april 2019 te Rotterdam

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke

omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld, te weten

brandstichting, opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans een

brandbare vloeistof, en/of een aansteker bestemd tot het begaan van dat

misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd,

uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

(artikel 46/ 157 Wetboek van Strafrecht)