Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2019:789

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
7220404
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de geneeskundige behandeling. Eisers stellen dat zij schade aan gebit hebben door nalatigheid tandarts. Partijen in overweging gegeven of zij zaak niet willen regelen in plaats van het op een eindvonnis te laten aankomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7220404 CV EXPL 18-39918

uitspraak: 8 februari 2019

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[eiser 1] en [eiser 2],

beiden wonende te Rotterdam,

eisers,

gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: J. Verweij te Rotterdam.

Partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    de dagvaarding met producties van 13 september 2018;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties van 16 oktober 2018;

  • -

    het tussenvonnis van 16 oktober 2018 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief met aanvullende producties van [gedaagde] van 30 oktober 2018;

  • -

    de brief met aanvullende producties van [eiser 1] en [eiser 2] van 17 december 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 januari 2019 en de daaraan ge-hechte brief van [eiser 1] en [eiser 2] van 21 januari 2019.

2 De feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[gedaagde] is tandarts (geweest). [eiser 1] en [eiser 2] waren ongeveer 30 jaar bij hem onder behandeling.

2.2

In een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag van 10 mei 2016, gegeven op een klacht van [eiser 1] tegen [gedaagde] , staat, voor zover nu van belang:

5 De beoordeling

5.1

In Nederland is in 1998 het zogenaamde paroprotocol, een behandelingsprotocol voor de behandeling van parodontitis, tot stand gekomen door overleg tussen de Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Tandheelkunde en de Nederlandse Vereniging voor Parodontologie. In dit protocol werd afgesproken dat de tandarts (of mondhygiëniste) het parodontium van de patiënt in ieder geval eenmaal per jaar controleert en daarbij de DPSI-score (Dutch Periodontal Screening Index-score) noteert. De DPSI-score is een manier om vast te leggen hoe het staat met de gezondheid van het tandvlees en het kaakbot. Wanneer uit de ‘screening’ blijkt dat er sprake is van parodontitis zullen meer gegevens onderzocht en opgeschreven moeten worden. Die gegevens worden bij voorkeur in een parodontiumstatus genoteerd.

5.2

Het voeren van een tandartspraktijk vereist dat zorg wordt geboden op basis van protocollen die goede tandheelkunde waarborgen. Naar het oordeel van het College is gebleken dat [ [gedaagde] ] aan deze kwaliteitseis niet, althans verregaand onvoldoende, heeft voldaan, met name op het gebied van de parodontale zorg voor klager. Dit zal hieronder nader worden toegelicht.

5.3

Ter zitting heeft [ [gedaagde] ] verklaard dat hij altijd tijdens de reguliere controles van [ [eiser 1] ] tandsteen heeft verwijderd. [ [gedaagde] ] heeft het mondonderzoek met een spiegel en een gewone sonde uitgevoerd. Een pocketsonde heeft [ [gedaagde] ] niet gebruikt. Het noteren van DPSI-scores vond [ [gedaagde] ] niet nodig. Volgens [ [gedaagde] ] wordt dit door vele (oudere) collega’s ook niet gedaan. In al die jaren heeft [ [gedaagde] ] naar eigen zeggen nooit problemen in en aan het gebit van [ [eiser 1] ] gezien, reden waarom hij het ook niet nodig vond om (regelmatig) ter controle röntgenfoto’s te maken.

5.4

Vast staat dat er een periode van zeven maanden zit tussen de laatste reguliere controle van klager bij [ [gedaagde] ] – waarbij [ [gedaagde] ] naar eigen zeggen een normale dentitie had gezien – en de eerste controle bij diens opvolgend tandarts. Door de opvolgend tandarts is in de patiëntenkaart van [ [eiser 1] ] genoteerd: “21-10-2010: pt. komt voor eerste keer c, mhg slecht tot matig, paro (dpsi 3/2/3/4/2/4) uitgebreid uitgelegd en ook risico’s en consequenties …. -> advies plan maken met b wed (geen recente fotos!!!)…”.

5.5 [

[gedaagde] ] betwist weliswaar dat er sprake was van problemen in of aan het gebit van [ [eiser 1] ], maar het College is het met [ [eiser 1] ] eens dat de parodontale situatie in ruim een half jaar tijd niet ineens dermate verslechterd kan zijn. Het College verwijst naar de hierboven genoemde DPSI-score. Hierbij wordt opgemerkt dat – in tegenstelling tot wat door [ [gedaagde] ] wordt beweerd – een DPSI-score van 3 helemaal geen ‘normale score’ is, en een score van 4, zoals is aangetroffen, al helemaal niet.

Het College beschikt over meer (indirecte) aanwijzingen dat het gebit van [ [eiser 1] ] is verwaarloosd. Zo is er namelijk door [ [gedaagde] ] geen gebruik gemaakt van een pocketsonde, had [ [eiser 1] ] last van een slechte adem, zijn er niet regelmatig ter controle röntgenfoto’s gemaakt en is onvoldoende komen vast te staan dat er pocketmetingen hebben plaatsgevonden. Voor zover die pocketmetingen door [ [gedaagde] ] wel zijn gedaan zoals hij heeft gesteld, is dit in ieder geval niet door hem op de juiste wijze, met een pocketsonde, gebeurd en is het niet correct gespecificeerd per sextant genoteerd. [ [gedaagde] ] heeft hiermee de grondregels van het vigerende paroprotocol genegeerd.

5.6

Het College heeft in zijn oordeel voorts niet alleen rekening gehouden met de kritische aantekeningen in de patiëntenkaart van de opvolgend tandarts (zie hierboven onder 5.4), maar ook met het mondonderzoek dat door tandarts [naam tandarts] is verricht (DPSI score: 4/1/4/3/1/4) en met de röntgenfoto’s die in januari 2011 zijn gemaakt. Uit deze foto’s blijkt dat er sprake is van fors verlies van kaakbot. Verlies van kaakbot wordt mede vastgesteld door een pocketmeting. De forse mate van het in 2011 vastgestelde verlies van kaakbot wijst op een reeds langer aanwezig proces.

5.7

De klacht dat er sprake is geweest van verwaarlozing van het gebit van [ [eiser 1] ] dient gelet op het bovenstaande gegrond te worden verklaard. Dat aan de parodontale toestand bij [ [eiser 1] ] jarenlang verregaand onvoldoende zorg is besteed, is ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Als [ [gedaagde] ] het volledige paroprotocol had doorlopen, dan had hij eventuele parodontale problemen kunnen vaststellen en zijn behandelingsstrategie daarop kunnen aanpassen.

Voorts was de door [ [gedaagde] ] uitgevoerde diagnostiek onvolledig; er zijn niet regelmatig ter controle röntgenfoto’s gemaakt. De ter zitting door [ [gedaagde] ] gemaakte opmerking dat er wel door hem röntgenfoto’s zijn gemaakt, maar dat deze zijn verdwenen, acht het College niet geloofwaardig. Het vervaardigen van deze röntgenfoto’s is immers nergens in het patiëntendossier van klager vastgelegd. Het College merkt tot slot nog op dat ook de verslaglegging door [ [gedaagde] ] zwaar onder de maat is geweest.

2.3

Het Regionaal Tuchtcollege heeft [gedaagde] in de hiervoor genoemde uitspraak voor de duur van zes maanden geschorst. In een uitspraak van het College van dezelfde datum is een soortgelijk oordeel gegeven over de klacht van [eiser 2] . [gedaagde] is niet tegen de uitspraak van het College in beroep gegaan.

3 Het geschil

3.1

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [gedaagde] onzorgvuldig gehandeld heeft als tandarts. Zij lijden daardoor schade. [eiser 1] en [eiser 2] begroten de schade respectievelijk op € 19.091,97 en € 6.493,60 en zij vorderen veroordeling van [gedaagde] tot betaling van deze bedragen, naast voor ieder € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding.

3.2

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering.

3.3

Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op waarmee [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] de vordering en het verweer daartegen (verder) onderbouwen.

4 De beoordeling

4.1

[gedaagde] moet bij zijn werkzaamheden ‘de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen’ (artikel 7:453 BW). Dit betekent dat hij de zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Doet hij dit niet, en schiet hij dus tekort in de nakoming van de zorgovereenkomst, dan moet hij de schade die in dit geval [eiser 1] en [eiser 2] daardoor lijden vergoeden (artikel 6:74 BW).

4.2

[gedaagde] heeft bij zijn werkzaamheden voor [eiser 1] en [eiser 2] níet de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen. De kantonrechter baseert dit oordeel op de uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege van 10 mei 2016 (zie 2.2 en 2.3). Het College oordeelt daarin hard over de werkwijze van [gedaagde] . Het College acht het ernstig verwijtbaar dat [gedaagde] ‘jarenlang verregaand onvoldoende zorg’ heeft besteed aan de gebitten van [eiser 1] en [eiser 2] . [gedaagde] is niet in beroep gegaan tegen het oordeel van het College en van de juistheid van dat oordeel moet daarom uitgegaan worden.

4.3

[gedaagde] voert in deze procedure kort gezegd aan dat het [eiser 1] en [eiser 2] ontbrak aan een goede mondhygiëne en dat dat (mede) de oorzaak van de door hen gestelde problemen is. [gedaagde] heeft in de tijd dat [eiser 1] en [eiser 2] bij hem onder behandeling waren echter niets op de patiëntenkaarten genoteerd waaruit de juistheid van zijn stelling blijkt ( [gedaagde] noteerde sowieso weinig tot niets). Er moet daarom van uitgegaan worden dat die stelling van [gedaagde] niet klopt.

4.4

[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgovereenkomsten met [eiser 1] en [eiser 2] . Hij moet daarom de schade die zij daardoor lijden vergoeden. De vraag is echter hoe hoog die schade is. [eiser 1] heeft weliswaar voor € 19.091,97 aan schadebegrotingen overgelegd en [eiser 2] voor € 6.493,60, maar uit die overgelegde stukken kan de kantonrechter niet afleiden welk van de daarin opgenomen posten een rechtstreeks gevolg is van de tekortkoming van [gedaagde] . De gebitsproblemen van [eiser 1] en [eiser 2] hoeven immers niet per se (allemaal) met de nalatigheid van [gedaagde] in verband te staan. De zaak wordt daarom naar de rol verwezen om [eiser 1] en [eiser 2] in de gelegenheid te stellen duidelijk te onderbouwen welke schade zij precies leiden door de tekortkoming van [gedaagde] .

4.5

De kantonrechter kan zich voorstellen dat de verlangde nadere onderbouwing van de schade kosten met zich meebrengt, bijvoorbeeld de kosten van een onafhankelijke derde die moet beoordelen tot welke schade de nalatigheid bij [eiser 1] en [eiser 2] heeft geleid. Deze kosten komen (aan het einde van de procedure) in beginsel voor rekening van [gedaagde] . Hij is immers de aansprakelijke partij. Als echter blijkt dat de gebitsproblemen van [eiser 1] en [eiser 2] níet het gevolg zijn van de nalatigheid van [gedaagde] , is er voor veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schade en onderzoekskosten geen reden.

4.6

[gedaagde] heeft [eiser 1] en [eiser 2] tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak een partijen bekend aanbod tot schikking van deze kwestie gedaan. Deze procedure kan minstgenomen twee uitkomsten hebben: (1) uit de nadere onderbouwing blijkt dat de schade van [eiser 1] en [eiser 2] zo hoog is als zij nu stellen in welk geval [gedaagde] die schade moet betalen én alle aan het vaststellen en incasseren van die schade verbonden kosten, of (2) uit de nadere onderbouwing blijkt dat de gestelde gebitsproblemen geen verband houden met de nalatigheid van [gedaagde] . In dat geval komen alle kosten voor eigen rekening van [eiser 1] en [eiser 2] en hoeft [gedaagde] hen geen schadevergoeding te betalen. Er valt voor beide partijen (al dan niet gezien vanuit het door [gedaagde] gedane aanbod) met andere woorden iets te winnen, maar voor beide partijen valt ook iets te verliezen. De kantonrechter geeft partijen daarom in overweging nog eens na te denken over de vraag of zij het in deze kwestie tot een eindvonnis willen laten komen of dat zij hun geschil (alsnog) in onderling overleg willen oplossen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 5 maart 2019 om [eiser 1] en [eiser 2] in de gelegenheid te stellen te reageren op wat in dit vonnis is overwogen;

bepaalt dat [gedaagde] in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de door [eiser 2] en [eiser 1] alsdan te nemen akte.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

686